Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

 

Frederik Van Eeden als dichter

 

Bij een beschouwing over Van Eeden is het niet de dankbaarste taak over zijn pozie te schrijven. Men gaat de zwakke plekken in het werk van een grooten schrijver liever voorbij. Het zou beter loonen te verhandelen over den diepzinnigen droomer der symbolische verhalen, den geestigen en vernuftigen essayist, en den dramaturg; of van den vroolijken, jongen Van Eeden, die zonder luidruchtigheid, zoo raak en niet eens boosaardig zijn tijdgenooten ringelooren kon, als bijv. in dat kostelijk ironisch stukje over de gedichten van Florentijn.  Men moet echter onherroepelijk erkennen, dat Van Eeden als lyrisch dichter zelden anders dan zwakke verzen heeft geschreven. In zijn lyriek is de weeke sentimentaliteit, zijn de vage stemmingen die hij in zijn overig werk meestal in bedwang heeft, hem de baas en zijn lied glijdt weg op de vage melodie van zijn meestal vrouwelijke of zelfs glijdende rijmen. De slappe, merglooze plastiek kan de weifelende verzen niet ophouden. Het is bijna altijd zwak werk, en vaak bijna gemaniereerd, met een onhandige, als aangeleerde bevalligheid. Eerst in later tijd heeft Van Eeden een enkele maal pure, tot op de ziel vereenvoudigde pozie geschreven, als het prachtige Toen ons kindje glimlachte (1909).Van Eeden beschouwde evenals de andere tachtigers de pozie als de hoogste en subtielste der kunsten. Ik zeg dat ik hem, die n mooi vers maakt, gelukkiger reken dan den schrijver van een boekenplank vol mooie prozawerken.  Maar het is of hem bij het schrijven zijner eigen pozie iets belemmert, een verstandelijke factor die de onbevangenheid zijner gedichten verstoort en er de schoonheid telkens van te niet doet.

[ ]

De analyse van een willekeurig gedicht van Van Eeden levert onvermijdelijk teleurstellingen op, omdat hij het dichtend vermogen, dat hem toch al niet overvloedig was gegeven, op verkeerde wijze gebruikte en de inmenging van zijn verstand te zeer erbij toeliet. Zijn pozie heeft daar zeer onder geleden.

[ ]

Maar hoe onbeduidend de meeste dezer verzen ook zijn, zij zijn voor de kennis van Van Eeden typeerend. Alle kenmerken van zijn later werk zijn hier reeds waar te nemen. Er is het natuurgevoel, de liefde voor het zuivere, ongerepte natuurleven. In den geest des lichts kunnen wij zelfs reeds een voorlooper zien van Windekind. In vele verzen is er ook reeds het contrast van ideaal en werkelijkheid, dat bijna al Van Eeden's werk beheerscht.

 

Bron: De episode van de vernieuwing onzer pozie (1880-1894) Anthonie Donker

 

Tot zover de kritiek van een tijdgenoot.

 
 


Grassprietjes door Cornelis Paradijs - Van de Passielooze Lelie (1901) - Ellen, een lied van de smart - Aan mijn engelbewaarder en andere gedichten - Jeugdverzen - Dante en Beatrice en andere verzen -  

 
 

Grassprietjes door Cornelis Paradijs (1885)

.

Hieronder zijn enkele van de verzen uit Grassprietjes opgenomen. De volledige bundel is te lezen bij DBNL

.

Aanhef

 

Laat andren vrij gewrongen rijmen knutselen

Door hoofd noch hart geleid,-

Ik zal mijn smijdig Hollandsch niet verhutselen,

Ik wil slechts duid'lijkheid.

 

Ik zing, naar vrijen lust, van eigen leven,

Uit zuivren zieledrang:

Mijn leus is Eenvoud, Waarheid is mijn streven,

En Godsvrucht mijn gezang.

 

Wat stelt ge u, dwazen, vruchtloos op de toonen,

En ziet niet van nabij?

Zoekt m en n u-dr is 't ware schoone,

En de echte Pozij.

 

In Nerlands roem, in Nerlands oude deugden,

In Godgewijden lof,

In zelfgevoelde smarten, eigen vreugden,

Vind ik in mijn rijkste stof.

 

Wat zou ik knoeien, wikken, woorden tellen,

Zooals geen dichter doet?

De zangen slechts, die recht uit 't harte wellen,

Gaan recht ook tot 't gemoed.

 

Dus zal ik zingen, naar mijn hartsbegeeren,

Van eigen huis en haard,

En in ootmoedigheid den Schepper eeren,

Naar vaderlandschen aard.

XIV Moeder bij de wieg

 

Slaap, slaap nu! gij zijt mogespeeld,

Mijn Jantje! vaders evenbeeld!

Dat zijt gij toch, schoon vader zegt:

Die jongen heeft mijn neus niet recht.

 

Zoo even zat hij aan mijn zij

En hield op u den blik,

En sprak weer: Hij heeft veel van mij,

Maar toch geen neus als ik!

 

Dat dunkt mij zelf: hij is te plat-

Maar zoo gij toch zijn neus niet hadt,

O lieve beelt'nis van mijn man!

Hoe kwaamt gij aan uw neusje dan?

 

Slaap, Jantje, slaap! wat vader zegt,

Is wis maar spotternij.

En hadt gij ook zijn neus niet recht,

Heb toch een hart als hij!

XXI Het middagmaal

 

Wanneer ik 's middags op 't kantoor

Mijn dagtaak heb volbracht,

Dan weet ik, als ik huiswaarts keer,

Welk schouwspel mij daar wacht:

Mijn vrouwtje vliegt mij te gemoet,

De kind'ren jub'len aan mijn voet.

 

Dan zetten wij ons aan den disch

Met schotels volgelan,

En wachten rustig tot de meid

De soep heeft opgedaan,

En bidden dan den Vader stil

Of Hij de spijzen zeeg'nen wil.

