Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

De Geestelijke verovering der wereld

 

Oorspronkelijk door Frederik van Eeden in het Duits: Welt-Eroberung durch Helden-Liebe (1911)
In het Nederlands vertaald door H. Borel (1933)


 

 

Voorwoord.

 

De wereld "is in de greep van gezag - het gezag van de priester, van de politicus, van de expert. Autoriteiten helpen u echter niet u zelf te begrijpen en zonder inzicht in u zelf is het niet mogelijk bevrijd te worden van conflict, al gaat gij misschien naar de tempel, al mediteert gij of staat gij uw verdere leven op uw hoofd. Gij zijt de maatschappij, gij zijt de wereld, uitkomst van een eeuwenlange historische ontwikkeling, en ook het product van uw onmiddellijke omge­ving; en zonder dat alles te begrijpen en te doorbreken, het volledig uiteen te slaan, kunt gij het niet heel ver brengen. Om het heel ver te brengen, moet gij heel dichtbij beginnen, en dat is u zelf begrijpen. Om deze lange reis te onder­nemen, moet er geheel en al een einde komen aan alle conflict.

KRISHNAMURTI

 

 

Als de menigte over heersers en koningen spreekt, dan bedoelt zij de aanvoerders, de lei­ders van de menselijke werkzaamheid en zij denkt daarbij allereerst aan de officiële vorsten, de gekroonde, erfelijke of gekozen leiders van volkeren en staten.

Zij weet evenwel heel goed, dat deze dik­wijls slechts uiterlijk praal en titel dragen terwijl de werkelijke leiders de staatslieden zijn, of eerder nog de heren van het grootkapitaal, de geldvorsten. De organisatie der mensheid is ech­ter niet alleen een materiële, economische, maar ook een geestelijke.

 

De leiders van de economische organisatie, de handhavers van orde en wet, de politici en economisch machtigen worden op hun beurt weer beheerst door ideeën, opvattingen, gedachten en beweegredenen waarvan zij zich de her­komst niet bewust zijn. Zij houden zich wel voor vrij, dat wil zeggen: in hun beweegredenen voor oorspronkelijk, onbeïnvloed, maar geven daar bijna nooit blijk van, want zij volgen meningen, tradities, overtuigingen die zij uit literatuur en opvoeding of van de werkgemeenschap hebben overgenomen. Zij gehoorzamen 'de geest des tijds' of 'de publieke opinie'. Alleen dáárdoor kunnen zij heersen. De menigte onderwerpt zich aan haar leiders uit vrees, traditie of uit verstan­dig inzicht en vrijwillig besluit, maar slechts dán als de mening en gezindheid van de menigte erkend wordt en men niet tracht die te ver­anderen. Anders houdt hun macht op. Geen staatsman zou bijvoorbeeld kunnen regeren als hij de idee 'vaderlandsliefde' niet erkent - al was het maar formeel - en als hij niet volgens die instelling handelt.

 

Nooit zou hij er toe kunnen komen deze idee te bestrijden. De groepsbegrippen moeten de groepsleider heilig zijn. Slechts bij zeer zeld­zame uitzondering is een politiek of economisch leider tegelijk staatsman én profeet. Daarvoor is in onze tijd de menselijke samenleving te ge­compliceerd. Wie oorspronkelijk moet denken en zijn gedachten wil staande houden, kan niet economisch organiseren, omdat de menigte hem nauwelijks zal begrijpen en hem zeker niet dade­lijk volgen kan.

 

De koninklijke mens - de profeet, de dichter, de wijze - wordt slechts door zeer weinigen dadelijk begrepen. Zijn geest is levendig en ontdekt elke dag iets nieuws. De menigte noemt dit inconsequent en onbetrouwbaar. Hij wekt slechts verbazing op en heeft geen overtuigingskracht. Hij biedt geen houvast. Hij heeft altijd bemiddelaars nodig die zijn waarheid voor de menigte aannemelijk moeten maken, zijn goud met koper moeten mengen opdat het hard en bruikbaar wordt.

 

Toch wordt vanuit deze bronnen de gehele stroom der menselijke activiteiten - geestelijk en materieel - gevoed. Iedere stoffelijke daad is geestelijk van oorsprong en niemand kan met zekerheid aantonen waar de gedachte ophoudt en de daad begint.

De daden van de daadkrachtigste en wille­keurigste heersers, die van een man als Napole­on, zijn afkomstig van een filosofie die stellig niet oorspronkelijk was. De machtigste keizer of geldmagnaat wordt beheerst door de stille gedachtearbeid van wijze denkers.

 

Dit woord is tot de koninklijken van de geest gericht; tot de weinigen die de bron van nieuwe, oorspronkelijke gedachten in zich heb­ben waaruit het gehele menselijke raderwerk wordt gevoed; tot de weinigen die weten en blijk geven dat hun gedachten vrij zijn, dat wil zeggen van zich zelf afhankelijk en niet van anderen overgenomen. Want deze zijn de leidende, rich­ting gevende, koninklijke gedachten.)

 

Waar die gedachten vandaan komen, kan niemand zeggen omdat de diepte van elke geest ondoorgrondelijk is. Uit de diepste, ondoorgron­delijkste diepte komen zij en het teken hunner koninklijke waardigheid dragen zij in zich. Van het voorgeslacht komen zij niet, de menigte heeft ze niet en toont slechts verwondering, zelfs afschuw en tegenzin. Toch weet hij, die ze draagt, dat de menigte ze nodig heeft. En dik­wijls wordt het eerst na eeuwen duidelijk wie de eigenlijke gids, de leider en baanbreker in de samenleving was, terwijl de gekroonden streden om de macht en de menigte de profeten uitlach­te en stenigde.

Eerst in onze twintigste eeuw wordt lang­zamerhand duidelijker en meer algemeen begre­pen dat de menselijke samenleving ook in haar geestelijke natuur een kudde is.

 

Dat ieder volwassen individu eigen oor­spronkelijke krachten tot oordelen en begrijpen zou hebben, blijkt meer en meer een waan te zijn. De groep waarin hij leeft en werkt bepaalt zijn gedachten, zijn mening en gezindheid.

 

Er zijn echter zeldzame uitzonderingen en die zijn er in iedere tijd in elk volk geweest, dat zijn de oorspronkelijk denkenden en voelenden, wier gedachten en gevoelens van die der menigte afwijken.

De menigte, de kudde, die in haar groeps­verband haar veiligheid voelt, tracht deze uitzonderingen te weerstreven, ze zo mogelijk te vernietigen.

Dit is volkomen natuurlijk en begrijpelijk want conservatisme is onontbeerlijk voor de menigte, even onontbeerlijk als weerstand is voor de oorspronkelijke. Alleen wanneer hij zich zelf en zijn gedachten staande kan houden, heeft hij reden van bestaan. Dán alleen krijgt de nieuwe gedachte ook de kracht om de kudde in nieuwe banen te leiden.

 

Zodra dit de menigte duidelijk wordt, ver­andert de tegenstand in eerbied en bewondering en de vervolgde wordt een held en een koning. Bij uitzondering tijdens zijn leven, meestal echter, vooral als de nieuwe gedachten zeer wijde en diepgaande betekenis hebben, lange tijd na zijn dood. Dit verloop heeft zich volgens ondoor­grondelijke wetten door de eeuwen heen her­haald en alleen zó heeft zich de langzame ver­andering en opbloei van de menselijke geest voltrokken. Weinigen gingen voorop en. als zij niet te ver vooruit gingen, niet te afgezonderd of te zwak stonden, kwamen velen hen na verloop van tijd achterna.

 

Vroeger trad dit gebeuren duidelijk aan de dag. Zeer uitzonderlijke persoonlijkheden met vérreikende gedachten boden wonderbaarlijke tegenstand, werden vervolgd of gedood en kregen later miljoenen aanhangers in blinde, dik­wijls geheel verkeerd begrepen geestdrift en slaafse aanbidding. De oorspronkelijken stonden meestal geheel afzijdig en konden zich slechts door zeldzame kracht en zelfverloochening staande houden.

 

Thans echter leven miljoenen mensen in steeds nauwere samenhang en is de geest van de kudde toegevender, fijner, wijzer geworden: de grote idee van gewetensvrijheid is tot kuddebe­grip geworden en heeft in de loop der jaren een wonder verricht. De andersdenkenden worden niet meer onverbiddelijk vervolgd of gedood -  in 't begin meestal alleen maar uitgelachen en miskend. En enkelen worden reeds tijdens hun leven geëerd.

 

Zowel de geestelijke als de economische organisatie van de totale mensheid is hechter, strakker, sterker geworden, dit vooral in verband met de ongehoorde vermeerdering van haar ge­tal. Daarom zijn er thans meer mogelijkheden dan ooit tevoren tot inniger eenwording want er is een snellere werking tussen de enkelingen en de velen. De grote profeten uit vroeger tijden schiepen een kleine kring van jongeren om zich heen. Uit de kring ontstond een kleine gemeen­te, daaruit een godsdienst, een kerk. Van de oorspronkelijke gedachten der profeten was reeds gedurende het eerste stadium van ver­spreiding de kern verloren. In de gemeente en de kerk werden zij tot karikatuur. Het conserva­tisme van deze nieuwe groepen was erger en dodelijker voor het opbloeien van de menselijke geest dan dat der oude groepen. Want de aposte­len waren geen koninklijke geesten, maar aan­bidders en dienaren en binnen hun groep bevro­ren en versteenden de koninklijke gedachten.

 

Tenslotte kwamen de priesters als doodgravers en grafbewakers.

De profeten uit latere eeuwen werden dich­ters en wijzen genoemd. Hun apostelen heetten aanhangers. De dodelijke werking van het apos­tel- en priesterdom bleef echter dezelfde.

Tot op heden werd nooit de mogelijkheid ge­boden, noch de poging gedaan uit meerderen der weinigen een eenheid te vormen, een bond van vrije, koninklijke geesten, waarin het water uit de nieuwe bron stromend bleef, waarin het vuur der nieuwe waarheid niet uitdoofde.

