Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Biografie

Voor de basis van deze geïllustreerde biografie maakte ik gebruik van de chronologische volgorde zoals beschreven in de biografische gegevens van de Documentatiedienst: Nederlands Letterkundig Museum - Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven.
Deze basis wordt aangevuld met foto’s, documenten, fragmenten uit boeken en dagboekfragmenten die ik in de loop der tijden heb verzameld en nog steeds verzamel.  
Bronnen op internet worden vermeld op de linkenpagina van deze website.

 

 

 

 

1860

3 april: geboren aan de Kleine Houtweg, [buiten]wijk 4, nr. 149, te Haarlem, als jongste van de twee zonen van Frederik Willem van Eeden, bloemkweker, en Neeltje van Warmelo.

Jan Arie van Eeden in 1751.
Grootvader - Jan Arie van Eeden

neeltje van eeden-van warmelo. ca. 1865

 . 

1861 frederik en johan met hun moeder

  . 

f.w. van eeden sr.

geboortehuis van f. van eeden

 

6 mei: gedoopt in de Grote Kerk aldaar.

 
Grote Kerk Haarlem

Het gezin verhuist naar Gedempte Oude Gracht, wijk 3, nr. 142, later genummerd 103.

tweede ouderlijk huis ged. oude gracht 103.

1866

Lagere school te Haarlem.

1869 jaar met broer johan

1872

September: wordt toegelaten tot de eerste klas van de gemeentelijke Hogere Burgerschool in de Jacobijnenstraat te Haarlem.

HBS Jacobijnenstraat Haarlem

 . 

klassefoto 1875 - FvE eerste van rechts

1874

September: wordt toegelaten tot de, bij de 2e klas van de H.B.S. aansluitende, eerste klas van de gemeentelijke, vierjarige Latijnse School te Haarlem.

Een oogziekte dwingt hem tot langdurig verblijf in donker.

 

f. van eeden in 1874  .  Dagboek:

31 december 1874. Deze week veel schaatsen gereden. Beginnen goed te leeren. Ik ben nu 14 jaar, word dit jaar 15. Op het Gymnasium, was eerst achterlijk, heb toen lang ziekte op mijn oogen gehad. Ben nu natuurlijk nog achterlijk, moet mijn best doen. Frans en Cor zijn mijn vrienden. Ik hou veel van hen. [..] Doe veel chemische proeven, ben van plan doctor te worden, mijn vrienden worden technologen. Ik zal maar vol­houden, ik heb wel aanleg voor teekenen, dat voel ik zelf. Het spijt mij, dat ik er zoo weinig aan doe.

12 Januari 1875. Droevige ontdekking. Mijn eene oog begint weer rood te worden. Mag ik dan niet leeren? Moet ik dan dit jaar luieren? Ik ben al niet heel vlijtig en nu dit nog. Mistroostig en wanhopig zal ik er maar niet om worden.

Ik heb zoo'n behoefte mijn hart ergens uit te storten, maar waarom weet ik niet. Ik heb veel piano gespeeld. Ik heb er wel plezier in, doe het zelfs graag

1875

Juli: ter voltooiing van de genezing reis naar Münster-am-Stein bij Kreuznach; ontmoeting met de familie Molony [de twee meisjes uit Johannes Viator, Tweede Dag].


9 Juli 1975 Dit zijn allen gelukkige dagen. Ik heb het groot­ste gedeelte met Frieda en Florence doorgebracht Ik heb met hen aan de rivier gespeeld en 's middags aan de salinen en zoo. 's Avonds ben ik naar Kreuznach gereden, maar het regende een poosje. Ik had het geluk mevrouw Molony een plezier te kunnen doen, anders was ik liever thuis ge­bleven.

10 Juli Ik schrijf alles zoo laat. Ik weet het niet precies meer. Ik ben met Florence naar Altenbaumberg geweest, heerlijk. Heb al het mogelijke voor haar gedaan, nog wat pret gehad en mij bij hen bemind gemaakt.

11 Juli 's Ochtends met de kinderen, ik ben al hun ‘Freddy dear’, 's middags met Mevrouw naar Kreuznach geweest, ook heerlijk. Het was erg winderig in het eerst, naderhand heel mooi.  

I7 Juli Frieda zal ik toch nooit vergeten, ze is zoo eenvoudig en lief. Jammer dat ze zoo zwak is, ze is telkens ziek. Zij zal een heldere star blijven aan mijn hemel. Zij is als het ware de maan, die de zon vervangt als het nacht is, maar misschien gaat ze wel voor goed onder. Ze zijn weggegaan vandaag, maar ik zal ze dikwijls op gaan zoeken.

 . 

De zusjes Florence en Friede Moloney

Frans Waller okt 1875 - schoolvriend

1876

Oktober: vriendschap met Henriëtte Ortt [in het dagboek: ‘Ati’].

 

1876 16 jaa

 . 

12 october 1886 Die goede, lieve Ati, ze ziet alles zoo vroolijk in, ze zoekt achter niemand kwaad (dat is maar goed ook, voor mij namelijk). Slim is ze niet, maar er is geen liever, eenvoudiger schepsel in gansch Haarlem; ik geloof waarachtig, dat ik haar lief heb.

13 October Ik wist dat Ati naar de duinen zou gaan en of ik wilde of niet, na twaalven stapte ik met haastige schreden denzelfden kant uit. Ik dwaalde de duinen door alsof ik een stuk ijzer was en daar ergens een magneet lag. Toen kwam er een rare middag ver­der; ten laatste haast moedeloos en ontstemd ge­worden, zag ik haar gestalte eindelijk in de verte op een duin staan. Ze wilde me niet zien. Ik begon erg op Eugène Wrayburn uit Oliver Twist te lijken. Ik praatte verder met haar den ganschen middag en ik kletste geducht, zotte dingen, hevige dingen, onverstandige dingen, maar zoo ellendig als ik ten laatste werd ben ik nog maar zelden ge­weest. Er was letterlijk niets, dat mij in goed hu­meur bracht. Zij gelooft me niet, begrijpt mij niet en lacht mij uit. Weltschmerz hoef ik niet meer te hebben, het staat lam, dat weet ik wel. Ik kan niets verlangen en toch ben ik niet tevreden. Laat ik in Godsnaam toch niet van de eene Schwärmerei en melancholie in de andere vallen, laat ik alle gedachten, overpeinzingen en soezigheden toch van mij afgooien, laat ik toch geen dichter willen voorstellen en zuchten over de slechte wereld. Laat er beroerdheid zijn, dat kan niet anders, bemoei er je niet mee en zet je er over heen, kalm er door gestuurd, verstandig en flink!