 

Ens, toen ik juist beginnen wou,

Met dank tot God in 't hart,

Toen hoorde ik van mijn lieve vrouw

Een kreet van spijt en smart;

En ziet! wat was er aan de hand?

De soep! de soep was aangebrand!

 

Ik leg mijn lepel zwijgend ner

En zie mijn werhelft aan,

Toen rijs ik van mijn zetel op

Om naar haar toe te gaan;

Ik kus en kus haar blij te mo-

De kind'ren zien verwonderd toe.

 

O, teedre gade! zeg ik dan,

Ik wil niet dat ge schreit,

De soep zal 'k eten als een man,

Met stille dankbaarheid:

De Heer die onze nieren proeft,

Weet ook wel wat de mensch behoeft!

Aan J.J.L. ten Kate

 

Ten Kate! Ten Kate!

O koning der cantate!

Die hupp'lend in het priesterkleed,

Den lusthof onzer taal betreedt,

De schoonste bloemen plukkend, menglend,

Met bonten zwier ze strikkend, strenglend,

Verenglend 's levens duistre sfeer,

Ons minzaam dichtend naar den Heer!

O, J.J.L. ten Kate,

Wie zou u kunnen haten?

 

Ten Kate! Ten Kate!

O, dichter boven mate!

Uw ademtocht is Pozie,

Uw lach is Kunst, uw traan Genie,

Wanneer uw wiekjes speelsch zich reppen,

Of als een aad'laar opwaarts kleppen,

Bij 't scheppen van de Schepping zelf,

Kompleet, met aarde en stargewelf.

O, J.J.L. ten Kate!

O, vorst van rijm en maten!

 

Ten Kate! Ten Kate!

Hoe glanst gij in uw state

Van ethisch en irenisch licht!

Beheerscher van 't godsdienstig dicht!

Van Gods genade spelemeijer

Met onze taal! Wie kan er blijer

En vrijer zingen tot Gods eer!

Wie schendt u aan, wie velt u neer?

Neen, J.J.L. ten Kate!

Laat vrij benijders praten!

 

Zing op! zing op! ten Kate!

(Gij kunt het toch niet laten)

Laaf onze ziel aan Harmonie,

Al wat gij zingt is Poezi!

Zing dartel, speelsch of vroom van zinnen

Op kerken, vorsten of vorstinnen,

Wij minnen alles wat gij doet:

Want wat ten Kate schrijft is goed!

Zing, J.J.L. ten Kate,

Ten aller vromen bate!

Athesten

 

Wat wil het reuk'loos vloekgespan

Dat U ontkent, o Heer?

O, komt de nood eens aan den man...

Zij buigen voor U ner.

 

Uw Macht en Goedertierenheid-

Driest schenden zij haar aan,

En 't sterkste voor Uw goedheid pleit,

Dat Gij hen liet bestaan.

 

Hoe groot is Uw genade niet,

Dat gij dat galgenrot

Uw hoogen Naam beschimpen liet,

In dol vermeet'len spot!

 

Doch wee u, adderengebroed!

Wacht op het einde slechts...

Lankmoedig is de Heer, en goed-

Doch vreest den Dag des Rechts!

Nederland

 

O, dierbaar plekje grond, ontwoekerd aan de baren!

O land van mijn geboorte en teed're kinderjaren!

Waar ik mijn eerste kinderspelletjes gespeeld,

Mijn eerste kunstelooze zangen heb gekweeld-

 

Wat heeft mijn hart geklopt bij 't hooren van uw helden,

Die, door Gods hulp gesterkt, den vijand nedervelden,

Van Neerland's Vorstenstoet en Staten-Generaal

Zoo rijk in lauweren en vroomheid allemaal.

 

O, Nerland! u wijd ik mijn zang, mijn lied, mijn leven,

Mijn wensch is slechts, voor u op 't bed van eer te sneven,

Bescherm, o Neerlands God! ons land en vorstenhuis,

En sla des vijands heer met sterke hand tot gruis.

Geloof en rede

 

De godsdienst en de wetenschap

Die loof ik allebei-

De tweede maakt ons wijs en knap

En de eerste vroom en blij.

 

Meen niet dat ik de vrijheid haat

O neen! - ik stel haar hoog!

Maar waar zij aan de vroomheid schaadt

Wend ik tot God mijn oog!

 

Want naast der rede schoon geschenk

Lag Hij het Bijbelwoord

Opdat 'k zou toetsen wat ik denk

En zeggen: 't is accoord!

 

Dit hemelsche criterium

Staat vast in eeuwigheid!

Dat leert ons 't megatherium

Uit zwarte steenkooltijd.

Piteit

 

Gij jonge dichterbende

Die naar verand'ring haakt

Die schimpt op al 't bekende

En God en wet verzaakt

 

Gij tierende rebellen

Vol eerzucht, haat en nijd

Wil ik U wat vertellen? -

't Schort U aan piteit

 

Gij eert genie noch grootheid

Noch religieus gevoel

Daar gij geheel ontbloot zijt

Van eenig hooger doel

 

Geen schepsel of het weet iets

Van God en pozie -

De neger heeft zijn fetisch

De non haar relikwie.

 

 

Uit de bundel: Van de passielooze lelie (1901)

 

De waterlelie

 

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenscht niet meer...

De Lente

 

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed verjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! -- is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d' eindelooze nacht.

Bij 't verwachten der Liefste.

 

Ik weet het dat ge mijn zijt - mijn alleen -
Ik weet het - en ik peins het wonder na
en kan het niet bevatten - hoe ik peins.
Mijn is uw lach en de opslag uwer ogen,
mijn is uw ziel - uw ganse, diepe ziel.

Zal ik het straks begrijpen, als ge komt,
als gij uw hand mij zo vertrouwend reikt,
het hoofdje half gebogen, als in weemoed?
Zal ik het lezen in een lange blik,
het horen in de daling uwer stem?