 

Nu schijnt de tijd daarvoor gekomen te zijn. Is het te vroeg, dan zal dit blijken uit het mislukken.

Nochtans behoort de poging gedaan en tot in 't oneindige herhaald te worden, tot zij gelukt. Want het gaat om het heil en het geluk van de mensheid en haar nood is dringender dan ooit tevoren.

De nood der mensen dwingt tot daden. De nood der mensen heeft profeten voortgebracht. Ook thans is het de nood die tot oneindig herhaalde pogingen dwingt, al zouden ze duizendmaal mislukken, belachelijk gemaakt en miskend worden.

De nood der mensen dwingt tot dit woord.

 

Het eerste kenmerk van de koninklijke is dat hij de nood der mensen in zich zelf voelt en dat hij, al zou hij ook persoonlijk zonder kom­mer leven, zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is.

De menigte heeft haar kuddebegrippen, haar tradities en conventies, haar fatsoen, haar zeden. De koninklijke heeft zijn verantwoordelijk­heidsgevoel. Zijn gevoelen gaat boven het onpersoonlijke uit en voelt de schuld die door de me­nigte, daar zij onwetend is, niet kan worden ge­voeld.

 

De koninklijke geest voelt in zich het lei­dende, heersende principe.

Persoonlijk, als mens wil hij echter in het geheel niet heersen. Hij weet dat zijn gedachten heersen moeten. Hij verlangt echter voor zich zelf geen uiterlijke macht, geen praal, geen gehoorzaamheid, geen eer, geen roem.

Het is vanuit deze bewustwording dat hij koninklijke waarde voelt die hij wil staande houden. Dan voelt hij het goddelijke, algemene, boven tijd en persoonlijkheid verhevene. Hij heeft geen 'wil tot macht', hij heeft slechts 'wil tot goddelijkheid'. Hij weet dat slechts in zijn goddelijkheid zijn macht ligt.

Hij verdedigt zijn persoonlijkheid niet uit eigenbaat of eerzucht, maar slechts als drager van het heiligste. Als mens, als persoon voelt hij zich nietig en onwaardig.

 

Zijn deemoed gaat echter niet zó ver, zich te laten verdringen of vernederen - zoals dikwijls slaafse aanhangers en jongeren dit begrepen hebben - hij wil zijn gedachten en zich zelf als drager van die gedachten handhaven.

Hij weet dat hij draagt wat de menigte niet heeft, maar waaraan zij behoefte heeft. Zijn koningstrots bestaat daarin, dat hij zich niet wil vernederen, maar pal wil staan, opdat de menigte hem kan volgen en zich aan hem kan optrekken.

Hij wil voor zich zelf slechts datgene wat hem in staat stelt het heiligste in hem staande te houden.

Koninklijke liefde wil geven en meedelen uit geweldige, ondoorgrondelijke, onuitputtelijke drang, alleen niet aan onwaardigen en niet door zelfvernedering.

 

Koninklijke liefde wil ver-enigen; zij wil ­echter niet door dwang - een band met slechts diegenen die rijp zijn voor een werkelijk samen­gaan.

Zij wil zich niet opdringen, zij wil niet gewelddadig, maar alleen bevrijdend, losmakend werken.

Zij is, als alle liefde, onlogisch, raadselach­tig. Want wie zou zich op verstandelijke basis voor de onbekende menigte en het nageslacht moeite geven of opofferen? Koninklijke liefde is het hoogste en heiligste instinct, en aan eigen­baat der edelsten wordt slechts tegemoetgeko­men als hij dit instinct gehoorzaamt. Slechts dit maakt hem rustig en gelukkig. Walgelijk en minderwaardig zijn voor hem alle liefdesdaden die niet door deze impuls ontstaan, maar uit overleg, uit vrees, uit conventie of uit plichtsge­voel. Met hun valsheid stichten zij - onder het mom van filantropie - alleen maar kwaad.

Mensenliefde prediken is bomen met papie­ren blaadjes tooien of bloemknoppen met het pincet tot ontplooiing brengen.

Dit woord geldt diegenen, die deze konings­liefde in zich voelen als een koorts, als een brandende hartstocht, die altijd weer aandrijft tot daden en geen rust laat.

 

Dit woord wil niet overtuigen, niet eens opwekken, maar slechts zoeken en verbinden wie het vindt.

Het wordt uitgezonden zonder bepaalde hoop, zonder illusie, maar noodgedwongen. De grote nood der mensheid dringt.

Voor wie het geldt zal het weten. Voor wie twijfelt geldt het niet.

De menigte maakt het de enkeling al duide­lijk, ook al zou het nog niet tot de enkeling zijn doorgedrongen. Zij doet dit als het water dat sist als er vuur in valt.

De koninklijke komt niet met trots, maar de menigte gééft hem trots, door miskenning en haat.

 

Het koningschap is weliswaar een voorrecht, maar een zeer smartelijk voorrecht en het be­staat slechts 'door godsgenade'.

Koninklijke mensen worden noch gekozen noch opgekweekt. Zij wijzen zich zelf aan, ook tegen hun wil. 'Godsgenade' manifesteert zich niet door de keuze van de menigte - want hoe zou de menigte iemand kunnen kiezen die haar begrippen niet deelt? De menigte kiest slechts wie zij begrijpt.    

                 

En de 'godsgenade' wordt ook niet geërfd zoals bruine of blauwe ogen. Wie gelooft dan nog dat koninklijke leidende eigenschappen in alle generaties van een geslacht erfelijk zijn?

Deze bewering, welke niemand gelooft, maar welke de gehele kudde schijnt te geloven, toont slechts het instinctieve, irrationele van het kuddebegrip.

Het is noch trots noch ijdelheid of aanma­tiging te verklaren, dat men tot de koninklijken behoort. Men weet het zoals men weet dat men tot de gezonden of muzikaal begaafden behoort.

Veel belachelijker is de trots der officieel gekroonde koningen, die zich beroemen op da­den van lang geleden gestorven voorvaderen en de 'godsgenade' als een erfelijkheid zien welker waardeloosheid iedere hoogleraar kan aantonen.

 

Het zou slechts dán aanmatiging zijn als de koninklijke zei: 'Ik ben enig in mijn soort en niemand in de wijde wereld is aan mij gelijk­waardig en kan zich met mij verstaan'.

Juist het vrijmoedig bekennen van zijn waardigheid en positie geeft de koninklijke ver­hoogde kracht. De gekozen en gekroonde heer­sers voelen zich gesterkt door hun verantwoordelijkheid, door hun positie in het middelpunt van de belangstelling. Slechts weinigen doen pogingen zich van de zware taak te ontdoen.

Waarom zouden dan de koninklijken bij de Genade Gods het volle licht schuwen en niet tonen wat zij zijn? Zij hebben de vuurproef der openbaarheid nodig. Zij moeten de spot en het ongeloof van de kudde trotseren. Het zal hun inspanning, hun kracht en waardigheid verhogen.

 

De koninklijke mens volgt niemand, on­derwerpt zich aan niemand, noemt géén mens, levend of dood, zijn heer en meester. Hij heeft zijn meester in de ziel.

Hij is echter verheugd als hij een gelijk­waardige ontmoeten kan.

Daar hij de menselijke zwakte in het begrij­pen en uitdrukken kent, wil hij steeds leren, en onderwerpt gaarne zijn eigen gedachten aan de kritiek van een gelijkwaardige.

Hem is geen moeite te veel, om tot beter begrip van elkaar te komen. Hij wil niet meer schijnen dan hij is, hij wil niet groter schijnen of groter zijn dan anderen, hij wil niet meer macht hebben dan anderen, tenzij door de waarheid van zijn gedachten.

Daarom wenst hij dat deze waarheid altijd weer op de proef gesteld en voltooid wordt en wie hem inlicht over een betere is zijn vriend.

 

De koninklijke mens houdt van tegenspraak; want óf zij versterkt zijn waarheid, óf zij bevrijdt hem van een leugen.

Maar hij kan alleen met zijns gelijken om de waarheid strijden, want met onvrijen, waarbij het op gelijkhebberij of schijnsucces aankomt, zou hij zich moeten vernederen en zijn kracht verspillen.

Zoals de verbitterdste vijanden in de ridder­tijd toch nooit de regelen van het ridderschap schonden, omdat zij met gelijkgeborenen streden - zo zullen de koninklijken strijden.

 

Gemeenschappelijke erkenning van ridder­lijke regels en wetten duidt op innerlijke verbondenheid ondanks uiterlijke vete.

Dit hadden alle ridderlijke volken gemeen, zowel Japanners als Indianen. Tegenover vij­anden van lagere gezindheid streden de ridders verenigd. De lageren hebben zich tot een hogere klasse verheven, de tijd van gewelddadig heer­senden, van ridders, van tirannen en despoten is voorbij. Maar alléén het betere moet het slechte verdrijven. Koningschap en ridderschap moeten niet verdwijnen, maar zich verheffen, vergeeste­lijken.

Daarom zij strijd aangezegd aan laaggezinde heersers, aan leugenkoningen. Slechts zij die vrij en waarachtig zijn zijn heersers bij de genade Gods.

 

Als de menigte meent, 'Macht moet niet boven recht gaan', dan duidt zij daarmee slechts aan dat macht door erkenning sterker is dan macht verkregen door dwang en geweld, door leugen, vrees, suggestie en slaafsheid.

Recht zonder erkenning is een leeg woord, slechts erkenning verleent het macht. Het recht van de koninklijke kan slechts berusten op zijn werkelijke superioriteit. En deze superioriteit moet zich tonen en macht krijgen door erken­ning.

Superioriteit toont zich enkel door de daad. Gedachte-daad, woord-daad en lichaams-daad moeten onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds voeden. Alleen zó kunnen de koninklijken hun kracht tonen, hun recht bewijzen, hun macht verwerven. Alleen zó zullen zij de wereld veroveren en de plaats innemen die hun toekomt.