22 November
Als ik nu de dagen Maandag, Dinsdag en Woens­dag moest beschrijven, dan zou ik beginnen met Ati, voortgaan met Ati en aan het eind van het boekje eindigen met Ati. Maandag maakte ik een speech klaar, maar zag haar niet. Dinsdag begon ik er mee, praatte door, maar bleef in mijn gevoel even ver. 's Avonds zelfs was ik niets tevreden, maar Woensdag is het beste. Ik begreep het wel, achter die opgeruimdheid stak wat anders, dat ze nu uitsprak, ofschoon maar half. Beschouw me als je zuster, zeide zij mij en 't was alsof zij mijn ouden levenslust door een tooverwoord terugriep. Ik heb 's middags met haar loopen praten en ziet! nu zijn de rollen omgekeerd; de vroolijke, verstan­dige Ati heeft het land en waarom zou je zoo vragen. Ze is niet tevreden met zichzelf. Ze vindt zich niet knap, niet verstandig, niet lief genoeg. Als ik zeg, dat zij het mis heeft, houdt ze vol, dat ik haar niet ken, dat niemand haar kent. Ze wil ook niet hebben, dat ik het mij aantrek. Ze wil er niet over spreken, ze is in één woord bang er voor uit te komen. Ik zal haar raden ferm te wezen, krachtig het hoofd op te houden, niet te brommen op haar constitutie en te verbeteren wat dan, vol­gens haar, verbeterd moet worden.

 . 

henriëtte ortt. ca. 1878

1877

April: verblijf bij de familie Molony te Eastbourne

Dagboekfragment:
Een half uur later zat ik op den trein naar East­bourne. Wij vlogen voort met onbegrijpelijken spoed. Donkere heuvels verrezen in de verte, binnen weinige minuten stoven wij er door heen, door tunnels en over viaducten, totdat ik eindelijk de heuvelreeks plotseling zag eindigen als afge­knipt en ik begreep, dat de zee de schaar moest geweest zijn.

Eastbourne! las ik met groote letters. Eastbourne ! schreeuwden de conducteurs. Ik stapte uit, ver­baasd over alles en wel het meeste over mijzelf. Een oude drager pakte mijn koffer en bracht mij naar Hydegardens. "Is n't it a nice town, Sir' zei de man. Inderdaad, het was: "a nice town”, maar ik lette er niet veel op, ik zag alleen om naar het huis mijner bestemming. Daar stond het nummer, dat moest het zijn. Ik liep de zandsteenen trappen op. Daar ging de deur open. "Eh, dear Frederick, so you are really here at last! Welcome Freddy dear! How do you do? Mein lieber Herr van Eeden, wie geht's Ihnen' Is Freddy there mother, how does he look'" Zoo klonk het aan alle kanten. Ik drukte handen, zoende kinderen, werd van links naar rechts getrokken om het greenhouse, om mijn slaapkamer, om de kinderkamer te bekijken. Ik vertelde mijn reis zoowat en zat verder met een blij en slaperig gezicht te kijken naar mijn kinderen. Ze waren mij wat te groot geworden, ik kon ze niet meer met een hand optillen, hun haren waren ge­knipt en ofschoon mij dat al lang voorspeld was, speet het mij toch.

Toen ik naar bed ging, naar een ruim, kolossaal bed met koperen knoppen, bekroep mij de vrees, dat ik na een gerusten slaap den volgenden morgen weer in Haarlem wakker zou worden. Ik lag den eersten morgen uiterst genoegelijk gestemd in bed, keek met zalige zelfvoldoening de zonnige, ruime kamer rond en luisterde naar de verschillende ge­luiden op straat en in huis. Voor mij was het een heel ding, nu eindelijk in Engeland te zijn, hetgeen ik zoo lang gewenscht had. Mijn eerste, werk na het ontbijt was natuurlijk de stad eens op te nemen en het strand te zien. Eastbourne is het type van een badplaats en inderdaad een fraaie stad. Het grootste gedeelte er van bestaat uit prachtige huizen, dat is te zeggen, huizen, die groot, stevig en comfortabel zijn. Veel smaak is er zelden in te bekennen. De meest bezochte wandelplaats is na­tuurlijk "the Beach", daar speelt elken morgen muziek, daar zijn banken en geuren bloemen en elke badgast, die loopen kan, wandelt daar vóór twaalven heen en weer om de zeelucht in te ademen, terwijl mannen met een soort groote kinderwagens steeds gereed staan, om degenen, die niet loopen kunnen, voort te trekken. Het was daar elken morgen een heerlijke gelegenheid voor mij, primo, om de zee te zien en de zeelucht te ruiken, verder om muziek te hooren en ten laatste om het Engelsche volk te bestudeeren. Nu eerst, nu ik weer lang en breed thuis zit, nu Eastbourne, die vriendelijke stad met zijn goede inwoners, weer voor een langen, langen tijd, door de zee voor mij gescheiden is, nu eerst begin ik dien tijd te waardeeren, nu eerst te beseffen, hoe gelukkig en tevreden ik tusschen die stijve Engelschen was, toen ik sliep in het bed met de koperen knoppen en overdag lag te soezen op de grazige rotstoppen, wenschende, dat men mij van huis af eens kon zien genieten en deelen in mijn kalme zaligheid. Ja, die rotsen, wat verlangde ik daarnaar.


September: zakt voor het Staatsexamen.


Dagboek -  20 September 1877

Er is weer een lange tijd voorbijgegaan, voorbijgevlogen. Ik ben niet door mijn examen, dat is de eindconclusie. Ik heb mijn best gedaan, op het examen ook, ik had er bij deze opgaven nooit nu reeds kunnen komen. Het was een nare teleurstelling en ik voelde mij in het eerst erg ongelukkig, zij had het zoo gehoopt, zij had het zoo goed gevonden, ik schaam mij schipbreuk te lijden op iets, dat ik met al mijn krachten wilde bereiken. Maar men neemt het mij niet kwalijk..

1878

Maart: weigert zich te laten aannemen als lidmaat van de Ned. Hervormde Kerk.

Dagboek - 24 maart 1878

Ik laat mij niet aan­nemen, ik bedank er voor. Ik verwensch het oogen­blik van zwakheid, toen ik toegegeven heb om weer op de catechisatie te gaan. Nu, die uren zijn niet verloren en nuttig en goed geweest. Maar nu het mij werd voor den neus gehouden, over 14 dagen aannemen, nu begon ik na te denken, kreeg be­rouw, zag mijn zwakheid en halfheid in en daarmee is het uit. Al stond nu Mama en Papa en Moltzer en de heele rest op hun hoofd, zoo kunnen ze sneeuwlikken. Ik schaam mij feitelijk alleen te hebben toegegeven om er af te wezen, 't is vreeselijk laf, vooral omdat mijn karakter er onophoudelijk tegen in opstand was. Het is een leugen en een leugen van gewicht, die ik zou doen, een leugen, waarvan ik mijn geheele leven berouw zou hebben. "Ja" te zeggen en "neen" te meenen is nooit iets anders geweest. En dat niet tegen zoo'n predikant alleen, maar tegen allen, die mij kennen, tegen de geheele gemeente zou ik liegen. Ik zou rondwan­delen als een aanhanger der Christelijke leer, terwijl ik dat minder ben dan iemand. Terwijl ik toch op mijn achttiende jaar pas oordeel des onder­scheids genoeg heb om te weten wat ik geloof of niet. Ik kan van gedachten veranderen en Christen worden, dat behoort onder de mogelijkheden, maar een eens gesproken leugen wordt nooit waarheid.