Ik weet het wl - het zal mij droevig zijn
als wie gevangen 't verre zonlicht ziet,
en tranen zullen komen, daar mijn ziel
't geheimnis onzer liefde niet begrijpt.

Avond in de stad

 

De grote stem der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.

Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen de lange nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.

Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn hart ontwaakte in de zomerschijn?
toen de geuren mij wekten der linde?
toen de kelken knikten der winde?

Waar heb ik de roos het eerst gegroet,
de bleke, die groeide aan der duinen voet?
Mijn katje speelt in de schauwen
der gordijnen, met ritslende klauwen.

Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
en meidoorn groeit in de kamer-hoek,
zie, bleekrode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen...

Maar een schaduw valt en alles wijkt. -
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.

Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.

Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich n,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.

En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige dromen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.

De Noordewind

 

De wind waait hoog en kent de mensen niet.

Hoog wil ik stijgen met de Noordewind,
boven 't gerucht der stemmen - boven 't licht
der volle straten. Weg! het warm gewoel,
de weke druk van mensen om mij heen!

Ik wil ns vrij zijn, ns oneindig vrij,
dat er geen liefde en lachen om mij is,
geen zoete stem, geen blik van vrienden-ogen
geen weekheid en geen weemoed en geen lust.

'k Wil eenzaam stijgen in de Noordewind,
die in de kille nacht gestadig waait
groot en onwetend.
Stijgend wil ik neerzien
met koude blik en onbewogen mond
op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.

En als de passies, die 'k heb liefgehad,
zich aan mijn kleedren hechten en 't gelaat
met schreien heffen en mij angstig vragen,
hen niet alleen te laten in den nacht ...

dan zal ik zwijgend hun gekromde handen
losmaken van mijn kleed, - en als zij vallen
zal ik niet sidd'ren bij den doffen slag ...

maar zingend rijzen in de koude nacht.

Schemering in t woud

 

Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
ik voel de lome schemer stijgen -
en stijgen, stil.

Wat glanst het bleke Westen koud!
een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
doet flauw de teed're nevel blauwen
in 't glend woud. -

Ik zie de bleke stervenswenk.
Ik voel het doffe duister in mij dringen
en verre stemmen hoor ik zingen
al wat ik denk. -

Waar zijt ge, Dood? - zo gij rondom
op wieken van de schemering komt rijzen,
nu doet uw nadering niet ijzen, -
ik wacht u - kom!

Boze Droom.

 

Ik heb, in droom, de ganse nacht geschreid
kermend van smart - zoals een kind zou schreien,
dat men uit plaagzucht 't liefste speelgoed rooft.

Want in die nacht, - die lange, zwarte nacht -
lag er een duistre schaduw op mijn dromen,
op 't lichte beeld van al wat komen zou -
het lieve, bonte speelgoed van mijn ziel.

En als een grote, ruwe mensenhand
die sarrend weghield, wat ik niet kn missen,
zo hield de nacht mijn lichte toekomst weg.
En snikkend in mijn radeloze angst
zocht ik 't verloren speelgoed - heel de nacht.

Doch toen de koele, grauwe morgen kwam
was alles weer als vroeger, - en ik zag
dat er gespot was met mijn grote smart.

Wie is het, die durft spotten met mijn ziel
als waar 'k een klein kind? - Lang nog in mijn ogen
waren de tranen, in die nacht geschreid.

Voor de Liefste. 
Aan mijne Vrouw.

 In zachte klanken saamgebracht
 Heb ik uw zoeten naam gedacht,
 O mijn Lief-uitverkoren!
 Die 't liefst mij aller dingen zijt,
 Die ik mijn hart heb ingeleid
 En eeuwig zal behooren.
 
 Dit lied is voor de Liefste mijn,
 Dus zal 't als mijne liefde zijn,
 Als een gesmede keten
 Van rijm aan rijm aaneengehecht
 En om twee harten heengelegd,
 Die van geen scheiden weten. 
 
 Ik zoek in 's harten innigheid,
 Herdenkend uw aanminnigheid,
 Naar rijmen uitgelezen,
 Die 'k schoon als bloemen binden zal
 En rond uw lief hoofd winden zal,
 Dat 't zal geheiligd wezen.
 
 Want mijn arm hart was zwerveling,
 Dat dikmaals ten verderve ging
 Waar 't niet door 't Lief behoun.
 Nu laat dit hart zijn zwerven na
 En ik zal, tot ik sterven ga
 Op , mijn Lief, vertrouwen.
 
 Schoon blinkt nog, wat voor jaren was,
 Toen in uw donk're haren was
 't Wit, dat de bruiden dragen.
 In mij blijft, na dien staatsie-schijn,
 Gelijke veneratie zijn
 Tot 't einde mijner dagen.
 
 Mijn Ziel heeft zich verheven zeer
 En wil niet zooveel geven meer
 Om 't hoogst in menschenoogen.
 O Ziel! hoe gij hoogmoedig zijt,
 Toch ligt gij in ootmoedigheid
 Voor mijn rein Lief gebogen. 
 
 Zij 't menschenlot al ngewis,
 'k Heb 't Lief dat hier bezongen is,
 Dat mij nooit zal begeven, -
 Een kerk van blank albast gewijd,
 Een wonder van standvastigheid
 In 't onstandvastig leven.
 
 Geen menschkind, dat in zonden leeft,
 Maar Gods gen gevonden heeft,
 Kan Hm devoter minnen,
 Dan k mijn Lief belijden wil
 En heel mijn hart haar wijden wil,
 In 't Heiligdom hierbinnen.
 
 Deemoedig in dien tempelhal,
 Neerknielend op den drempel zal
 Ik 't hoog Lief geven eere. -
 Der kind'ren beden stijgen niet,
 Der Heil'gen harten neigen niet
 Z innig tot hun Heere.
 