 

Het kompas is een fijn en teder instrument en de kracht, die bij de beweging van de naald behoort, is oneindig klein. Toch wordt het grote schip door deze zwakke kracht geleid, als haar betekenis maar erkend en waargenomen wordt.

Dat is aldus bijna een doen door niet-doen, een werken door rust en stilstand.

Zó heeft de koninklijke mens maar zeer zwakke middelen nodig, maar de ontzaglijke werking komt als er acht op hem geslagen wordt, als hij de betekenis van de mysterieuze kracht die hem bezielt, tot erkenning brengt.

Het woord moet het aanvalspunt zijn van zijn werkzaamheid. Het woord is een gewricht tussen gedachte- en fysieke daad. En het is een ziekgeworden gewricht. Het woord van de menigte is nietswaardig en hol geworden, een ge­havend en lam gewricht, dat iedere dag slechter functioneert, als een versleten machineonderdeel. Het deugt alleen nog maar voor de over­dracht van grove bewegingen.

 

Voor het fijnere gedachtenwerk, voor de meer innige mededeling, voor de hogere pro­blemen schiet het oude instrument te kort en voldoet niet langer aan de nieuwere behoeften.

Vóór alles heeft de mensheid een verleven­diging, een vernieuwing van de taal nodig. Het nieuwe woord moet geboren worden.

En dat is het kenmerk van de koninklijke mens, dat hij voelt hoe het woord oud en ziek en ontoereikend voor zijn behoeften is.

Maar het woord van de eenzamen heeft geen kracht. De afgezonderde kan geen taal baren. Want het woord gedijt tussen velen, niet bij de enkeling.

 

Daarom moeten de koninklijken zich ver­enigen; dán, eerder niet, wordt het nieuwe woord geboren, het dadengewricht genezen, de nood van de mens verzacht.

Men zegt: het volk maakt de taal. Doch de taal ontstaat niet dóór, maar in de menigte door afzonderlijke onbekende individuen. En de dichters zoeken en kiezen die scheppingen en voltooien ze en gebruiken ze voor hun vorm­gevende doeleinden. Zó ontstond de bijzonder georganiseerde Griekse en de schone Italiaanse taal in weinige eeuwen.

De huidige menigte wordt geheel en al door haar materiële doeleinden in beslag genomen en de meeste hedendaagse dichters zijn enkel maar literatoren, die proberen een machtige groep uit de menigte te behagen, opdat hun waren kopers zullen vinden.

Voor de eerste en hoogste behoeften van alle mensen dient slechts de versteende, dodelijk ziek geworden taal der godsdiensten en de dorre symboliek der wetenschap. En de nood van de mensen kan niet verzacht worden zonder we­derzijdse overeenstemming over het belangrijk­ste: het einddoel van haar werkzaamheid.

 

Dit is de geweldigste en verschrikkelijkste dwaling van onze tijd, de oorzaak van ellende en bloedige oorlogen, van oneindige strijd en ener­gieverspilling, dat de taal voldoende zou zijn voor wederzijdse overeenstemming, dat door spreken en redeneren, door dialectiek en logica de mensheid het eens zou kunnen worden.

Slechts de koninklijken zijn zich van deze dwaling bewust en trachten zich van deze waan te bevrijden. Men herkent hen daaraan, dat zij geen woord gebruiken zonder te bedenken hoe ontoereikend het is en hoe het anderen op een dwaalspoor moet brengen.

 

De menigte begrijpt daar niets van, ook de hoogstbegaafden niet, want zij trachten altijd door rede te overtuigen en verlangen dat men ook hen door rede overtuigt.

De menigte zal zeggen: 'Er is al een ge­meenschap van edelen. Zij uiten zich door rede en kunst en kunnen zich door middel van hun werk met elkaar verstaan'.

De koninklijke weet dat er nog geen gemeen­schap van edelen bestaat, dat zij het niet door rede en kunst met elkaar eens kunnen worden.

 

Als twee verstandige mensen tezamen zijn en zij vertrouwen elkaar en hebben elkaar lief, dan zal het hun gelukken een gesprek te voeren over diepzinnige en gewichtige dingen. Ook als zij zeer verschillend geaard zijn, zullen zij elkaar begrijpen, zich bevredigd voelen en menen iets verder te zijn gekomen.

Dit gebeuren was echter emotioneel, niet logisch en dialectisch - en de woorden speelden slechts een ondergeschikte rol. Blik, gebaar en uitdrukking werkten mee; onuitgesproken en onuitsprekelijke gedachten en gevoelens vulden het gesprokene aan. Men begreep omdat men vertrouwde en liefhad, omdat men verstaan wil­de. Zodra echter twee mensen elkaar antipathiek zijn, mislukt iedere poging tot overeenstemming over diepere en hogere dingen. Het begrijpen houdt op en ieder denkt dat de ander onlogisch en onverstandig is. Logica en verstand hebben hier echter niets mee te maken. Men gebruikt ontoereikende middelen; de gezochte overeen­stemming en éénwording eist mededelingsmid­delen die aan kracht en fijnheid ver boven de taal uitsteken'

De filosofen, metafysici en psychologen hebben getracht met behulp van taal het over diepzinnige dingen eens te worden. Daarbij heeft ieder zijn eigen systeem en zijn eigen terminolo­gie weer van 't begin af aan moeten opbouwen. Dat is alsof ieder mens zijn eigen geld zou munten. De systeem taal van iedere filosoof gold eigenlijk maar voor zijn kleine kring, zijn 'school' zoals dat heet. En haar werking was altijd meer een poëtische, emotionele, dan een logische, intellectuele. De millioenen woorden lopen slechts om de zaak heen.

 

De grote vraagstukken van de tijd kunnen alleen worden opgelost door een inniger eenwording tussen mensen. Daartoe behoren een eenwordingswijze en nieuwe eenwordingsmid­delen. Dit kan niet enkel een intellectueel ge­beuren zijn, dit moet ook een emotionele daad zijn, een liefdedaad.

De betekenis van grote filosofen als Spinoza en Kant ligt niet in hun systeem, maar in hun persoonlijkheid en hun karakter. Hun termino­logieën worden spoedig waardeloos, maar het altijd diepere en fijnere voelen, dat zij met hun ontoereikende en omslachtige middelen hebben uitgedrukt, toont de trappen van een stijgende cultuur.

Op hun wijze, met hun middelen, komen wij echter niet ver.

 

Wij hebben iets nieuws nodig.

Hoe dit nieuwe zijn zal, kan men evenmin zeggen en het zich evenmin voorstellen als de prehistorische mens zich onze cultuurtaal zou hebben kunnen voorstellen.

Men kan alleen zeggen, dat het organisch groeien moet naar gelang onze behoeften, en dat ook de menigte deze behoeften niet zo sterk voelt als de enkelingen, de uitzonderingsnaturen.

 

Alleen als deze laatsten het eens worden en een gemeenschap vormen, kan daarin het nieuwe ontstaan. In een nieuwe atmosfeer van liefdevol vertrouwen, vrijheid van de geest, wijsheid, de­votie en zelfbeheersing kan de nieuwe een­wording gedijen.

De menigte, de doorsneemens zal zeggen: 'Dat zou mooi zijn, maar dat gaat nooit'.

Juist! - Met doorsneemensen zou het ook niet gaan.

'Logica bestaat niet', heeft een Engelse schrijver onlangs gezegd. Dat wil zeggen: logica is een versleten middel, alleen bruikbaar voor grove overeenstemming. Wij hebben méér dan logica nodig. Het komt slechts daarop aan, dat in iedere gemeenschap ieder lid zich nauwkeurig bewust is van de ontoereikendheid van zijn taal. Dan kunnen zij ook met ontoereikende midde­len een juist begin maken.

 

Een sterk noodgebouw kan men ook bou­wen met een slechte bijl.

De mensheid is als een oververzadigde zout­oplossing. Zij wacht in stijgende spanning. Een klein kristal, er in geworpen, verandert de aggre­gaatstoestand van het geheel. En de vorm van  dit kleine kristal bepaalt de vorm van het geheel.

 

De mensheid stelt zich ten doel tot over­eenstemming te komen. Hoe moet echter de mensheid het eens worden zolang de besten het niet eens zijn geworden?

Tot nu toe kwam de overeenstemming tussen de mensen voort uit groepsvorming en zij geschiedde uit aandrift, instinct, vrees, gehoor­zaamheid of uit onderwerping of door suggestie.

De edelen worden het eens uit liefde en inzicht, uit wederzijds vertrouwen en verstand. Alleen deze overeenstemming is duurzaam en universeel.

 

Deze overeenstemming zal zich slechts or­ganisch voltrekken, zonder dwang, zonder inspanning. Beginnend tussen weinigen, dán zich over de gehele mensheid verspreidend.

Het begin ligt misschien reeds daar, waar twee elkaar niet meer voorliegen en trachten

volkomen oprecht te zijn.

 

Dit heeft Jezus zeker gemeend toen hij zei: 'Waar drie in mijn naam tezamen zijn, daar ben ik'.

Dit bedoelt men zeker als men zegt: 'De geest zal in het leven treden'.

Hoe kan echter 'de geest in het leven treden' zolang niet de ene mens precies begrijpt - niet

alleen vermoedt - wat de ander daarmee be­doelt?

Wat is het spreken over God, ziel, onsterfe­lijkheid, geest, leven anders dan kracht- en tijdverspilling, een nutteloos gewirwar van misver­standen?

 

Lijkt het niet op het vangen van vlinders door met stenen te werpen?

Het woord treft óf niet óf het doodt.

 

Als in een chemische reactie een nieuwe verbinding tot stand moet komen, moeten eerst elementen 'vrij' worden.

Zó moeten ook eerst enige menselijke indi­viduen 'vrij' worden, eer een nieuwe verbinding tot stand kan worden gebracht.

Alleen de vrijen kunnen het begin maken. Vrijheid van geest is de waarachtig koninklijke eigenschap.

Vrij - door dit vanuit zich zelf te zijn - is goddelijk zijn. Bij mensen is het oorspronkelijk zijn, slechts de eigen goddelijkheid gehoorza­mend, onbeinvloed door de stem van de kudde.