 

Schrijft Het rijk der wijzen.

 

September: slaagt voor het Staatsexamen. Student in de medicijnen te Amsterdam.

Vriendschap met A. Aletrino.
Woont Jacob van Campenstraat 36 te Amsterdam.


 

Dagboek - 4 October 1878

 

Ik weet niet hoe die lui allen zoo joviaal met mij zijn. ’t Is pas de vierde dag en geen een dondert me meer zoals gewoonlijk. Ik heb van morgen met Aletrino gewandeld, alsof het Cor of Frans was, we hebben gefilosopheerd en dwaasheid gemaakt als oude vrienden. Het is een aardige kerel, wel een beetje dwaas uiterlijk, maar goedhartig en wel ontwikkeld.

Arnold A. Aletrino

1879

April: breuk met Henriëtte Ortt.


Juli: voetreis naar de Vogezen.

 

dinsdag 29 juli

De bladen van het boek hier zijn bezoedeld door bloemen uit de Vogezen.

Wij zijn in 't midden van de reis. Doris slaapt op de kanapé en daarbuiten brandt de zon op de schaduwlooze straten van Colmar. Het genoegen van de reis komt natuurlijk eerst als ik t' huis ben, of liever het besef van dat genoegen. Op reis weet ik niet dat ik plezier heb, maar later komt het ver­langen naar al dat schoons dat ik gezien heb. Er is ook veel tegenspoed ge­beurd, ik heb gruwelijke dagen doorleefd toen ik op nauwe schoenen en pantoffels rondliep, bovendien zitten wij nu zonder koffer en zonder schoon goed, ik voel me zoo vuil en schooierig en ik heb zoo'n moeite om het met Doris te stellen. Hij kan soms totaal onverdragelijk zijn. Hij is alleen aardig als hij dwaasheden kan vertellen, ernstig en toch verstandig heb ik hem nooit gezien. Het is een groot kind, hij moest nooit ernstig zijn, altijd lachen.

[….]

Ik geloof niet dat ik het zou kunnen vinden met de natuur alleen. Als ik iets schoons wil genieten moet ik menschen om mij heen hebben waar­van ik hou, lieve, huisselijke menschen. Als ik nieuwe kennissen maak is het ook goed, maar nu ik hier rondreis met Doris die voor 't meerendeel knorrig kijkt, tusschen een volk dat mij niets geen sympathie inboezemt nu voel ik mij ongezellig gestemd, mogelijk breng ik ook het mijne toe tot de kloof tusschen Doris en mij. Ik wou dat ik in de verandah zat op het Spaarne. Och, nu ik eens naga wat ik voor herinneringen uit Haarlem medenam, begrijp ik dat ik na korten tijd weer naar de Vogezen zou ver­langen als ik thuis was en in Amsterdam weer naar huis en t' huis weer . . . ten slotte zou ik maar verlangen dood te gaan.

's Winters is het zoo koud, 's zomers is het zoo warm, wanneer en waar zou ik toch tevreden zijn. .

Brrr! Wat komt er weer een sombere stroom aanbruisen als ik de bladen van dit boekje open. In mijn leven ben ik toch zoo somber niet, eergisteren heb ik nog gedanst met Elzasser meisjes. Ik vind ze niet aardig die Elzassers, zoo vervelend en zoo stug. Ze halen hun woorden drie el uit, zijn vies en gewoonlijk leelijk. Maar ik wil geen oordeel vellen hier, om­dat ik het land heb en dus niet oordelen kan.


November: vriendschap, later verloving, met Martha van Vloten [in het dagboek: ‘Clara’].

 

Johannes van Vloten - vader van Martha

Mevrouw van Vloten - moeder van Martha

Martha van Vloten

Verloofd

 

Werkt als ‘Varius’ mede aan de Studentenalmanak van het Amsterdams Studentencorps.

 

1880

November: redacteur Studentenalmanak.

 

1881

Februari: vice-president sociëteitsbestuur.
19 april: ouders verhuizen naar Frederikspark 10 te Haarlem.


14 juni: medeoprichter van de Letterkundige Vereniging ‘Flanor’.

Augustus: reis naar Kopenhagen met de familie Van Vloten.

7 Augustus

In Kopenhagen!

O, het is zoo goed en dat is reeds lang zoo.

Het is goed met mij, mijn leven is rijk en heerlijk, mijn geest kalm en opgewekt. Daarom geniet ik van deze reis, zooals ik nooit te voren van een reis genoten heb. Er liggen weer bloemen in het boekje, rozen en korenbloemen en ze zullen heerlijke droo­men opwekken, alleen daarom weemoedig, dat zij voorbij zijn.


13 december: draagt daar Het rijk der wijzen voor.

 

1882

September: assistent Anatomisch Instituut te Amsterdam.

Het rijk der wijzen verschijnt in Nederland III.

Schrijft Het poortje of de duivel te Kruimelburg.

 

4 oktober: rector van het Amsterdams Studentencorps.

.

1883

Het sonnet verschijnt en wordt 27 november te 's-Gravenhage door Het Nederlandsch Tooneel opgevoerd.

Woont Amstel 17.

 

1884

Frans Hals verschijnt en wordt 2 februari door de schildersvereniging St. Lucas te Amsterdam opgevoerd.

Schrijft De kleine Johannes.

16 december: voorzitter van ‘Flanor’.

 

1885

Zomer: draagt bij tot de oprichting van De nieuwe gids en wordt redacteur.

 

Geboorte van de Nieuwe Gids

Artsexamen.

27 oktober: draagt de Grassprietjes op ‘Flanor’ voor.
November: verblijf te Parijs, indrukken van Charcot en 8 november: bezoek aan Cd. Busken Huet.
15 december: draagt De student thuis op ‘Flanor’ voor.

 

1886

15 april: huwelijk met Martha van Vloten; reis naar de Rivièra en Italië; bezoek aan Ed. Douwes Dekker te Nieder-Ingelheim.

Huwelijksreis

Nu is Douwes Dekker bijna de eenige geweest die iets moois kon maken in Holland.
En omdat hij het zelf was, en dat voelde en begreep, - heeft hij ook het eerst kunnen zeggen hoe men artist is. Ziehier:
‘Er zijn geen kunstregels. De ware artist teekent de natuur na, zooals die zich aan hem vertoont. Wie hierin oprecht naar juistheid streeft is kunstenaar.’
‘Het eenvoudig volgen van den natuurlijken indruk sou ieder in staat stellen iets goeds te leveren.’
‘De theorie van onderwijs in letterkunde zou moeten zijn: bestudeer den aard der dingen en tracht oprecht mee te deelen wat ge vondt.’
‘Hoe gebrekkig de wijze van uitdrukking zij, een auteur die blijk geeft van oprechtheid van streven naar waarheid is altijd beminnelijk en wint het immer van den geoefendsten schrijver die ‘school’ aanhangt of voorbeelden volgt.’
 