 En 't hart dat niet te buigen is,
 Geeft openlijk getuigenis,
 Hoe diep 't nu ligt gebogen
 Voor 't goed Lief, dat gaat bven al,
 't Welk dienen ik en loven zal
 Met mijn aandachtige oogen. 
 
 Ik ken de duistre nachten wel,
 De stormen der gedachten wel,
 Die 't menschenhart verblinden.
 Maar ik heb mr dan sterreschijn:
 Mijn Lief, het zal nooit verre zijn,
 Waar ik mijn licht kan vinden.
 
 Dus ga ik wel met vasten moed,
 Niet vreezend, dat ik tasten moet
 Met mijn gespreide handen.
 Mijn Lief een klare luister is,
 Die boven storm en duisternis,
 Gestadiglijk zal branden.
 
 En hoe ook 't lijf met lang geklag
 Om leed en doodsmart bangen mag,
 De Ziel, zij zal niet zorgen, -
 Die weet, Lief! dat gij veilig zijt,
 In de allerhoogste Heiligheid,
 Van dit diep hart geborgen. 

Voor H.

 

Midden in mei, toen 't zomer worden zou,
had ik een droom vol oud en schoon verdriet,
die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw
gewaad en lachte: 'Waarom lach je niet?'

Meer niet, - zo is 't in dromen. - 'k Voelde flauw
dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet.
Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw,
en diep de pijn, dat zij mij lachen ried.

Toen bleef door 't droomspel van de ganse nacht
die oude smart mij bij, haar bitterheid
heb ik in veel gepeinzen overdacht.

Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed
de ziel onwetend in zichzelven snijdt
en 't eigen teder weefsel diep ontleedt.

Het visioen in Spanje

 

Goed Hollands hemel leek laag en bleek,
toen ging ik van huis, alleen, en week
naar landen ver-weg gelegen
waar geen nevel is en geen regen.

 

Daar viel in mijn oogen, dien glans ontwend,
verblindend het blauw van de luchte-tent
mijn lijf dronk het zongoud en diep azuur,
mijn ooren ruischten, mijn bloed was vuur.

 

De anjer brandt rood in het donker haar,
schoon zijn de menschen met trotsch gebaar,
ik wil dat hun oogen mij vriendelijk zijn.
Hoe heb ik geleefd zonder zonneschijn!

 

Door oleander en roze omringd,
wil ik zingen den zang dien men wiegelend zingt,
het hoofd achterover, de oogen loom
van lust en kleuren en zwaar aroom.

 

* 

Toen zag ik op, en zag een schoon gezicht:
daar rees heel ver in scheemring morgenlicht
t verschiet was violet, de lucht teer-grijs
een schoon matgoud en zilverwit paleis.

 

Ik zag abeele en wilgenloover frisch
zilverig blikkrend als een witte visch
die wendt in t water, en de peppels staan
zwaaien in wind, met wijd gehouden blan.

 

Vr zag ik water en veel bleekgroen riet
waarover t waaien zilver glijden liet,
en blanke vonken dansten op en neer,
zacht op en neer, op het zachtgolvend meer.

 

Dan kwam een weiland, t schelste groen van al,
met witte en gele bloemen overal,
ook die bewogen met het windgetij
en knikten door elkaar in t gras der wei.

 

Boven al uit rees t wonderschoone huis,
t stond vast en stil in wind en loofgeruisch,
het dak bleek-goud, de muren zilver-blank,
daartegen klom zacht-roode wingert-rank.

 

Veel grijze duiven vlogen af en aan,
en spreeuwen zwart, wier fluite ik kon verstaan.
De zon ging rijzen en haar roode brand
gloeide door t waas op gouden gevelrand.

 

In bloemen, bloemen stond het gansch gebouw,
k zag winden wit en rose en donkerblauw,
en zonnebloemen, vlammend geel en zwart,
en paarsche asters met oranje hart.

 

*

Ik zag t maar kort, doch scherp en wonder-klaar,
k wist het een schijn, doch voor alle eeuwen waar,
ik herkende t land, en wist met n waar heeft
mijn lijf zijn thuis voor goed, zoolang het leeft.

Het Zee-Geruisch

 

Het zee-geruisch zal ik nog dan gedenken
als diep in zand, mijn hoorloos oor vergaat,
als lichten mild mijn oogen -niet meer drenken,
als zonder woon mijn ijle wezen staat.

 

Naar t zee-geruisch zal ik nog dan verlangen
als naar het liefst wat mij de wereld dee.
Zij zingt den kroonzang aller wereld-zangen,
de-op zandig veld neerdonderende zee.

 

Verheugt u toch, gij die dit rijmken lezen
en nog in gloed der zonne wandlen meugt
de stranden langs, wen mijn verstorven wezen
reeds lang ontbeert wat t zoozeer heeft verheugd.

 

Zegent dan uwe zinne en uwen dag !
Ik die dit schreef ging met een hart vol wonden,

handen vol euvel, ooren vol geklag,
en heb het leven toch z schoon gevonden.

School der Minne.

 

O Liefde die nooit Liefde vroeg
maar geven bleef om niet,
die wrevel nog als weldaad droeg,
nu wint ge Liefde en Lied.

Zo geeft de hemel en de zon
zo geeft Gods liefde groot
ook waar zij nooit ontvangen kon
uit louter minnens-nood.

Zie hoe de macht van uw geduld
verheerlijkt mijn bestaan
en met een wondre pracht verguldt
mijn dag, nu en voortaan.

God wil in Vreugden zijn gekend,
in Vreugden fel en sterk;
Gij hebt mijn hart tot Vreugd gewend
dit 's Deemoeds wonderwerk.

Heb dan geen zorg om dank of trouw,
blijf geven als om niet,
of 't u dan al begeven wou
mijn hart en kon het niet.

Hei-leeuwerik

 

Nu weet ik welke vogel
mijn lievlingsvogel heten mag,
die even opgetogen
zingt zomernacht en winterdag.