Dit betekent niet dat men vervreemd of vijandelijk tegenover de massa moet staan.

De misantroop, de zonderling wijkt slechts af in kleinigheden, is echter niet werkelijk oorspronkelijk.

De velen ontberen de vrijheid, want zij kun­nen haar niet verdragen. In vrijheid verliezen zij het evenwicht, zij worden lachwekkend of ziek, verbitterd, krankzinnig, nerveus of pervers, of voelen zich meegesleept door hun hartstochten.

De koninklijke mens openbaart zich doordat hij de vrijheid verdraagt, dat hij slechts de stem van zijn goddelijkheid gehoorzaamt ondanks de menigte en toch daarbij zijn evenwicht, zijn zelfbeheersing , zijn innerlijke rust, zijn liefde en liefdekracht niet verliest.

 

Alleen de vereniging van koninklijken kan de velen houvast en vrijheid geven, zodat zij zich ook in de liefdesbond verenigen. Hun oude ketenen zullen verbroken worden, zonder dat zij het evenwicht verliezen. De weinigen hebben dan reeds het fundament gelegd waarop de velen kunnen steunen, waaromheen zij zich kunnen ordenen.

Iedere godsdienst was een poging tot ver­eniging van de totale mensheid. Een mislukte poging. Er zijn honderd verschillende wereld­beschouwingen en godsdiensten. Zij hebben alle het geloof aan hun universaliteit gemeen. Iedere representant van een godsdienst denkt dat zijn opvatting voor alle mensen geldt. Iedere gods­dienst heeft zich over de gehele aarde, over alle. mensen willen verbreiden.

 

Dit betekent dat in alle mensen het geloof woont; dat deze verscheidenheid van opvat­tingen slechts op uiterlijke omstandigheden be­rust. Dát is het werkelijk universele, de eenheid van alle godsdiensten. Ieder mens gelooft dat het innerlijk karakter, de geestelijke gesteldheid die de wereldbeschouwing bepaalt, bij alle mensen dezelfde is.

Alle geloofs- en godsdienst nuancen zijn daarom slechts misverstanden. Als wij andere mededelingsmiddelen, een transcendente taal hadden, dan zou blijken dat alle mensen in de grond hetzelfde geloven, dezelfde levens- en we­reldbeschouwing hebben.

De mensen denken verkeerd, omdat zij met gebrekkige, ontoereikende middelen denken. En om dezelfde reden, in veel hogere mate, begrij­pen zij elkaar verkeerd.

 

De verfijning en voltooiing, de transcenden­tie der taal zou geheel vanzelf eenheid van denken brengen, en ook voor de onrijpen, de kinderen en onontwikkelden de juiste zelfkennis gemakkelijker maken. Dat is het belangrijkste.

De menigte kan niet alles begrijpen omdat zij niet voelt hoe de taal bedriegt.

Voor de koninklijken is alle taal, en vooral de taal van de godsdienst bedrieglijk. Ieder gesprek over het heiligste is blasfemie.

Want zoals Lao Tse gezegd heeft: 'Die Tao kennen spreken er niet over, die er over spreken kennen Tao niet'.

De mensen spreken over het absolute, het oneindige, zelfs over de Absolute, de Oneindige, alsof zij er iets mee zouden kunnen bedoelen. Zij kunnen daarmee echter niets bedoelen, tenzij een onbestemde gewaarwording van het god­delijke. Het woord is negatief en elk positieve daaraan moet noodzakelijk onjuist zijn.

 

Het woord 'godsdienst' is al een voorbeeld van verwarring. Men spreekt erover, als zijnde het beste, dat de mensheid heeft en men klaagt diezelfde godsdienst aan als de oorzaak van oneindige kwellingen. Bedoelt men dan wel hetzelfde?

Geen wiel was ooit volkomen rond, men kan het echter rond genoeg maken om er op te rijden. Over het heiligste kan de mens nooit spreken. Over de doeleinden van zijn werkzaamheid kan hij het echter met zijn medemensen eens worden, zeer veel beter dan totnogtoe.

 

Groepsgewijze en gedeeltelijk hebben alle godsdiensten overeenstemming bereikt. Dat was altijd een emotioneel gebeuren. Gevoelens deel­den zich aan anderen mede door blik, uitdruk­king, gebaar, stem. Misschien op nog onbekende, subtielere wijze.

Daarbij speelde het woord zijn bedrieglijke rol. Schijnbaar werkte het door logica - in feite echter was zijn werking impressief en emotioneel door suggestie.

 

Duizenden heeft men gevoelens van liefde en broederschap en geloof ingepraat, die hun in 't geheel niet eigen waren. Toen ontstonden schijnbeelden, die slechts gruwel van domheid, huichelarij en wreedheid in 't leven riepen.

Duizenden arme, zwakke mensen heeft men ook ingepraat dat zij met Satan in de Walpurgisnacht gedanst zouden hebben, en nadat zij het berouwvol hadden bekend, heeft men ze ver­brand.

 

Nu eerst kent men de verschrikkelijke macht van het inpraten die de gedachten dwingt, het oordeel vervalst, de ziel misvormt. Wat blijft in dit licht gezien over van de waarde van deze godsdienstige bekeringen? Wie zal beslissen wat hier vrije, bewuste overgave was ofwel het on­derwerpen van de zwakkere geest door de ster­keren en heerszuchtigen?

De kerken en godsdiensten verlangen ge­hoorzaamheid en zijn met onderworpenheid te­vreden, zoals de gekroonde en gekozen des­poten.

 

De koninklijke mens echter wil noch gehoor­zamen noch gehoorzaamd worden; hij verlangt aan ieder het beste wat hij heeft, het goddelijke, zijn vrijheid, mede te delen, hij is niet met onderworpenheid tevreden. Hij wil ook de zwak­ken, die niet staan kunnen zonder de steun van de autoriteit, tot vrijheid en zelfstandigheid aan­trekken.

Daarom zal de heerschappij der koninklijken niet als een juk gevoeld worden, net zo min als de heerschappij van het Licht. De ware held wil een ieder tot het heldendom verheffen en verlangt slechts een wereld vol helden, waarin hij de onbeduidenste zou zijn.

 

Alle propaganda streeft slechts naar het suc­ces, het toegeven en volgen der omgepratenen. Zij let er niet op in hoeverre zij door dwang gewerkt heeft en schijnbeelden schiep. Omdat zij zich de bedrieglijke macht van het woord, van het inpraten niet bewust is. Alle inpraten, alle suggestie grijpt de persoonlijke vrijheid aan, is een bedreiging van het goddelijke in de mens.

 

De nieuwe éénwording der mensheid zal zich geheel vanzelf voltrekken, zonder dwang. Zij dringt zich niet op, zij vordert geen inspanning, zij heeft geen propaganda nodig.

Waarom verzanden de grote godsdiensten, zoals het Christendom in Rome en Byzantium, zoals het Boeddhisme in Tibet?

Waarom hebben aposteldom en priesterdom altijd verstenend en dodelijk op de waarheid gewerkt?

Omdat apostelen en priesters geen vrije, ko­ninklijke geesten waren, maar slaafse dienaren der profeten. Dat hebben de profeten wel niet gewild, maar de bedrieglijke macht van het woord en de verschrikkelijke macht der sugges­tie, van het inpraten, was hun niet duidelijk genoeg en zij hebben er zich niet voldoende voor gehoed. Zij begrepen de serviliteit van hun jonge­ren niet en hielden hen voor mensen met vrij inzicht en overtuiging. En zij konden niet voorkomen dat hun leer na hun dood meer en meer door inpraten en nadoen tot de mensen kwam, in plaats van dat er sprake was van echt inzicht en gevoel. Kinderlijk en goed van vertrouwen als zij waren, waren zij al verheugd als er slechts een groep was gevormd.

Het was echter schijn, geen verbreiding maar een vertroebeling van de oorspronkelijke gedachten. De groep verstikte het vuur in plaats van de vlammen te voeden.

 

De leugenduivel sloop naar binnen door het bedrog van woorden, door de macht van de suggestie.

Daarom moet iedere godsdienst zich thans met inspanning en moeite staande houden, door predikers, geestdrijvers en zendelingen - omdat zij niet voor de waarheid strijdt maar tegen de waarheid.

De natuurwetenschap heeft geen propagan­da, geen predikers, geen zendelingen nodig. Zij verbreidt zich zonder inspanning, zolang zij slechts de waarheid zoekt. Omdat zij geen dwang gebruikte, vond zij geen weerstand, behalve bij de godsdiensten. De dwang van de godsdiensten toonde zich volkomen machteloos tegenover haar vrije verbreiding.

Aan de goddelijke idee der gedachtevrijheid en gewetensvrijheid dankt de natuurwetenschap haar opbloei en haar invloed. De bedrieglijke macht der suggestie heeft zij dáárom gemeden, hoewel niet geheel, omdat haar totnogtoe de juist kennis daarvan ontbrak.

 

De bedrieglijke macht van het woord heeft zij echter tot op heden niet ingezien en al haar verwarringen, al haar ontgoochelingen zijn daarop terug te voeren.

De volledige éénwording der mensheid, wel­ke alle godsdiensten ten doel hadden, kon ook de natuurwetenschap niet bereiken. Zij verenigt slechts gedeeltelijk en zij voldoet niet aan de behoeften van de menigte. Haar verenigde kracht is niet voldoende zodra zij dieper navorst.

Zij is zich niet bewust van het ontoereikende van haar verenigingsmiddelen en zij heeft zich in haar eigen symbolen en hypothesen verward.

 

Daardoor heeft zij nooit leventoevoerende kracht getoond, zij was onethisch, amoreel en de transcendente betekenis van de verschijnselen liet haar koud. Zij neemt geen nota van de kompasnaald van de menselijke geest en gelooft niet aan haar betekenis. Zij kent geen voor of achter, geen voorwaarts of achterwaarts, geen goed en kwaad. De beweging, de richting van het leven wordt niet door haar gezocht en niet gewaardeerd - zij trekt slechts het met de zintuigen waarneembare binnen haar be­schouwing en loochent wat zij niet afmeten kan.