Om deze stellingen, letterlijk zoo, met goed gevolg in een debat te verdedigen zou men Douwes Dekker zelf moeten zijn. Maar ten naaste bij staat er hetzelfde wat wij nog altijd met veel moeite het publiek aan 't verstand trachten te brengen.
Van Eeden over E.D. Dekker in De Nieuwe Gids. Jaargang 2 (1887)

Eduard Douwes Dekker

 

De student thuis wordt door Het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam opgevoerd.

 

Vestigt zich te Bussum, Nieuwe 's-Gravelandscheweg hoek Graaf Wichmanlaan, als huisarts.

Beukenoord

..

‘Beukenoord’ aan de 's-Gravelandseweg te Bussum, waar Van Eeden zich na zijn huwelijk als huisarts vestigde, om weldra forens te worden naar de kliniek in Amsterdam. 1889


8 juli: promoveert te Amsterdam op proefschrift Kunstmatige voeding bij tuberculose.

 ‘Het Vaderland’ publiceerde ter gelegenheid van Frederik van Eeden's veertigjarig doktersjubileum een interview, waaruit het volgende wordt overgenomen:

‘Zoo, ben ik nu 40 jaar medicus, a.s. Zaterdag? Weet ik niets van, 'k heb 't ook in de pers gelezen, dus zal 't wel zoo zijn, al begrijp je soms niet, langs welke kanalen de kranten hun berichten krijgen’.

‘Waar ging uw dissertatie over?’

‘Wacht, die zal ik eens opzoeken’.

Dr. van Eeden zocht in zijn groote, gecatalogiseerde bibliotheek en reikte ‘de kunstmatige voeding bij Tuberculose’ aan. En uit het titelblad bleek, dat de promotie 10 Juli 1886, onder het rector-magnificiaat van prof. mr. L. de Hartog had plaats gehad.

‘Hoe zat dat nu in elkaar?’

Daarvoor zou dr. van Eeden naar beneden gaan, waar zijn dagboeken zorgvuldig bewaard worden. ‘Dat is m'n eeuwige nalatenschap’, zeide hij, zich bij de deur omkeerend, ‘ik hoop, dat die later niet in verkeerde handen valt’. En bij het raadplegen van het dagboek uit die dagen wisten we thans, dat het arts-examen 10 October 1885, en de promotie 10 Juli 1886 had plaats gehad.

Uit: Den Gulden Winckel.  Jaargang 24

 

Enige tijd werkzaam bij Liébault en Bernheim te Nancy.

 

Ambroise Liébault

 

Hippolyte Bernheim

 

Schrijft Don Torribio, dat in De nieuwe gids II wordt gepubliceerd.

 

1887

12 mei: oudste zoon Hans geboren.

Mijn lief, klein jongetje! dat ik heb opgeroepen uit het verre, stille droomland, luister eens, ik ga je veel vertellen. Ik moet dat wel doen, want het is mijn schuld dat je niet meer droomt in het rijk van den eeuwigen herfstnevel, tusschen de groote blauwe bloemen aan het effen meer. Het is mijn schuld dat je mee moet doen in de wonderlijke onrust van een menschenleven. Ik heb je hier binnengebracht - nu moet ik toch ook vertellen hoe het er hier uitziet en wat er hier gebeurt. Ik heb al dikwijls verlangd het eens aan iemand te zeggen die het niet weet. Want ik ben hier ook nog niet lang, mijn jongen! ik verbaas mij nog elken dag en begrijp er heel weinig van. Maar ik zal trachten je wat op den weg te helpen, zoo als ik wilde dat men het mij gedaan had.

Je hebt wel recht wat boos op mij te zijn, arm ventje - want ik kan niet beloven dat je hier tevreden zult zijn. Daar waar je vandaan komt is het mooier dan hier, veel mooier. Jij zult dat nu niet gelooven, maar uw vader weet het heel goed. En als jij hier een poosje geweest bent zul je het ook begrijpen. Dan zul je dat half vergeten land weerzien met zijn stille, heilige pracht. Die herinnering zal komen als dit menschenleven ver is, in den slaap. En geen wakend uur zal op het geluk dier droomen gelijken. Als een droevig leed zal het je zijn dat je verder en verder weggaat van dat land - en dat je het niet meer zoo vaak en zoo duidelijk weerziet in den slaap.

Frederik met Hansje


Begin der samenwerking met dr. A.W. van Renterghem in het ‘Instituut voor psychische therapie’ te Amsterdam.

dr. A.W. van Renterghem

Dokter Albert Willem van Renterghem (1845-1939), in het buitenland meer gekend dan in Nederland, verdiende hier zijn sporen met de introductie en toepassing van de medische hypnosetherapie en de psychoanalyse. Ook was hij medewegbereider van een meer liberale seksuele moraal in Nederland. Aanvankelijk was hij voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden, die als Zeeuwse plattelandsarts zijn kost verdiende. Door de kennismaking met het hypnotisme verliep de carrière van de jonge van Renterghem echter heel anders. Met Frederik van Eeden opende hij in 1887 te Amsterdam de eerste kliniek in Nederland, en wellicht ter wereld, speciaal voor behandelingen met hypnotisme.

Verder lezen

Advertentie in De Nieuwe Amsterdamsche Courant Algemeen Handelsblad van zondag, 14 augustus  1887

1888

5 november: kennismaking met mevrouw E.M. van Hoogstraten-van Hoytema (Betsy) [‘Ellen’].

 

E.M. van Hoogstraten-van Hoytema.

Het is een lange, uitputtende worsteling. Een voortdurend begeeren en niet willen, wenschen en verwenschen. Een aaneenvoeging van groote en kleine smarten. Aan haar denken is smart, niet aan haar denken is smart. Haar bewonderen is smart, omdat daaronder anderen lijden, - fouten in haar vinden is nog grooter smart. De neiging tot kreunen, tot snikken, tot languit op den grond vallen, is altijd in mij, den ganschen dag. Maar met andere motieven - uit verlangen, uit berouw over mijn zwakheden, uit pijnlijk bewonderen, uit bitterheid dat dit alles zoo zonder uitkomst is. Alleen als ik haar zie ben ik rustig - en nog niet altijd, - alleen als ik haar zoo gewoon zie, met anderen er bij of onder een of andere neutrale bezigheid, - als ik haar tegenwoordigheid voel door het gewone leven heen. De liefste herinneringen van de uren die ik bij haar doorbreng zijn de gewone, alledaagsche gesprekjes. De aangenaamste sensatie is het contrast als zij zich gewoon sprekend met mij beweegt en ik denk aan het gepassioneerde in haar. Als zij zegt: ‘Bewaar jij mijn handschoenen!’ en ik denk: ‘die vrouw zou zich mij willen geven.’