Ik werkte s winters in het woud,
de zon scheen fel door de denne-stammen
op fonkelsneeuw met rosse vlammen,
mijn hakmes blonk en klonk op t hout.
Daar ging omhoog een kleine schelle
met fijne lichtdoorwaaide klank,
hei-leeuwriks lied bleef mijn gezelle
de lieve morgen lank.

Weet gij de meinacht nog, mijn lief?
de maan scheen over t land,
langs weiden stil en nevel-wit
gingen wij hand in hand.
Weer luidde t helle, helle, helle,
hoog boven bos en hei.
De kleine schelle, schelle, schelle
ging onverpoosd en blij.

Nog maar sinds onlangs ken ik hem
met zijn verrukte kleine stem,
zijn lichte, luchte jubelkreet
die van geen moeheid weet.

De morgenzon, de zomernacht,
de wind, de vrijheid zonder maat!
de lust die nimmermeer vergaat,
die heeft hij in zijn lied gebracht.

Het klinkt vanuit de vage verte
alsof hij midden in t gesternte
zijn zilvren klokje luidt.

Wat zijn gelui beduidt
weten wij beiden, liefste mijn!
Zo zal hij onze lievlingsvogel zijn.

 
 

Uit: Ellen, een lied van de smart.

Kunt Gij nog wreder slaan!

 

Kunt Gij nog wreder slaan! - mijn God! mijn God!
Zie, ik ben sterk en breken zal ik niet,
Maar was er n die Gij z lijden liet,
Wijl hij U lief had, boven zielsgenot?

En ng zal ik niet vloeken 't mensbestaan,
En 't Leven niet, en Uwe naam niet smaden,
Zelfs met dt mateloze Leed beladen,
Neem ik het Leven uit Uw handen aan.

Maar schrijf dan ook, ter keerzij mijner schuld,
Dat ns een menskind, z diep in ellende,
Z ver verloren in een nacht van rouw,

De maat zijns droeve Levens heeft vervuld,
En schoon hij 't bitterst dezer wereld kende,
Toch durfde leven en niet sterven wou!


 
 

Aan mijn engelbewaarder en andere gedichten (1922)

Aan mijn engel bewaarder

 

Onzichtbaar Wezen ! dat zo lang

Al wat 'k op aard doorleefde,

Met mij gedeeld heeft, blijde of bang,

En mijnen moeielijken gang

Getrouw en stil omzweefde

Dat zoveel kwelling heeft geduld

Door mijne schuld ! - door mijne schuld.

 

Vergeef mij ! - nu eerst ken ik u,

In uw zachtmoedig pogen

Hoe menigmaal - ik weet het nu-

Heb 'k u gedachteloos en ruw

Beledigd en bedrogen

Heilige tranen weendet gij

En dat om mij ! ... en dat om mij ! ...

 

Heer Jezus zelf heeft u die plicht

Vol liefde toegewezen

Maar ach ! 'k heb zoveel kwaads verricht,

'k durf in Zijn stralend aangezicht

niet schouwen zonder vrezen.

Hoe kan ik voor dien glans bestaan ?

Wat heb 'k gedaan ! ... wat heb 'k gedaan ! ...

 

Toen 'k zelf het bidden had verleerd

En speelde met de zonde,

Bleef 'k om w beden ongedeerd.

Gij hebt den demon afgeweerd

En, knielend bij mijn sponde

Smekend gebeden tot den Heer:

Geef hem mij weer ! - geef hem mij weer !

 

God's dienaar, die mijn voorspraak zijt,

Wil hem mijn tranen brengen !

Getuigend dat ze zijn geschreid

In brandende rouwmoedigheid.

Zal dan Zijn licht niet zengen ?

Gij kent mij goed - gij weet mijn kwaad

Is 't niet te laat ? ... Is 't niet te laat ? ...

 

Waar 't niet om uw stil-zorgend licht

Ik achtte mij verloren

Onwrikbaar is God's streng gericht.

Zou Hij der sterren evenwicht

Om mijnentwil verstoren ?

Houdt Hij den gang der uren stil

Om mijnentwil ? ... om mijnentwil

 

Voor ieder die mij liefde gaf

En op mijn redding wachtte

Aan deze of gene zij van 't graf

Zijt gij tot waarborg en tot staf,

Tot troostende gedachte

Hun hopen is dat 'k word gered

Door w gebed ! ... door w gebed ! ...

 

Als kind heb ik God's Lach gekend

In schoonheid boven-maten,

Maar 't schijnt, of bij mijn levens-end

Hij zich van mij heeft afgewend,

Mij gans alleen gelaten.

Zie ik dien Lach nog eenmaal weer ?

Of nimmermeer ? - of nimmermeer , -

 

Zal ik toch eenmaal, aan uw hand

moe van mijn angstig zwerven,

opgaan in 't hemels Vaderland ?

Zal mij dan niet mijn bittre schand

de vrede gans bederven ?

Geduld'ge, die mij nooit verliet,

Begeef mij niet! ... begeef mij niet ! ...

 

En als 'k Maria dan aanschouw

in krans der hemelingen

zal 'k niet verteren van berouw ?

Hoe zal de glans dier reinste vrouw

mijn duister kwaad verdringen ?

Waarheen te ontvluchte'

in schaamte en schrik

dien zachten blik ? ... dien zachten blik ? ...

 

Verwijt mij om mijn weemoed niet.

Zwaar drukken de aardse schanden.

Rechtvaardig acht ik wat geschiedt,

ik neem het bitterste verdriet

gewillig van God's handen

Want alle smart verkeren moet

in vreugdegloed ! ... in vreugdegloed ! ...

 

Nu voel 'k weer, getrouwe Wacht,

uw wondere presentie.

En in het woud verkondigt zacht

Octobers gouden loverpracht

des Eeuwigen clementie,

dat eens de mens uit droeven val

verrijzen zal ! ... verrijzen zal ! ...