 

De taal kritische bezinning, het inzicht in het wezen der suggestie en der suggestie ontvankelijkheid , in het kuddewezen der menigte - dat zijn de alleszins nieuwe verworvenheden van onze tijd. Hierdoor wordt de koninklijke geest nooit vermoede gebeurtenissen gewaar; het op­komen van een nieuwe ver-éniging, een betere organisatie van de gezamenlijke mensheid - het komen tot een gemeenschappelijke, universele, transcendente wijsheid, die noch godsdienst noch natuurwetenschap is.

 

De menigte zal vragen: 'Wat is het? Wat dan? Laat het ons zien! Zeg het ons! '

Daarvoor is zij juist de menigte. Alleen de leidende geest kan voorvoelen, bespeuren, voelen wat geen naam heeft. Alleen de edele kan het onbekende als bron van zijn kracht vertrouwen en geduld hebben. De menigte heeft vorm en naam nodig en wat geen naam heeft, heeft voor haar geen bestaan.

 

Zoals er geen godsdienst is zonder propagan­da en suggestie, zo worden demagogie en massasuggestie door alle politieke partijen bedreven. Iedere partij heeft de menigte nodig en tracht haar voor zich te winnen. Haar stichters en leiders waren dikwijls laaggezinde heerszuchti­gen. Men behoefde geen edele schijn aan te nemen, zonder scrupules doelde men op het massasucces.

 

Licht en schitterend waren de massasuccessen van de natuurwetenschap, juist omdat zij er geen ten doel stelde, ofschoon de nood der mensen haar onverschillig liet, deed zij meer tot verzachting ervan dan alle godsdiensten en par­tijen.

Toen trokken alle politieke partijen, die toch alle de verzachting van de menselijke nood als hun doel aangaven, de natuurwetenschappelijke methode tot zich ter oplossing van het sociale probleem. Zó ontstond de sociaaleconomie, een monsterachtig bastaardcreatuur, zogenaamd neu­traal, in waarheid vol tendensen, door alle strij­denden in hun eigen voordeel vervalst...

 

Overal waar de natuurwetenschap ingrijpt in de levensleiding, toont zij haar volledige machteloosheid. In alle ethische vraagstukken schiet zij tekort en waar zij met alle geweld erbij gesleept wordt, zoals in de medicijnen en de sociaaleconomie, treedt haar incompetentie jammerlijk aan de dag.

Tevergeefs strijdt de medische wetenschap tegen de reusachtige uitwassen van lekengeneeskunde, die onbekende, niet onderzochte en door de medici uitgelachen en verloochende, transcendente helende krachten gebruikt.

En de sociaaleconomie is een ontzettende verzameling vervalsingen en drogredenen, waar­bij het moeilijk valt de in 't oog lopende leugens als onopzettelijk aan te nemen.

 

Daar spelen het woord en de taal en de verraderlijkste aller suggesties, de autosuggestie, hun tragische rollen.

Als een sociaal-economische theorie juist is, dan is zij dit slechts door dat wat daar niet bij gezegd is. Omdat het zich juist niet zeggen láát.

Wie zich slechts op de natuurwetenschap verlaat, kan niet leiden, want de natuurweten­schap levert geen leidende gedachten op. Die heeft slechts feiten en wetten. Het wezenlijke in een leider is zijn initiatief. De wetenschap echter kent geen initiatief, zij kan slechts voorspellen wat door vroegere feiten bepaald was. Als de prehistorische mens de cultuurmens uit zich zelf had kunnen voorspellen, zou dit wel geen 'natuurwetenschap' meer zijn te noemen.

Het 'sociale probleem' bestaat niet voor de natuurwetenschap. Zij beschouwt de menselijke economie zoals de bijeneconomie. Haar opgave is slechts het probleem van het Zijn, niet van het Moeten. Zij vraagt slechts hoe het is, niet hoe het zou moeten zijn.

De sociaal-democratie is een mengsel van profetisme en pseudowetenschap. Zij verwerpt alle transcendente leiding en erkent de weten­schap. Daarbij ziet zij over het hoofd, dat ook de wetenschap van leiding niets wil weten. Beiden geven zich dus aan het deterministische fatalisme over en geloven aan de volkomen voorbeschik­king.

 

Feitelijk echter gedraagt zich deze aan het noodlot overgegevene als een zeer jaloerse en heerszuchtige leidster.

De bedrieglijke woorden waarin een profeet als Rousseau zijn juiste tendensen zogenaamd logisch vastlegde, werden in de hoofden van serviele, fanatieke geestdrijvers tot versteende begrippen, die onheil en bloedige daad verwek­ten. Precies zo werken de met de schijn van wetenschappelijkheid beklede grondstellingen en slagwoorden der sociaal-democratie. Het zijn slechts profetische gemoedsuitingen, uit juiste gewaarwordingen voortgekomen, die hun trans­cendente afkomst loochenen en met het valse paspoort der natuurwetenschappelijke autoriteit intrede en gehoorzaamheid eisen.

De proletariërs van alle landen worden aan­gemaand zich te verenigen.

 

Dit is precies zo'n frase als het fameuze woord van Napoleon: 'Veertig eeuwen zien van deze piramiden op u neder'.

De holle woordklank heeft gewerkt. Geest­driftig juichten de soldaten en gingen getroost de dood in.

Hoe moeten dan de proletariërs - dus de armsten, de minst ontwikkelde mensen - zich verenigen? En met welke verenigingsmiddelen ? .

De menselijke groepen verenigen zich door de driften, de instincten. Dat zijn de dierlijke verenigingsmiddelen. Zó verenigt zich een kudde wolven of een bijenzwerm.

 

Deze soort van vereniging behoeft men niet te propageren. Zij bestaat al en ieder kent de gevolgen.

Bedoelt men echter een nieuwe, betere soort vereniging door liefde, intelligentie en vrij in­zicht, zo heeft deze zich zelfs voor de hoogst­beschaafden nog te moeilijk getoond en geen vertoon van al onze taalkundige middelen is daarvoor toereikend geweest. En moeten dát de bedrogenen en uitgebuiten, de overwerkten, de door armoede en ellende vergrofden klaarspelen?

Er bestaan kunstmatige eenwordingen van gedeelten. Door dwangmiddelen, door geweld en wet, of door de macht van het inpraten, door suggestie.

 

De proletariërs zijn te verenigen als men hun kuddebegrip inpraat met klinkende woorden. Een op deze wijze verenigd proletariaat is een lichaam zonder hoofd, een geweldige machine zonder machinist. Iedere eerzuchtige, energieke, spraakzame persoonlijkheid kan het proletariaat leiden als hij hun driften en kuddebegrippen met overleg in stand houdt.

De oplossing van het probleem hangt enkel van de werkelijke vereniging der edelen en vrijen af. De innerlijke disharmonie maakt het sociale probleem. Als het voortduren van armoede en ellende, van klassenstrijd en kastewezen in over­eenstemming zou zijn met de innerlijke alge­mene wereldbeschouwing - zoals het vroeger was - dan zou er geen probleem bestaan. Maar er is thans overal een diepe tegenspraak tussen belijdenis en daad. Ieder mens afzonderlijk wil beter dan wat de groep doet waarin hij moet leven.

 

De normale doorsneemens wenst zijn buur­man niets kwaads toe. Hij verlangt rijkdom, welvaart. Hij verlangt echter geen armoede van zijn naaste. Desondanks schaadt hij zijn naaste voortdurend, want in de huidige organisatie be­tekent welvaart van de een altijd armoede van iemand anders. Wat de een wint moet de ander verliezen. Het streven van een ieder gaat niet naar gemeenschappelijke arbeid, maar naar persoonlijke winst. Als men echter ieder normaal mens daarnaar vraagt, dan zal hij toch altijd liever werken en rijk worden zonder zijn naasten te schaden.

Hij probeert slechts te winnen, omdat hij niets nuttigers kan scheppen, omdat iedereen het doet, omdat het nu eenmaal niet anders kan, omdat de maatschappij hem er toe dwingt. Hij troost zich er mee dat het een 'natuurwet' is, zoals de sociaal-economische wetenschap dat leert.

 

De menselijke organisatie is een product van het menselijke willen, dat wil zeggen, zij is de resultante der verschillende individuele krachten, hetzij instinctief - uit onbekende bron - hetzij bedacht en bewust. Als echter bijna alle normale individuen thans anders willen dan het geheel doet, dan zal de organisatie anders worden zodra er maar een betere samenhang is ontstaan!

In ieder individu is thans een conflict tussen willen en doen. Dat betekent dat de richting van de willende kracht anders wordt.

Zoals de richting van een groot schip wordt voorbereid door de draaiing van het roer, en de­ze door de stuurman op de brug en deze weer door een wenk van de kapitein - zo wordt het besturen der gezamenlijke mensheid aangewezen door het individuele gevoel van het anders wil­len. Maar in de keten tussen willen en doen zijn vele schakels te los verbonden en de individuen willen wel maar kunnen niets doen. Dan geven zij ook spoedig weer het willen op en vallen te­rug in het oude doen.

 

De allerbesten zijn diegenen die sterk willen en bij wie willen en doen onscheidbaar zijn. Als die zich verenigen, zal het mogelijk zijn dat de aaneenschakeling functioneert, dat het fijnste voelen tot daad wordt, dat het grote schip, de samenhang der mensen de tedere impuls van het individuele gevoel gehoorzaamt. De oplossing van het sociale probleem kan slechts op deze wijze verkregen worden. Want alle theoretiseren is volkomen machteloos en tevergeefs omdat de samenhang ontbreekt. Wij hebben kennis en verstand genoeg om te weten wat zou moeten geschieden. Wie echter socialis­tische theorieën leest zegt: 'Dat zou natuurlijk goed zijn, als het maar mogelijk was'; zodra hij dan echter probeert te doen, mislukt het. En omdat geen daad op zijn willen volgt, verliest hij ook het willen en daarmee het geloof. De fijnste en meest overtuigende voorstelling, de meest logische uiteenzetting blijft zonder gevolg, om­dat gedachten niet leven kunnen zonder daad.