Dagboekfragment 16 augustus 1889

Henri Borel

1889

Februari: kennismaking, enkele jaren later vriendschap, met Henri Borel.

16 februari: tweede zoon Paul geboren.

Martha met Paul en Hans

 

 

 

 

 

 

 

Mei-juni: reis naar Parijs en Spanje.
Begint zijn dromen te noteren.
 

13 juni

Hier weer een heele hap uit mijn productieve existentie, aangevuld door rijke impressies. 't Is heel eigenaardig toegegaan. Voor mijn vertrek was ik heel actief, plannen makend, mijzelf ingespannen observeerend, met een bijna gelijkmatig voortdurende productieve stemming; al maakte ik nog niet veel, ik voelde dat ik 't kon, er was voorbereiding. Dat bleef op reis gedurende de eerste 5 à 6 dagen. Ik bleef mijn droomen op­schrijven, den tweeden dag in Madrid maakte ik nog het plan voor een vers - en ik zat 's morgens aan 't ontbijt in groote ontroering versregels te maken. Toen kregen langsamerhand de impressies de overhand, ik begon heel anders te voelen, passiever, het vermogen tot productie verdween geheel onder de snelle opvolging van reisindrukken, het stierengevecht met zijn heftige emotie veegde alles uit - ik vergat mijn droomen, schreef geen brieven meer, wist niets meer van mijn plannen.

Nu eerst, nadat ik weer tien dagen thuis ben, nu begint het productieve gevoel weer terug te komen. De eerste dagen na de reis was ik zeer gedrukt, neerslachtig, den ganschen dag slaperig en zeer hongerig. Op reis sliep en at ik heel weinig. Nu is 't eten mij weer vrij onverschillig en hedenavond heb ik voor' t eerst geen slaap.

 

1890

September: eerste wrijvingen met Kloos.


Van Eeden aan Kloos:
Beste Vriend!

Om deze volgende redenen wil ik iets antwoorden op het geen je over mij en tegen mij in 't openbaar gezegd hebt. Ik wensch ongestoord mijn weg te kunnen gaan en mijn individualiteit te ontwikkelen, mijn vrijheid behoudend met zorgvuldig ontzien van de vrijheid van anderen. Ik wensch op niemand invloed uit te oefenen, tenzij door rede, of door sympathie, dat is dus liefde.
Ik verdoem en verwerp alle gezag, alle prestige, alle autoriteit - zoowel in het samenleven der lichamen, als in dat der intelligentiën.
Ik wil het individualisme zoo compleet mogelijk, maar een altruïstisch individualisme, dat erkent het bestaan en bestaansrecht van andere individuen - en dus vrijheid zoekt voor elk, niet voor mij alleen. Ik zoek deze vrijheid, omdat ik voel, als een levend en reëel sentiment, de liefde voor mijne soort, de menschenliefde. Dit is het motief, en het wezen der rechtvaardigheid bestaat naar mijne meening in het bepalen der grootst mogelijke vrijheid die wij allen kunnen erlangen, naast elkaar.

Lees verder...

1892

Januari-maart: Lieven Nijland-affaire.
28 februari: mr. S.P.J.A. van Hoogstraten sterft.
2 augustus: voordracht over psychotherapie voor het Tweede Internationale Congres voor Psychologie te Londen; vriendschap met Fr. W.H. Myers en Lady Welby.

 

F.W.H. MYERS

Victoria, Lady Welby.


 
 
 
 
 
 
 
2 augustus: eerste bezoek aan Lady Welby op Denton Manor.

Van nu af een- of tweemaal 's jaars naar Engeland.

 

1893

 

1 mei: verhuist naar villa Dennekamp [architect H.P. Berlage] aan de Nieuwe 's-Gravelandseweg te Bussum.

 

Villa Dennenkamp

Frederik, Martha, Hans (r) en Paul van Eeden op Dennekamp. 1895.


1 juli: trekt zich terug uit het Instituut voor psychische therapie. Blijft werkzaam als psychiater. 17 augustus-midden september: het gezin Alberdingk Thijm logeert bij de Van Eedens.

Breuk met Kloos, later met Verwey; vriendschap met H. Gorter.

 

Willem Kloos

Albert Verwey

Herman Gorter

 

1894

3 mei: onttrekt zich aan De nieuwe gids.

 

1895

11 december: eerste bezoek aan Kloos in het krankzinnigengesticht te Utrecht.

 

1896

8 mei - 1 oktober: Kloos logeert ter verdere genezing bij de Van Eedens.
Juni: Van Eeden trekt in een artikel in De kroniek partij voor het socialisme.
Oktober: Het poortje wordt door het Rotterdams toneelgezelschap De Vos en Van Korlaar opgevoerd.

 

1897

Juli: eerste reis naar Noorwegen.

Eerste artikelen en lezingen over productieve associatie.

 

1898

Maart: plan voor een ‘kolonie’.
April-mei: het landgoed Cruysbergen tussen Bussum en 's-Graveland wordt verworven en ‘Walden’ gedoopt; de ontginning met aanvankelijk vijf medewerkers begint. Van Eeden betrekt een hut op het landgoed.


December: geruchtmakende lezing voor het ‘Nut’ te Rotterdam.

 

1899

Februari: het gezin verhuist naar villa De lelie [architect W. Bauer] aan de Nieuwe 's-Gravelandseweg bij Walden.
14 maart: geruchtmakende lezing voor de arbeiders te Amsterdam.
November-december: spiritistische experimenten onder auspiciën van de Society for psychical research te Londen.

 

1900

Juni: Voortzetting der spiritistische experimenten.
Augustus: voordracht hierover voor het Vierde Internationale Congres voor Psychologie te Parijs.

1901

Juni: Voortzetting der spiritistische experimenten.

Augustus: voordracht hierover voor het Vierde Internationale Congres voor Psychologie te Parijs.


04 Mei: F.W. van Eeden Sr. overlijdt. (Vader)

F.W. van Eeden senior


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
20 oktober: de vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit [G.G.B.] opgericht door D. de Clercq, F. van Eeden, J.H.F. Grönloh en 18 anderen.
 

1902

Lezingen over Mensch en maatschappij, in 1903 verwerkt tot De blijde wereld.
7 juni: het weekblad De pionier begint onder redactie van Felix Ortt te verschijnen. Polemiek in De XXe eeuw over ‘woordkunst’; breuk met Alberdingk Thijm. Toenadering tot Verwey.

 

1903

Januari: redacteur van De pionier.
April: speelt, als bestuurslid van G.G.B., een leidende rol in de algemene staking; tijdelijke samenwerking met de S.D.A.P.
Juni: F.W.H. Emons treedt op als Van Eedens secretaris.
15 september: eerste opvoering van Don Torribio door De Nederlandsche Tooneelvereeniging te Amsterdam.