 

(November 1922)

Toen ons kindje glimlachte

Toen hij geglimlacht heeft, 't eerst van zijn leven,
kwam hij uit verre, stille landen zweven.
Daar had hij geen gehoor en geen gezicht,
en leefde alleenlijk bij inwendig licht.

Daar is het eenzaam en geen enkel ding
wordt er verwacht of laat herinnering.
Alles is daar zeer ernstig, en de nacht
heeft er geen weemoed, en ook niets dat lacht.

Met al de strengheid in zich van die sferen
kwam hij het luide, lichte leven leren,
de klanken en de grote mens-gezichten,
de schitteringen en de lampelichten.

't Was alles hem oneigen en om 't even,
want niets verbond hem met dit nieuwe leven.
Tot hij zijn moeder en zijn vader zag,
opmerkzaam op het wonder van hun lach.

Dat vreemde teken, dat hij niet verstond,
dat wonderlijk bewegen van hun mond,
dat sein van liefde, met een zacht verdriet
door 't weten van Verleden en Verschiet,

dat zocht hij stil te ontvangen met begrip,
zo ernstig als de stuurman van een schip
die zoekt op onbekende zee zijn koers
en ziet een lichtsignaal door 't nevelfloers.

Hij liet zijn oge' als tweelingsterren gaan
en zag ons beurtelings d'een na d'ander aan,
alsof hij omzocht op zijn hartegrond
of hij geen antwoord voor dat teken vond.

Toen was het plotseling of een vogel diep
in hem ontwaakte, die daar heel lang sliep,
en met een schone stem aan 't zingen ging,
lied'ren van blijdschap en herinnering.

En als een bloem uit 't verre schemerland
ontbloeide in hem herkenning en verstand.
Hij zond het liefde-teken tot ons weer;
Hij lachte zelf - en was niet eenzaam meer.

1909

DE VERRE SCHEIDING

DE SCHEEMER - DE NACHT.

 

Nu weet mijn hart geen beeter raad

dan al wat hunkert te begeeven

en op een liefelijker leeven

te wachten en een beeter staat.

 

Hoe pijnlijk smachten nu wij beiden

naar het vergaan van wat ons scheidt.

Ach! zelfs de zee van innigheid

dooft nog de vlam niet van ons lijden.

 

Wij zijn gebooren tot verlangen

naar wat dit leeven niet vermag,

wat wij alleen van heller dag

en later glorie gaan ontvangen.

 

*

Het donkert zachtkens - en de dagen

zijn gansch van avondrood getint.

t Is enkel in uw armen, kind!

dat ik wat koomen gaat kan dragen.

 

*

De nacht is vriendlijk. D' Oceaan

wordt tot een fijne lijn verminderd

en door geen ruimten meer verhinderd

voel ik uw hart aan ' t mijne slaan.

 

1909

AFSCHEID.

Aan Jacob  lsral de Haan

 

Zoo vaar dan wel, en zoek u ruimer weegen,

Uw Leider sprak, t is noodig dat gij gaat.

Ga met mijn dankbaarheid en met God' s zeegen,

de dag is droef - omdat ge mij verlaat.

Gij ziet ' n mysterieuze toekomst wenken.

Ik blijf alleen met weemoedig herdenken.

 

Wij hebben fel geworsteld met het leeven

en veel geleeden onder zwaren druk ­

en elk voor zich ons in Gods hand gegeeven

dat Hij de zonde ons uit den boezem ruk'

Wij onderkenden ' t goede van het kwade

rouwvol in hoop op eind'lijke Genade.

 

De zuivre liefde wil geen meedelijden.

Wij hebbe' elkaar niet onzen nood geklaagd,

het leed van de ander was het leed van beiden,

deernis werd niet gebooden, noch gevraagd.

Want elk ervoer dat God hem 't meeste steunde

die 't minst om aardsche smarten zich bekreunde.

 

Wij hebben veel gesprooken, meer gezweegen,

in 't enkel bijzijn was voldoende vreugd,

elk ging in volle vrijheid eigen weegen

en streefde in eigen hart naar eigen deugd.

In twintig vriendschapsjaren geen seconde

waarin je mij beleedigde of verwondde.

 

Ga zonder vrees, wanneer ge u vast blijft klampen

aan wat als waarheid innigst u ontroert ­

dan zult gij zien hoe gij door alle rampen,

met zachten wenk, verwinnend wordt gevoerd.

Gij gaat niet om uzelven te gerieven,

maar volgt gehoorzaam heilige motieven.

 

Wij zijn niet van n volk, en uw gedachte

omtrent het Eeuwig Licht is mijne niet.

Voor mij is reeds verscheenen de Verwachte,

Gij wacht Hem nog in glorie-vol verschiet.

Toch spraken voor ons beiden de profeeten,

en beider Heer moet Liefde en Waarheid heeten.

 

En als ge dan op Hebron's hoogten zit

En  t ritsel-fluistren hoort der ranke palmen

en in de landstaal uwer vaadren bidt,

en zingt, inheems, uw zoo geliefde psalmen,

Zend dan uw ziel een wijl naar t neevlig Noorden,

Gedenk den verren vriend - en deeze woorden.

 

-4- Januari 1919

UIT DIEPSTEN NACHT.

Elegie.

 

Een droef Gedicht

heb ik gericht

tot wie mij heeft gezonden,

opdat Hij weet

hoe scherp, hoe wreed

mijn hart zich voelt geschonden

 

Ik treed nu in

het bang begin

van d' allerleste jaren.

Die allen sloeg,

t zij laat of vroeg,

hij zal ook mij niet sparen.

 

Melancholie

is wat ik zie,

of 't avond is of morgen.

Al wat er blinkt,

vergaat, verzinkt

in een zwart meer van zorgen.