 

De dwaling der theoretici is deze, dat zij menen dat de mens handelt uit verstands­redenen. En zij verwonderen zich en worden dikwijls radeloos of verbitterd omdat hun ver­standige raad niet wordt opgevolgd.

De mens handelt echter uit diepere gevoels­redenen en het verstand is maar een oppervlak­kig verbindingsmiddel. Door verstandsbesluiten alléén krijgt niemand kracht tot de daad. Is echter het willen algemeen en krachtig en reeds dicht bij de daad, dan kan een verstandsbesluit, ook een verkeerd, de kracht vrijmaken en de daad te voorschijn brengen.

Rousseau's verstandsbesluiten waren zeer gebrekkig en berustten op valse vooronderstellingen. Nochtans hebben zij geweldige daden voortgebracht.

 

De grote stromingen van het socialisme, van de sociaal-democratie, zijn niet door goede theorieën teweeggebracht, nochtans hebben zij uitwerking gehad.

Tot nu toe heeft echter geen enkele theorie de latente kracht die tot verandering kan leiden vrijgemaakt en dat komt hoofdzakelijk omdat er geen rekening werd gehouden met de transcen­dente behoeften en krachten.

De belangrijkste schakels van de ketting wa­ren uitgeschakeld. Het willen der mensen boven het zinnelijke, tijdelijke, wereldlijke uit werd verloochend en niet benut.

 

Daarom misten de grote stromingen hun doel en verzandden. Daarom zal ook de huidige sociale stroming wederom verzanden. Daarom ontstonden ook de nevenstromingen, de nieuwe godsdiensten en geestelijke bewegingen, die ech­ter ook onmachtig waren het gemeenschapsleven grondig te veranderen en het innerlijke conflict op te lossen.

Wat gebeuren moet in het economisch han­delen van de mensheid behoeft men niet van te­voren theoretisch op spitsvondige wijze te ver­zinnen. Dat zal zich direct en vanzelf tonen, zodra het willen tot daad wordt, zodra de vaste verbinding tussen willen en daad tot stand is gebracht.

 

De samenstoot van werkelijk diep voelende, daadkrachtige en door innig begrijpen verenigde mensen zal genoeg zijn om overal de in grote massa opgestuwde kracht vrij te maken en het universele willen in daad te veranderen.

Maar deze mensen moeten een aantal zeld­zame eigenschappen hebben, zoals die reeds aangeduid zijn.

Zij moeten vrijheid van geest hebben, geduld om te willen begrijpen, hun hartstochten kunnen beheersen, moed en oorspronkelijkheid bezitten. Zij moeten belangrijk zijn en daadkrachtig, ini­tiatief tonen en van een gloeiende liefde vervuld zijn. Het dringen en gisten dat de gehele mens­heid beweegt, moeten zij. sterker in zich voelen dan anderen. De drijvende kracht die van een hogere bron afkomstig is, moet zich in hen duidelijker dan in doorsnee mensen openbaren.

Dit woord zullen velen lezen en de overgrote meerderheid zal zeggen: 'Dat kan niet'. Zij zul­len zeggen dat zulke mensen er niet zijn, dat zij elkander tóch niet liefhebben en vertrouwen, dat zij eenvoudig ruzie met elkaar zullen maken en met elkaar strijden en hun tijd verdoen met redetwisterij, dat ieder van hen de belangrijkste zal proberen te zijn, dat nijd, eerzucht, klein­geestigheid, afgunst hun kracht en hun samen­hang zullen vernietigen.

 

 

De mensheid zal ook vragen wat men dan nog voor een nieuwe taal nodig heeft, waarom de bestaande talen niet voldoende zijn. Zij zal denken dat taalkritiek hetzelfde is als filologie en dat er al filologen genoeg zijn. Wat betreft het transcendente zal zij zeggen: 'Er zijn al gods­diensten genoeg', wat betreft de economie zal zij zeggen: 'We hebben de professoren en de so­ciaal-democratie' .

 

Dat is allemaal heel juist en natuurlijk. Daar is het juist de grote meerderheid voor. Daarom zijn het juist doorsnee mensen. Het ontbreekt hen aan geloof, aan inzicht, aan geestdrift, aan vertrouwen, . aan fantasie. Zij stellen hun eigen gebrekkigheid bij alle anderen voorop. Hun zelfkennis en zelfonderzoek zijn niet diep' ge­noeg voor de juiste taalkritiek; zij kunnen niet aan iets geloven dat geheel anders is dan het hun bekende en genoemde. Zij kunnen slechts twij­felen en de schouders ophalen.

Dat is goed en zoals het hoort. Anders zou deze meerderheid niet kunnen bestaan. Haar kudde-instinct is haar zelfverzekering. Maar als een machtige leiding vooropgaat, zo volgen zij en volgen zelfs gaarne.

 

Slechts de leidende, oorspronkelijke geesten zullen begrijpen. Dat zijn er stellig maar weini­gen. Maar waarschijnlijk meer dan men kan weten.

Oorspronkelijkheid, fantasie, geestesvrijheid, wijsheid gaan niet altijd samen met een grote naam. Er zijn er wel veel die de benodigde eigenschappen hebben om in een groep geweldig en zegenrijk te werken, maar bij wie echter het vermogen of de behoefte ontbreekt om bekend en gewaardeerd te worden.

Ook zijn niet alle koninklijken kunstenaars of literatoren. Net zo min als alle kunstenaars of literatoren de koninklijke geest bezitten.

 

Nauwelijks vermoedt de menigte hoeveel hoge en edele gemoederen zij iedere dag kapot drukt en verlamt, en hoeveel zegen en heerlijk­heid zij daarmee aan zich zelf onttrekt. Dat is onvermijdelijk, omdat de menigte degene op wie zij niet gelijkt niet begrijpen kan en in haar kudde-instinct verdelgen wil wat haar samenhang dreigt te verstoren.

 

Toch is in deze uitzonderingsnaturen, die edeler zijn dan de doorsnede, het heil der mens­heid bewaard. Slechts enkelen van deze uitzon­deringen zijn taai en krachtig genoeg zich geheel afzonderlijk staande te houden. Men meent wel dat deze afzondering noodzakelijk en nuttig voor hen is. Dit is echter slechts waar indien zij zich van de menigte afzonderen en afstand ne­men, niet echter als men hieronder ook een scheiding van hun gelijken verstaat. Zo'n scheiding moet altijd hun energie schaden en hun evenwicht in gevaar brengen.

 

Geld! - De menigte zal direct over geld beginnen te praten.

Of de koninklijken dan geen geld nodig zullen hebben, waar zij dat vandaan zullen halen, hoe het mogelijk zal zijn tezamen te komen, te werken en te schrijven zonder geld. Zij zal vragen of er dan geen statuten zullen moeten zijn, of men lid moet worden en contributie moet betalen.

Dát, en nog veel meer moet en zal de menigte vragen - juist omdat het de menigte is.

De conflicten tussen de koninklijken en de menigte wortelen altijd in geldzaken.

 

In geld is de geest van tegenspraak van de menselijke maatschappij belichaamd. Daar ligt het punt van beroering tussen hoog willen en laag doen. Geld toont de fijnvoelenden voortdu­rend de gruwelijke verwarring der verhoudingen. Geld is een schitterende leugen, waardoor de edele geest, die altijd ietwat naïef en kinderlijk is, herhaaldelijk bedrogen wordt, terwijl de doorsneemens het bedrog in 't geheel niet meer bemerkt en dientengevolge zich zelf voor de slimmere houdt.

 

De koninklijke ziet het geld dikwijls als een nietswaardig speelgoed en bekommert er zich niet om. Opeens echter bemerkt hij hoe het zich in zijn diepste en heiligste gevoelens binnen­ dringt. Hij begeert niet geld, maar schoonheid, kundigheden, tijd voor nadenken; hij begeert ook de vrijgevigheid, de milde daad, het wel­doen, de barmhartigheid. En overal vindt hij dat verblindende goed in de weg staan en ziet hij zich gedwongen het te gebruiken. Hij ziet hoe het geld liegt, omdat het als teken van verdienste geldt, terwijl het geldbezit toch bijna nooit wer­kelijke verdienste aantoont. Hij ziet hoe het de mensen tot narren en misdadigers maakt en hij zou het 't liefste haten en verdoemen. Maar hij moet het eren en waarderen omdat het onont­beerlijk is als de wet, als de olie in de machine.

 

Het is als een kompas dat altijd verkeerd aanwijst, weliswaar onberekenbaar en verander­lijk, maar dat men toch gebruiken moet omdat er geen ander bestaat.

 

VOOR DE KONINKLI]KEN BEVAT IE­DER WOORD EEN LEUGEN EN IS ALLE GELD VALS GELD.

De menigte echter gebruikt het als iets goeds en er bestaat niets anders.

 

De menigte eert het geld alsof het werkelijk een equivalente prestatie betekende. Dat is de oude kuddeleugen waarmee zij zich reeds eeuwenlang tevreden stelt. De vervalsing van het geld kent zij precies en beoefent zij geheel onbeschaamd en algemeen. De soort van vervalsing door grond-, monopolie- en kapitaalbezit is, hoewel gecompliceerd toch zelfs voor zwakke verstanden te begrijpen. Nochtans houdt de leu­gen van de prestatie-gelijkwaardigheid zich met verbazende hardnekkigheid staande. Wellicht het merkwaardigste voorbeeld van direct onzinnige kuddebegrippen.

 

De edele van geest staat het geldverdienen tegen, omdat géén prestatie met geld juist ge­meten kan worden - en als hij geld heeft voelt hij geen eigendomsrecht er op. Daarom geeft hij het gaarne weg en kan niet voelen dat het hem meer toebehoort dan een ander. Daar hij ziet hoe geheel onwaardigen te veel geld hebben, verzet zijn trots zich er tegen, naar deze geheel onrechtvaardige macht te verlangen. Dat hij desondanks van geld afhankelijk is, prikkelt en

kwelt hem en het liefste bemerkt hij zo weinig mogelijk van deze troebele en onrechtvaardige geldzaken.