 

1904

Maart: reis naar Zuid-Zwitserland en Milaan met zijn moeder.
April-juni: richt de verbruikscoöperatie ‘De Eendracht’ te Amsterdam op.
Contact, weldra vriendschap met Jacob I. de Haan.

 

1905

Maart: reis naar Napels en Capri met zijn moeder.
April: reis naar Dortmund.
December: verblijf te Berlijn en Dresden; stimulerend contact met de toneelwereld, vooral met de dramaturg Arthur Kahane. Van nu af talrijke reizen naar Duitsland.
Breuk met Borel.

 

1906

Maart: reis naar Zwitserland met zijn moeder.
Augustus: verblijf te Langenschwalbach.
De zendeling en Minnestral door enige toneeldirecties geweigerd.
November: opnieuw verwijdering van Verwey.

17 december: broer Johan pleegt zelfmoord in Indie

 

1907

4 april: het faillissement van ‘De Eendracht’ wordt aangevraagd. Om de leden, merendeels uitgesloten stakers van 1903, niet te laten duperen moet Van Eeden ƒ 250.000, - aanzuiveren, wat vooral door de hulp van personen uit zijn naaste omgeving gelukt.
Echtscheiding van Martha.


21 augustus: tweede huwelijk met Geertruida Woutrina Everts.

Truida en Frederik


September-oktober: reis naar Duitsland en Zwitserland. Oktober: Walden grotendeels gelikwideerd. Van Eeden treedt af als redacteur van De pionier. Vestigt zich in een huisje op Walden.

 

1908

Januari: ontmoet te Berlijn o.a. Max Reinhardt en Franz Oppenheimer.
30 januari: IJsbrand wordt door Het Nederlandsch Tooneel opgevoerd.
9 februari: De idealisten of Het beloofde land wordt door De Nederlandsche Tooneelvereeniging opgevoerd en valt.
Februari - april: tournee in de Verenigde Staten.
Mei: verblijf op Guernsey.
30 oktober: IJsbrand wordt opgevoerd door het Hoftheater te Stuttgart.

 

1909

26 januari: derde zoon Hugo geboren.

donderdag 28 januari

Eergister, Dinsdagavond 26 jan. werd mijn lieve Hugo geboren. Het vreeselijke waarop ik mij had voorbereid, kwam niet. Het ging veel voorspoediger dan bij de geboorte van Hans, en dan de bevallingen van haar jongere zusters. Het is als of haar liefde en sterk moederlijk instinkt het alles overwon. Ze was zeer rustig en moedig en haar kermen zelfs had iets natuurlijks, en geleek niets op de vertwijfeling die 't hart verscheurt. En het kind was groot en sterk, met een grooten schedel. Ik voel recht dankbaar en verheug me over het nieuwe leven. Het gezicht van de moeder, haar expressie, haar oogen is wonderbaar mooi. Ik ben zoo blij dat ik haar dáár gebracht heb, het heeft haar zoo goed gedaan, en de hulp was zoo uitstekend. Bij Hugo's geboorte was de Rhapsodie van Brahms niet uit mijn hoofd, voortdurend.


6 februari-13 mei: tweede tournee in de Verenigde Staten.
1 oktober: verhuist naar het grote huis op Walden.

Villa Oud Cruysbergen

2 oktober  Prachtig najaarsweer.

In een drukke herrie en rommel met het verhuizen naar 't groote huis. Mijn arme, lieve vrouw doet zoo haar best, soms is 't of het te veel voor haar wordt. Alles hier is mij dierbaar om haar, en in die groote ruimten zou ik met plezier willen blijven, hoe onaantrekkelijk de kast ook is, als ik 't met haar kan hebben. Die groote slaapkamer is mij nu al weer zoo lief, omdat ik die met haar deel. En ik slaap er goed, nadat den eersten nacht de demonen hun streken beproefd hebben. Een griezelige droom, waarin Hugo verpletterd werd tusschen Aletrino en Jacob van Lennep. Maar het was merkbaar een demonenstreek. Ze schijnen toch wel aan bepaalde localiteit gebonden. In mijn hut had ik er nooit last van, en de eerste nacht in het nieuwe huis wèl. Maar nu is 't over, en ik voel er mij niet ontevreden. Ook schijnt er veel zon, en ik houd van de ruimte. Het is een raar mengsel van ouderwetschheid en moderniteit nu, van royaliteit en armoe. Oost-Walden is nu bijna geheel verkocht, op het lieve terrein na, waarop mijn hut stond, mijn ‘huis’ zooals ik 't vroeger noemde. Dat hoort mij nog. 


9 oktober-19 december: derde tournee in de Verenigde Staten.

 

1910

19 januari: Het paleis van Circe wordt opgevoerd door Het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam en valt.
Januari-februari: voordrachten te Düsseldorf, Frankfurt, Darmstadt, Stuttgart, Wenen, Dresden, Bonn, Antwerpen, Brussel, Kopenhagen, Stockholm en Aken.
26 maart: vierde zoon Evert geboren.

zondag 27 maart

1e Paaschdag. Gister werd ons tweede zoontje geboren. Het was een prachtige voorjaarsdag, evenals vandaag, en de geboorte was wat men voorspoedig noemt. Aanvankelijk had ik het gevoel van lafheid, er niet bij te durven zijn, om het lijden niet te zien, en het scheen me alsof vooral de weerstand tegen zulk een aandoening in ouderworden verzwakt. Maar dat was een bui van depressie, een melancholisch vleugje. Toen het gebeurde was ik er bij, en kalm. Maar ik vond het erger dan de vorige maal, en er doemde een vreeselijk gevoel in me van bittere verontwaardiging, van trotsch verzet, tegen een macht die zoo slecht zorgt, zoo slecht inricht - dat om het allernoodigste te doen gebeuren, het lieve, teedere wezen tijdelijk moet worden vernietigd en misvormd en tot schande gebracht.

Hugo heeft de gewoonte tegen elk mensch, ook tegen vreemden, met zijn gracelijk handje te wuiven. Toen hij zijn kleine broertje Evert zag, bekeek hij 't eerst aandachtig, als een vreemd diertje of ding. Maar toen hij zag dat het leefde en geluid gaf, herkende hij het menschje, en wuifde het vroolijk en langdurig toe, een welkom.

 

Truida met Hugo en Evert


September-november: verblijf te Dresden en Berlijn. Vriendschap met Erich Gutkind [‘Volker’] en Martin Buber: eerste plan voor een ‘wereldrijksdag’.
14 oktober: IJsbrand wordt opgevoerd te Dresden en daarna in andere Duitse steden.
Stichting van Vaneeden-colony bij Wilmington [N. Carolina, U.S.A.].