 

Mijn werk miskend,

mijn kracht ten end,

mijn daden zonder werking,

hier brengt geen raad

geen bidden baat

geen smeeken om versterking.

 

Hier helpt geen kreet

van duldloos leed,

geen zuchten en geen steunen,

zal d' ijz'ren Hand

die 't Al omspant

zich om mijn roep bekreunen?

 

Gij menschen, zegt!

Kunt gij oprecht

uw Schepper eer bewijzen?

Wie een zwak kind

gefolterd vind,

kan die de beuls-hand prijzen?

 

Al 't blij vertoon

van jeugdig schoon

moet breeken en vergruizen,

ik oopen wijd

mijzelf ten spijt

de diepste weemoed-sluizen.

 

Mijn kinders moet

ik onbehoed

door 'tleeven laten zwerven,

de Moloch heer

zal hen wel wreed

verminken en verderven.

 

Mijn leevensloop

was zoo vol hoop

vol vroom beraad begonnen

maar al t gezwoeg

was niet genoeg

en niets van duur gewonnen.

 

Ik blijf als toen

Gods kampioen,

bevechter van het kwade,

maar ik bespeur

in klank noch kleur

bewijs van Zijn genade.

 

Verbolgen staart

het Wolk-gevaart

dat zich omhoog vergadert.

Waar 'k mij bevind

wordt droef...gezind

de boom en zijn gebladert.

 

De zilvermeeuw

met zijn geschreeuw

hoont en bespot mij armen.

De woeste zee

doet dreigend mee

die kent ook geen erbarmen.

 

Langs 't leege strand

stuift vluchtend zand,

de vale halmen klagen.

Bleek lillend schuim

vliegt op in ' t ruim

als met doodsangst geslagen.

 

Waarheen ik treed

is alles leed,

de doornstruik doe ik huilen

en waar ik kom

t gedierte stom

in hoolen zich verschuilen.

 

Ik word gesleurd

en afgescheurd

van mijn geliefde landen,

zooals een hond

het wild verwondt,

en mee draagt in zijn tanden.

 

Geen lieve waan

laat ik bestaan,

gij lucht'gen van gemoede!

des Eeuw'gen spel

is grootsch en fel,

en vreeslijk is Zijn woede.

 

Dit droef gedicht

heb ik gericht

tot mijnen God en Makker.

Gedwee en stil

om Zijnentwil

word ik een oude stakker.

 

Wijk aan Zee, Sept. 1919

OP DE PIJNBANK

 

Getrouwe harten, die in mij gelooft,

weest niet ontrust, de weemoed is een vriend

die tot geneezing en verheffing dient

en 't valsche licht van den Bedrieger dooft.

Dit weet Verstand, al blijft Gevoel weeklagen

en naar den noodzaak van den Gruuwel vragen.

 

Liefd'rijk te troosten heb ik lang getracht

de veelen, die de weemoeds-last bezwaart,

Ik ried hen stil te dulden, onvervaard,

de pijnen om hun reinigende kracht.

Toen stond mijn leeven nog in blijden luister,

nu kerm ik zelf, machtloos in ijzig duister.

 

Nu lig ik zelf op 't folterhout en ril

bij t zien der heete tangen, rood van Gloed,

maar 'k schreeuw het uit: als pijn God looch'nen doet,

gelooft het niet - 't gaat teegen eigen wil.

Een wijl mag mij het vagevuur verblinden

ik weet: mijn Redder leeft, en 'k zal Hem vinden.

 

October 1919

VOLKEREN-BOND

 

Kerst-geest, die rassen, volkeren en sekten

heimlijk vereenigt in n hecht verband,

die teedere gedachte-draden spant

eer nog de menschen 't wonder zelf ontdekten.­

 

Weer zie 'k de stille werking van uw hand,

nu volk'ren naar elkaar de handen strekten

en hen de broederschaps-gedachten wekten,

ondanks vertwijfling, haat en onverstand.

 

Zoo zoekt Ge ons zachtkens aan voor U te winnen,

't woord is gezegd, de Bond der Volkren wordt,

zoo drijft ge ons rustig de valleien binnen

waar 't nooit aan laving, nooit aan voedsel schort

en leert ons eens met vol besef beminnen

de groene Christus-boom, die nooit verdort.

 

Walden, Kerstmis 1919

 
 

Jeugdverzen (1926)

Het vrouwtje van Halberstadt

 

Hier zien we, mijnheren! een leerrijk geval
Hoe gaat het moedertje, schikt het nog al?
Ach danke, Herr Doctor, Sie sehen
Es kntte etwas besser gehen.

Kom! moedertje, kom! tevreden maar zijn!
Wij zien mijne heren, naar alle schijn
Zal de vita weinige uren
Of hoogstens een etmaal nog duren.

Ach lieber Doctor! ein Augenblick
Kehr ich zu Halberstadt noch mal zurck?
Es wrht schon so lange, so lange!
Da wirds mir am Ende doch bange.

Kom! Moed maar gehouden! het zal nog wel gaan.
Ik beveel U mijnheren, ten dringendste aan
Met bizondere zorg te observeren
Wat de sectie post mortem zal leren.

Geduld maar, mijn vrouwtje, k zal doen wat ik kan.
Ich danke, Herr Doctor, ach! denken Sie dran
Meine berge dort in der Ferne
Die sh ich doch wieder so gerne.

Maar eer nog de volgende morgenstond
Over Halberstadts bergen zijn goudglans zond,
Werd hier, verlost van haar plagen,
Het oudje ter snijzaal gedragen


 
 

Dante en Beatrice en andere verzen

.

De schat mijns harten.

 

 

Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,

Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,

Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens

Wisslend geflonker.

 

Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?

Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?

Hoe heeft vr allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken

't Nameloos wonder?!

----

Het is mijn ster, het is de sterke liefde,

die niemand kan verstaan en niemand ziet,

die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,

die stralend schoon uit alle dingen schiet.