 

De menigte echter is niet zo fijngevoelig en past zich spoedig aan de hevig verwarde toestand aan, waarin zij echter voortdurend aanleiding tot cynisme en pessimisme vindt. Want men ziet een ieder in geldzaken tegen zijn eigenlijke overtui­ging handelen. Een ieder schaamt zich over een 'aalmoes', maar neemt onbeschaamd wat geluk en bedrog hem in de schoot werpen.

De situatie is die van een familie met een misdadige vader. De goede wijze kinderen schamen zich en zouden gaarne weggaan en vrij zijn. Maar de vader heeft de macht en dwingt allen van zijn misdadigerswinst te leven. De meerderheid van de kinderen past zich aan en wordt cynisch en onbeschaamd.

 

Hoe zich dit veranderen zal, kan men niet vooruit theoretisch bepalen. Want alles hangt van de zienswijze der mensen af. Verandering van de machtsverhoudingen zou niets betekenen, als de zienswijze, de waardering ten opzichte van geld niet verandert. En wetten kunnen slechts veranderd worden door een zienswijze. Een wet die aan het geld juiste prestatie-gelijkwaardigheid geeft, kan slechts ontstaan als de meerderheid de valse gelijkwaardigheid als zodanig voelt.

Slechts een groep van gelijkgezinden kan in geldzaken naar hun zienswijze handelen. Want het geld is evenals het woord het product van velen, van de gemeenschap, niet van de enkeling.

 

Het geld en de taal zijn de toetsstenen waaraan men de koninklijken herkennen kan.

Wie het bedrog van het geld en het bedrog der woorden niet bemerkt, heelt niet de juiste leidende geest. Want het komt niet op uiterlijke begaafdheid aan, maar op goed onderscheiden, op vrij oordeel en machtige liefdeskracht.

Niet ieder die men een genie noemt is een leidende geest. Men kan een beroemde onder­zoeker zijn en het gevoel omtrent de valsheid van geld en woorden geheel missen. Men kan een groot schilder of componist zijn en zich in 't geheel niet om de nood der mensheid bekom­meren. Men kan een machtig staatsman zijn en geen flauw vermoeden hebben van werkelijke geestesvrijheid. Alleen een groot dichter, in de beste zin, kan men niet zijn zonder deze ko­ninklijke leidende eigenschappen. Het zijn dan ook altijd de dichters die in de verandering van de maatschappij van despotisme naar de demo­cratie voorop gingen.

 

Iedere organisatie wankelt tussen twee ui­tersten, tussen de volledig gecentraliseerde en de volledig gedecentraliseerde werkzaamheid, al naar gelang de velen meer of minder zelfstandig of in afhankelijkheid van een leidende eenheid werken.

In de economische organisatie ziet men als uitersten autocratie en democratie.

Hoe lager de velen staan, des te meer hebben zij centrale leiding voor hun overeenstemming nodig.

Dit betekent dat een onontwikkeld volk om tot overeenstemming te komen het despotisme nodig heeft. Gecentraliseerde organisatie heeft geweld en dwang nodig. De verbinding heeft plaats zonder inzicht. De voor de eenwording zo nodige liefde en wijsheid gaat slechts van het middelpunt uit.

 

De mensheid streeft echter naar de decentralisatie, naar de eenwording door inzicht en liefde van ieder individu. .

De voltooiing van dit streven zou het ideale anarchisme zijn. Een volkomen eenheid door gelijke liefde en inzicht van ieder individu.

Dit is beslist wat Jezus bedoeld heeft met het Koninkrijk Gods. Daar verdwijnt iedere in­dividuele beperking, iedere dwang, iedere ge­hoorzaamheid - door volledig inzicht.

 

De rooms-katholieke kerk is het beste voor­beeld van een centrale geestelijke organisatie. Zij sluit iedere geestelijke vrijheid uit, is dus gericht tegen het streven' van de mensheid.

De kunst daarentegen werkt als de natuur­wetenschap zonder centralisatie. Zij verbreidt zich evenals deze zonder dwang, zonder propa­ganda. Zij heeft echter ook, evenals de weten­schap, geen leidend principe. Zij tracht on­ethisch, amoreel te worden omdat er geen transcendente, universele wijsheid is, waardoor zij zich ondergeschikt voelt.

 

Iedere godsdienst tracht kunst en weten­schap aan zich ondergeschikt te maken. Dat gelukt echter nooit; de twee krachten hebben zich altijd weer vrij gemaakt, juist omdat de godsdiensten nooit de waarachtige, transcen­dente eenheid waren die de mensheid zich ten doel stelt en verwacht.

Alle kunst neigt tot ontaarding en alle onethische, amorele kunst, voert op een dwaal­spoor, zolang er geen transcendente overeen­stemming bij de mensen bestaat.

 

Vooral de muziek is gevaarlijk. Zij leidt nooit, zij verheugt en bedwelmt. Zij behoort tot een hogere levenssfeer, tot de aanschouwelijk­heid, tot de transcendentie. En juist omdat wij daar nog geheel radeloos en onkundig tegenover staan, is zij voor ons de gevaarlijkste, ofschoon de meest verlokkende, heerlijkste en machtigste aller kunsten.

Meer dan alle andere neigt zij tot decadentie en ontaarding. Zij heeft nooit, zoals de natuurwetenschap, bij haar jongeren een verhoogde ethiek te voorschijn geroepen. En zij overwoe­kert met haar weekmakende betovering zelfs de kunstuiting die nog de meest scherp uitgespro­ken leidende kracht heeft: de dramatiek.

 

Vandaar de waarschuwing van de hervor­mers, ook van de vrije, koninklijke geesten, vanaf Plato tot Tolstoi, voor de kunst, vooral voor de muziek. Deze waarschuwing was natuur­lijk altijd tevergeefs, evenals het prediken tegen menselijke hartstochten. Want kunst en hartstochten zijn de mensen dierbaar en onontbeer­lijk. Maar het gevaar bestaat en ligt dáárin, dat beide, kunst en hartstochten, zich vergissen en op een dwaalspoor brengen, als zij niet onderge­schikt zijn aan een transcendente wijsheid­

­ Zonder deze leidt de natuurwetenschap naar het moeras van het materialisme. En slechts als de mensheid door een nieuwe overeenstemming gesterkt is, zal de kunst niet meer ontaarden en zal de oude zegenrijke heerlijkheid der muziek terugkeren.

De muziek is de schone sterke vrouw uit de sagen. Zij maakt slechts degene gelukkig die haar, met de ring van het inzicht, overwint. Als een boze demon verderft zij hem die zich aan haar overgeeft, zonder haar te kunnen over­meesteren en temmen.

Wij groeien echter boven de oude sagen en mythen uit. Wij beginnen de kracht van onze goddelijkheid te voelen. De mensheid rekt haar ledematen uit en rukt aan haar ketens. Wij weten reeds dat de aarde bij de hemel behoort. Wij leerden ook naar beneden te zien op de ladder van onze afkomst en leerden daaruit dat alleen het eigen geloof en de eigen wil de doelen plaatsen voor onze groei.

 

Het negatieve woord 'oneindigheid' klinkt ons vertrouwd en wij kunnen het slechts be­grijpen als een wegvallen van alle grenzen.

Wij willen niet meer tegen schijnbeelden aanleunen, maar het evenwicht in ons zelf vin­den.

De allerergste uit de kudde zijn de hoog­beschaafden, verfijnden, decadenten. Zij wéten wel en zouden wel willen, maar ontberen de kracht en verliezen derhalve het geloof. Te zwak voor leiding, te trots om te volgen, trachten zij hun superioriteit te handhaven door ironie en cynisme. Oude, moede, bange zielen als zij zijn lachten zij om jeugdige kracht en jeugdig ver­trouwen, bespotten die als zijnde kinderachtig en onbeholpen. In de kudde werkt hun schijn­baar overwicht verwarrend en hun lafheid aan­stekelijk. Zich in een woordenstrijd met hen in­laten, zou betekenen hun arrogantie versterken. Want het scherpe woord is hun enige wapen. Wie met krachtige weloverwogen daden aan hen voorbijgaat, laat hen machteloos achter zich. Want alleen komen zij niet van hun plaats en wie voor hun ironie ongevoelig is maakt hen geheel krachteloos.

 

Vrede! vrede! roept de mensheid. De geld­vorsten roepen, nadat zij zich in laaghartige worstelingen verrijkt hebben: 'Laat ons nu vrede sluiten!' De gekroonden en gekozenen, te mid­den van hun machtige vloten en legers, noemen zich allen vredevorsten.

Zó zegt de kat in de boom tegen de hond op de grond: 'Laten we vrede sluiten! ' Zó staan twee hanen tegenover elkaar en verklaren zich ten slotte toch tot de vrede geneigd omdat geen van beiden de strijd aandurft.

 

De koninklijke mens wenst de vrede niet, maar dát wat vrede brengen moet, de éénwor­ding en wederzijds begrip.

De menigte vreest de oorlog omdat zij angst voelt voor bloed, wonden, ellende en dood, omdat zij haar rustige en veilige bestaan niet verliezen wil.

Daar is zij juist de menigte voor. In haar leeft ieder voor zich en voor persoonlijke, tijdelijke, belangen. Zij wil de vrede tot elke prijs, uit lage motieven.

 

Zolang er echter een goede reden is voor oorlog, wenst de edele de vrede niet. Hij vreest noch de oorlog met zijn verschrikking, noch zoekt hij de vrede met zijn genoegen, maar hij vreest de waan en zoekt de waarheid.

De vredesapostelen zijn als de artsen die alleen maar de koorts bij hun zieken bestrijden en door koude baden en aspirine de temperatuur naar beneden brengen. Maar lage lichaamstempe­ratuur betekent nog geen gezondheid en vrede zonder begrip is als onder opschik verborgen vuiligheid.