 

1911

Richt met Erich Gutkind een oproep tot de ‘koninklijken van den geest’ in alle landen, Welt-Eroberung durch Helden-Liebe, om te komen tot de vorming van een ‘wereldrijksdag’. Talrijke voordrachten in Nederland.
Oktober-november: voordrachten te Wiesbaden, Frankfurt, Coblenz en Barmen.

 

1912

Januari: begint zijn spelling naar eigen inzicht te veranderen.
29 maart: Lady Welby overlijdt.
Vriendschap met Upton Sinclair.
April-mei: verblijf te Londen met Jacob I. de Haan, te Berlijn met U. Sinclair; ontmoeting o.a. met Gutkind, Buber, Rathenau.
18-21 juni: verblijf, als psychologisch raadsman, bij Eleonora Duse te Venetië.
30 juni: openlucht-opvoering van Lioba door dilettanten onder leiding van Fr. de Witt Huberts op Duin- en Kruidberg te Santpoort. Vriendschap met Elly Ney en Willy van Hoogstraten. Verzoening met Borel.
22-25 augustus: verblijf te Ormesby bij Eleonora Duse.
24 oktober: lezing te Frankfurt.

 

1913

21 februari: Paul van Eeden overlijdt. 

vrijdag 21 februari

Het teeken is gekoomen. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk, zoodat elk het zien moest. Het verheerlijkte gezicht van mijn lieven jongen in zijn stervensoogenblik. Dat was booven alle twijfel verheeven. Dat moest ieder die zien kon tot geloof brengen. Hij bad en hij zag. Hij zag iets wonderheerlijks en moois. En in 't gebed steeg hij in 't beetere land. God nam hem tot zich. Tot de laatste seconde bleef hij helder en in contact met ons. Hij zag een oogenblik vizioenen. Toen liet hij mij roepen. Als ik maar in de kamer was, bleeven ze weg. Hij zag ook een vizioen dat de zuster hem plaagde. Toen zei hij op zijn liefste toon: jij mij plagen! En daarna zei hij dat hij ‘niets meer begrijpen kon’ en ‘niets meer wist’. Toen zei ik hem geduld te hebben. ‘Nu moest het toch koomen’ zei hij ‘nu moet het toch gebeuren!’

En toen gebeurde het. Hij vouwde de krachtelooze handen, de oopen mond ging dicht en preevelde, de oogen gingen wijd oopen en kreegen een uitdrukking van extaze, en verrukking. Toen hield teevens de adem op, en hij gleed oover in het beetere land zonder snik, zonder convulsie. Doodstil, in extaze. Prachtig was de uitdrukking van zijn gezicht. Martha, Hans en de zuster zeiden allen: nu zijn wij allen blij. Nu is Paul gelukkig......

PAULS ONTWAKEN

 

2-10 april: voordrachten in Zweden.
22 april: voordracht voor de Society for psychical research: A study of dreams.
9 mei: ontdekt Rabindranath Tagore.
5 juni: rede te Gent: Nieuwe Nederlandsche dichtkunst.

7-8 september: spreekt op het psycho-analytisch congres te München.

28 oktober: Lioba opgevoerd te Weimar.

Eerste vertaling van Tagore.

 

1914

30 januari-4 februari: voordrachten te Wenen, ontmoeting met S. Freud.
10-13 juni: bijeenkomst met Gutkind, Buber, Landauer, Däubler, Rang, Bjerre en Borel te Potsdam: stichting van de ‘Forte-Kreis’.
November: redacteur van De groene Amsterdammer.
Vriendschap met Romain Rolland.

 

1915

Talrijke voordrachten in Nederland, verwerkt in Bij het licht van de oorlogsvlam.
20 februari: De heks van Haarlem te Amsterdam opgevoerd door het gezelschap Willem Royaards, aanvankelijk met weinig succes.
Begin van een lange reeks spiritistische seances ten huize van mevrouw Welter-de Guasco, waaruit voortgekomen zijn Jezus' leer en verborgen leeven [1919] en Uit Jezus' oopenbaar leeven [1922].
Eerste plan voor de ‘Internationale school voor wijsbegeerte’ te Amersfoort. Vriendschap met prof. dr. L.E.J. Brouwer.

 

1916

Voordrachten en seances. Vriendschap met de minister van Buitenlandse Zaken Loudon en contact met Zweedse pacifisten.

 

1917

Januari: in opdracht dezer laatsten reis naar Engeland en audiëntie bij Lloyd George om vredesbemiddeling in te leiden.
28 februari: De bokkenrijder of Het skelet wordt door Het Hollandsch Tooneel te Amsterdam opgevoerd en valt.
Juni: kandidaat voor de Tweede Kamer voor de Algemene Staatspartij.
12 september: richt met prof. G. Mannoury, Jacob I. de Haan, prof. dr. L.E.J. Brouwer, H. Borel en weldra ook prof. dr. L.S. Ornstein en H.P.J. Bloemers het ‘Internationaal instituut voor praktische wijsbegeerte’ op, dat na de emigratie van De Haan [3 januari 1919] en de toetreding van prof. dr. Jac. van Ginneken omgedoopt wordt in ‘Signifische kring’.

 

1918

Seances met de architect J. London en een medium, waarin hun de stichting van een geestelijk wereldcentrum opgedragen wordt.
21 november: eerste bezoek aan pater J.V. de Groot.

 

1919

Voordrachten, tot in 1920, in samenwerking met London, over Het Godshuis in de lichtstad.
Augustus: verblijf in Zwitserland bij Willy van Hoogstraten en Elly Ney; ontmoeting met Romain Rolland.
13 oktober: zijn moeder, mevrouw Van Eeden-van Warmelo, overlijdt.


maandag 13 oktober

Heeden morgen is mijn lieve, dierbare moeder heengegaan, na zestig jaren voor mij gezorgd en met mij saamgeleefd te hebben. Gisteren herkende zij mij nog. Ook van morgen nog eeven. Zij glimlacht dan en drukte mijn hand. Om zes uur werd ik geroepen, daar het eind nabij was. En na een korte agonie ging zij kalm en vreedig oover. Nu is haar gelaat streng en vreede-vol, het gelaat van een rechtvaardige en door God beveiligde.

Ikzelf was niet rustig. Ik moest mij schamen, na zooveel goeds en een zoo lang innig samenleeven, moest ik dankbaar en gerust zijn. Maar de somberheid verdween niet vóór het einde bereikt was. Toen kwam Truida binnen en dat was een heerlijke verkwikking. Haar lief vertrouwd gezicht bij mijn angsten en onrust. Zij bracht ook den invloed van Paul mee en nu ben ik veel kalmer, na hartelijk uitgeschreid te hebben bij moeders lijk.

Ik heb veel voor haar gebeeden, en mijn jongetjes deeden het ook. Eeven vóór het laatste oogenblik zag ze mij nog aan. En ik moest denken: ‘hoe lang nog, eer je ook zoo ligt?’ en toen: ‘was het alreeds zoover.’ En nu: ‘het is alles goed!’