 

Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,

die zacht als water door geen kracht bezwijkt,

den Satan slaat en voor demoonen veiligt,

die immer buigend booven bergen reikt.

 

Haar glans ging op toen ik geen vreugd meer vragend

in duldsaam beeven uitzag in den nacht,

toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,

beweezen haar onnoemelijke macht,

 

Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,

spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,

daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen

en zacht voor Liefde's kindren is.

----

Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,

Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,

Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,

eeuwig waarachtig.

 

Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,

d'armen strek ik der zee toe: wt ge het? wt ge het?"

Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent

voelend verlossing.

Het looverlied.

 

Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan

van groote boomen die in duister staan,

weer naar hun machtig nachtgezang te luistren

hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.

 

In langen winter zongen barre twijgen

een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen

was angstig in den Januari-mist.

Maar 't loover kwam toch weer en hoor nu is 't

 

als een gelukkig volk dat zeegezingt.

Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt

fijn geschalmei van voogels in de verte

zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte

 

dat door de zwarte bladerschimmen kijkt

en met haar vaag beweegen komt en wijkt.

Ik ga door looverlied en sterreschijn

blij en gerust. Ook in mijn kleine brein

 

worden nu teedre liedekens gebooren

die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.

De wind die 't nachtland als een harpe streelt

in maatgang met mijn stille liedjens speelt.

 

Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis

het looverlied verstaat en 't zeegeruisch

zal ik dan niet in sterker lijf herbooren

den juubelzang der gouden sterren hooren?

Stem van Gnerzijds.

 

Het was zoo licht toen ik moest scheiden

de spreeuwen kweelden luide en teer,

en een onnoemelijk verblijden

vervulde veld en atmosfeer.

 

Een plechtig en verblindend wonder

verrees, als waar 't voor 't eerst, de zon,

en bloem op bloem ontsloot zich onder

haar zeegen, naar zij kracht gewon.

 

De waereld scheen verbaasd te ontwaken

als vond haar 't licht voor d' eerste maal.

'k Zag zwaluwen hun nestjes maken

en zwieren in den morgenstraal.

 

Ik zag de kiewiet om zijn jongen

klapwieken met bezorgd gerucht

ik hoorde hoe de meerlen zongen

hun welkom in de luuwe lucht.

 

De wind bestreek de fonkel-vlieten,

de golfjes plapperden in 't lisch,

't ging al van 't zoete licht genieten

en blonk van dauw en ruischte frisch.

 

Ik was niet angstig om te sterven,

maar 't zag zoo luisterrijk op aard,

als had al 't schoon, dat ik ging derven,

zich in n uiterst uur vergaard.

 

Genooten goed, dat ging begeeven,

had ik u wel genoeg bemind?

Verheeven weelden van het leeven

nam ik u dankbaar, als een kind?

 

Wist ik mijn korte leevenswijding

te vieren als een heilig feest?

Is mij 't ontwaren tot verblijding,

't bepeinzen tot een lust geweest?

 

Als vaagde ik zwarte spinneraggen

van oud en kostbaar schilderij,

zag 'k onontgonnen vreugden lachen

voor 't eerst van duistre spinsels vrij.

 

O angst, o waan, o booze krankte

der menschen, die ons elk besmet,

die den hartstochtelijken dank te

bewijzen onzen God, ons let,

 

die ons doet weifelen en doet ijzen

en wroegen, klaaglijk en bedrukt,

waar Jt leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen

omhoogvaart, juub'lend en verrukt.

 

Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,

dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:

verdrijf die schimmige demoonen"

die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"

 

Hard drukt de spijt om noodloos lijden,"

Om gloorie, door een waan gemist"...

 

De aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,

en zooveel schooner dan ik wist.

Vrees niet.

 

Lieve gezicht, met uw angstige oogen,

vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?

Denk onzer minne geweldig vermoogen

waar zooveel onrust en euvel voor week

En dan gedenk hoeveel volmacht'ger min

ons sluit met haar getrouwe vleuglen in.

 

Had je mij altijd door, avond en morgen,

bleef je mij ooveral eeuwig nabij,

dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen

waarom dan ben je nu angstig om mij ?

Vergeet je den veel liever Minnaar dan

die nooit en nergens ons verlaten kan?

 

Op de heuvelen.

 

'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,

en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,

ik zag der wolken blindende verschijning,

in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,

 

ik zag rondom, als de verstijfde omlijning

van een azuuren hoogbewoogen zee,

't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,

tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.

 

Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover

gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,

en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,

de kleine huisjes waar de menschen zijn.

 

Het was der aarde moederlijk ontmoeten

dat mij beving met nameloos ontzag,

'k zag haar onsterflijk aangezicht mij groeten,

zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.

 

'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,

als 't kind het eerste woord uit moeders mond,

terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen

hel-stralend booven purpren horizont.

 

Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken

en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht

van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken

in majestatisch kalme heemel-vlucht-

 

Toen keerde ik in, en vond mijn ziel z vreugdig

en mijn geluk met een z diep verschiet

'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig

en een zoo onomfloerst genieten niet.

 

En toch!. .. waar bleeven thands de zoete liefden,

de hart-verlangens van mijn jongen tijd,

mij eenmaal 't dierst ? wat macht'ger drang verhief den

geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?

 

Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,

met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,

hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,

maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.

 

Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,

de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,

onweetend waar zij weer tot rust verwijlen

wat nu haar voorig heil vervangen zal.

 

In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,

en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,

zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren

dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.

 

Het avondt zachtkens, duizend, duizend wolkjes,

als fijn blank schuim met glans van parelmoer,

betrekken met hun raadselvolle kolkjes

in stillen wenk den blauwen heemelvloer,

 

en ik berust. De lichtstem der planeeten

drong even door, met de echo van een woord.

Wl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,

niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.

 
 
 
 
 
 
 
Laatste wijziging op: 10-05-2010 11:56