Heb ik niet steeds en gestadig gedaan wat ik kon om haar leeven gelukkig te maken? Heeft zij mij niet beloond met een onwankelbaar trouwe liefde? Dankbaarheid, innige dank sprak ik uit teegen haar. En moet ik ook niet dankbaar zijn dat het mij gelukken kon haar ouden dag zoo gelukkig, zoo vreedig en fleurig moogelijk te maken? Was het kleine huisje niet een plek waar ieder graag kwam, omdat moeder er was, altijd opgeruimd, altijd blijmoedig en dankbaar?

 

Moeder van Eeden in 1919

1920

29 januari: eerste verblijf in de St. Paulus-abdij te Oosterhout.

 

1921

30 december: rede te Maastricht over voorgenomen toetreding tot de Rooms-katholieke kerk.

 

1922

18 februari: wordt gedoopt in de St. Paulus-abdij te Oosterhout.
1 juli: treedt af als redacteur van De groene Amsterdammer.
20 augustus: rede voor de ‘Ligue internationale des femmes pour la paix permanente’ te Lugano: Conseils aux jeunes.

 

1923

22 maart: rede te Amsterdam: Mijn oovergang tot de kerk, op vele plaatsen herhaald.
22 mei: Ismea of De stervende vlinder wordt door Het Romantisch Tooneel te Amsterdam opgevoerd en valt.

 

1925

23 december: eerste besef van ernstige geestesverzwakking.

 

1930

3 april: huldiging op zijn 70e verjaardag: Liber amicorum.

.

DEN 3den April 1930 zal Dr. Frederik van Eeden den 70-jarigen leeftijd bereiken. Er heeft zich een comité gevormd van hen, die meenen dat het den dichter en denker, wiens rusteloos streven op zoo velerlei gebied voor talloozen in binnen- en buitenland van grooten vormenden invloed is geweest, verheugen zou op dien dag een blijk van waardeering te ontvangen.

 

Dat Comité stelt zich voor in de eerste plaats een som bijeen te brengen, welke het mogelijk maakt de zware geldelijke zorgen, waaronder de dichter meer en meer gebukt gaat, te verlichten. Het noodigt daarom allen die voor den schrijver van den Kleinen Johannes en van zoo menig ander kunstwerk erkentelijkheid en waardeering gevoelen, met aandrang uit hun bijdragen te doen toekomen aan den penningmeester.

.

  . . . .

Hierbij mag worden meegedeeld dat, dank zij de medewerking van Het Willem Kloosfonds, ‘Fonds tot steun van de Nederlandsche Letterkunde en Letterkundigen’, de mogelijkheid geopend is het rendement van het bijeen te brengen kapitaal tot 10% op te voeren en dit tijdens het leven van den dichter aan hem uit te keeren, eventueel aan zijn beide jongste zonen tot zij den leeftijd van 25 jaren hebben bereikt. Waarna het kapitaal en zijn opbrengst ten bate van het wijdere doel van het bovenvermelde Steunfonds zouden strekken.

.

.

Het ligt voorts in de bedoeling van het Comité om, wanneer de ontvangen middelen dit toelaten, een Liber Amicorum te doen verschijnen, waarin in het licht gesteld wordt welke de beteekenis van Van Eeden is op de verschillende gebieden waarop hij zich heeft bewogen. Dit werk zal vermoedelijk f 4.- à f 5.- moeten kosten. Gaarne ontvangt het Comité ook daarvoor inschrijvingen. Diegenen, die een bijdrage zenden van f 10.- of hooger, ontvangen het boek, wanneer de uitgave inderdaad tot stand komt, gratis.

 

Secr. penningmeester van het Comité is Mr. H. Giltay, Laan v. Meerdervoort 516, Den Haag.

1932

16 juni: Van Eeden overlijdt op Walden.

KRONIEK

 

Van Eeden is dood. Dertig jaar geleden zou de tijding als een schrikmare door het land zijn gegaan. Er waren er toen nog die van zijn geest en arbeid niet veel minder dan het heil der wereld verwachtten. En nu? De eertijds zoo heftig en sterk in het openbaar levende was stil geworden en teruggetrokken, al sinds jaren. Men wist dat hij een wrak was, de schaduw nog maar van zijn vroegere persoonlijkheid. Veel luidruchtige bewondering was door zijn eindelooze wisselvalligheid — tenslotte, misschien, rustvindend in zijn bekeering tot het Katholicisme — in stil en bijna angstig ontzag veranderd; veel ergernis en hoon waren door medelijden en diepere erkenning tot zwijgen gebracht. Zijn heengaan zal bij velen thans iets als een zucht van verlichting teweegbrengen. De definitieve rust is ingetreden.

Zal ook het menschelijk oordeel over hem ééns definitief worden ? Wij hebben ook die illusie — van de rechtvaardigheid der tijden — op moeten geven. Wat de eene periode erkent en bewondert, wordt door een volgende verworpen, en omgekeerd, tot in lengte van dagen! Zeker schijnt alléén, dat na de afsluiting van ieders leven een bezinking van oordeel volgt. En ik vermoed dat deze bezinking in Van Eedens geval den zooeven overledene niet ongunstig zal zijn. Hij was ten slotte i e m a n d , ondanks al zijn wisselvalligheid, en iemand die het zich zeker nóóit gemakkelijk heeft gemaakt.

Hoe dikwijls moet sommiger bittere ergernis door dezen zelf-onderzoeker zijn gedeeld! Tegenover zooveel innerlijken strijd past eerbied — dat voelt thans een ieder.

Maar het voornaamste is toch m.i. dit: hij was een dichter. Een dichter met woorden en rhytmen zooals hij het ook met daden heeft trachten te zijn. Wij mogen dan later, ook al in zijn eerste werk, in De K l e i n e J o h a n n e s , de wat opdringerig ethische strekking, de prikkelend superieure houding hebben ontdekt, bij zijn verschijning heeft dat jeugdgeschrift ons allen verrukt, het bracht iets nieuws en zéér fijns in onze letteren, het opende met waardigheid den eersten, den bevrijdenden, Nieuwe-Gids jaargang.

Van Eeden was een dichter van beteekenis, hij toonde het ook in zijn E n k e l e V e r z e n , zijn E l l e n , zijn B r o e d e r s , zijn L i e d v a n S c h i j n en W e z e n . Hij was ook een tooneel- en romandichter. Zelfs zijn ernstigste tegenstanders hebben nooit opgehouden te erkennen, dat in bijna al zijn werken zéér schoone bladzijden voorkomen.

Blijven wij hem dan eeren als den dichter en den vernieuwer, als iemand die op zijn wijze krachtig meegedaan heeft aan het leven wekkende werk der generatie van 1880.

H. R.

Bron: http://www.elseviermaandschrift.nl/


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
20 juni: begraven op de Rooms-katholieke begraafplaats te Bussum.

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:29