 

De volkeren en vorsten parfumeren zich met vredeswoorden, opdat men hun boze vijande­lijkheid niet zal ruiken, zoals de fijne dames en heren in de middeleeuwen die zich zelf en hun kleren niet wasten.

 

Alleen elkaar begrijpen en transcendente overeenstemming, bewerken de duurzame vrede. Uiterlijke vrede zonder diepere eenheid geeft slechts verrotting, zoals staand water, zoals alle palliatieven. Slechts de sentimentelen, de kort­zichtigen, de laffen verkiezen de oneerlijke vrede boven een rechtvaardige oorlog.

De kuddebegrippen zijn milder, maar ook sentimenteler geworden. De wrede Romein beoefende een lichaamscultus. De huidige menigte doet aan een veiligheidscultus, die van het ge­noegen, het comfort. Zonder schaamte bidt het grote Amerikaanse volk tot de drie Goden Ge­zondheid, Welvaart en Lang Leven tot welker dienst de andere volken uit oude traditie zich nog niet openlijk bekeren.

 

Niets vreest de menigte meer dan lichaams­smarten, niets ergers kent zij dan de dood.

De machtige verenigende kracht, de na­tuurwetenschap, heeft immers tot op heden geleerd dat de mens maar een lichaam is en dus bij het sterven moet vergaan.

De oude godsdiensten vermogen daar niets tegen. En het eerste dat van de nieuwe geëist wordt is dat zij welvaart en gezondheid brengen. Ze moeten genezen en betalen.

Dit is allemaal heel juist en noodzakelijk. Daar is het juist de menigte voor. Zij klampt zich vast aan haar kuddebegrippen, omdat deze haar enige overeenstemming uitmaken. Ook zijn haar behoeften en begrippen tot zover geheel goed en rechtvaardig. Alleen de koninklijke voelt dat zij ontoereikend zijn. Hij neemt geen genoegen met zo'n geringe vreugde, met zo'n klein geluk dat de oude barbaren reeds verachtelijk voorkwam. Dáár hebben de edelen aller eeuwen hun ver­schrikkelijke strijd niet voor doorstaan. Dáár hebben de profeten zich niet voor laten stenigen en kruisigen en de martelaren hun bloed niet voor vergoten. De geestvervoering van een enkele kruisridder schijnt hem begeerlijker dan het on­nozele bestaan van duizend welgedane burgers.

 

Hij ziet boven het tijdelijke en wereldlijke uit en verlangt niet minder, maar méér dan wat alle godsdiensten geboden hebben. En hij voelt dat hij er recht op heeft, omdat hij zich de goddelijke kracht bewust is die binnen in hem woont.

Afgezonderd kan hij echter niet werken. Ofschoon hij anders is dan de menigte, behoort hij toch tot de menigte. Hij weet dat de godde­lijke kracht niet in hem alléén woont, maar in de menigte ligt opgestuwd en met ongeduld wacht, met dagelijks vermeerderde spanning.

Een enkele vonk kan de warmtegraad niet verwekken, die zo'n kracht tot ongehoorde werking vrijmaakt.

Daarom zoekt hij zijn gelijken, de 'Ebenbür­tigen', opdat de vlammen tezamen slaan en die­pere gloed te voorschijn brengen.

 

Het woord wordt uitgezonden en aan wijze­re, hogere leiding overgegeven. Het vindt zijn weg.

Een geduldig boekje, dat zich de koude blik van duizenden ongelovige ogen laat welgevallen. Dat ligt geheel in de orde der dingen. Want spot, ongeloof, ironie en scepticisme bevestigen slechts zijn rustige boodschap.

En als het al niet dadelijk vindt wie het zoekt, zo heeft dat geen haast. Boekjes overleven niet zo heel zelden hun schrijver - en er is óók nog een komend geslacht.

 

PRAGMATISCHE OPMERKINGEN

 

Alle levenspraktijk groeit organisch. Dat wil zeggen: door de diepere eenheid van het geheel; iets waarvan het individu zich slechts vaag be­wust is. Als het individu zich uitvoerige toekomstvoorstellingen maakt of ver doorgevoerde theoretische systemen uitdenkt, kunnen er niet anders dan vergissingen gemaakt worden. Het individu is slechts een orgaan van een groot lichaam. Het kan slechts de rol van een orgaan spelen, de leiding van het gehele lichaam komt hem niet toe, de ziel van de totale mensheid leeft nooit geheel en al in één individu, zelfs niet in het grootste en meest geniale.

Als wij streven naar een nieuwe eenwording van de mensheid, dan gehoorzamen wij ook slechts ons individueel instinct en wij kunnen niet verder vooruitzien en voorspellen dan tot in de nabije toekomst.

 

Dat dit gebeuren zich zal voltrekken, daar zijn wij zeker van en ook de aard en de manier kunnen wij in grote trekken aangeven. Als wij echter met exacte details proberen weer te geven hoé dit proces zich zal ontwikkelen, zullen wij beslist belachelijke fouten maken.

Wij zijn evenmin in staat om als individu de groei van het geheel te voorspellen als wij in staat zijn ons een voorstelling te maken van een hoger wezen, een godheid. De schoonste voor­stelling van een engel was altijd de belachelijke, absurde van een mens met vleugels.

Pragmatische opmerkingen over de aard en de manier der nieuwe eenwording moeten daarom uiterst terughoudend en met de grootste beperking gemaakt worden.

 

Zij hebben slechts de bedoeling het verwijt dat de idee onmogelijk en onuitvoerbaar is te ontzenuwen en misschien de zaak door concrete overbrenging beter te belichten.

Duidelijker dan ooit heeft zich in de laatste eeuwen het merkwaardige feit voorgedaan, dat zodra door volken de hoogst ontwikkelde cul­tuur scheen te zijn bereikt, dit niet altijd gepaard ging met een ethische en esthetische vooruitgang Weliswaar is er in deze cultuurstaten een betere wetsorde, een hogere welstand, een algemene zedenverfijning - maar geenszins gaat met af­neming van wanorde, ruwheid en wreedheid een verhoging van de individuele geestesgesteldheid samen.

 

Integendeel, het transcendente is de doorsneeburger van een westelijke cultuurstaat veel meer om 't even dan de Aziaat, de Ooster­ling. En alle reizigers die zich in het leven van minder ontwikkelde volken verdiept hebben zijn het er over eens dat die nog iets bezitten dat bij de hoogontwikkelde volken verloren is geraakt. Dit iets is moeilijk te omschrijven. Men kan zeg gen dat de cultuur mens minder dichterlijk en romantisch en meer bekrompen wordt. Aan hogere intelligentie paart hij een lage, nuchtere le­vensbeschouwing. Scepticisme, cynisme en mate­riële genotzucht zijn dikwijls in hem versterkt, de naïeve, kinderlijke karakterschoonheid is ge­degenereerd. En toch worden deze schoonheden door de edelsten van zijn volk even zo hoog ge­schat als waar ook ter wereld.

 

De doorsneemens der hoogst ontwikkelde moderne cultuurstaten staat in meerdere zeer belangrijke eigenschappen ten ach ter bij de doorsneemens der meeste primitieve volken. Zeer in het oog vallend is dit reeds op het gebied van de smaak, vooral in de kunstnijverheid.

Op de grote tentoonstellingen zijn het dik­wijls de min of meer barbaarse voorwerpen die het meeste aantrekken. De kunstnijverheidspro­ducten van de primitieve volken zijn bijna altijd mooier, smaakvoller dan die van de cultuursta­ten.

Het verdringen van de volkskunst van Ara­bieren, Indiërs, Chinezen en Japanners door de kunstnijverheidsproducten van het Westen, wordt algemeen door de reizigers betreurd. De Ethiopiër, de Polynesiër, de Indiaan heeft meer natuurlijk estetisch gevoel dan de doorsneecul­tuurmens, ofschoon de enkele grote kunstenaars van de cultuurvolken toch niet bij hun voor­gangers ten achter staan.

 

Dat de machine daar schuld aan zou hebben, is klaarblijkelijk onaannemelijk. De geest stuurt de machine en de vervlakking van de smaak is een wijd verbreid, geestelijk defect van de cultuurmens.

Maar ook ethisch is een achterlijkheid van de cultuurmens duidelijk te constateren.

De cultuurmens is bijna altijd iets meer wat men 'bekrompen' noemt dan de primitieve. Dat wil zeggen dat een zekere fijngevoeligheid, zowel in ethisch als in esthetisch opzicht, bij hem versleten, gedegenereerd is.

 

Veel reizigers zijn gelijkluidend in hun oor­deel, dat zij bij Arabieren, Indiërs, Indianen en bij negerstammen een sterker gevoel van waar­digheid, van wellevendheid, van hoffelijkheid, grootmoedigheid en ridderlijkheid gevonden hebben dan bij de doorsnee-cultuurmens. Ook daar, waar nog een dierlijke ruwheid en wreed­heid heerst die in de cultuurstaat niet meer tot de kuddegevoelens behoort, vindt men bij pri­mitieve volken karaktertrekken, een levenshouding en een levenswijze, die bij de cultuur': mens verloren gingen of slechts geheel bij uit­zondering behouden bleven.

 

Het gaat niet aan dit feit door rassenverschil­len te verklaren. Alleen daarom al niet, omdat de cultuurmens deze goede eigenschappen van primitieven kent en zijn neiging tot romantiek en poëzie hem soms drijft tot een ongerecht­vaardigde verering van de primitief. Hij erkent dus zijn defect als een gemis en toont daarmee dat deze karaktereigenschappen tóch dierbaar en natuurlijk voor hem zijn. Wel bijzonder duidelijk wordt deze ethische achterstand in de nieuwe tijd door de confron­tatie tussen West en Oost. De grote cultuurvol­ken van het Oosten, de Arabieren, Indiërs, Chi­nezen en Japanners, voelden de materiële supe­rioriteit van de Westerse cultuurvolken, maar ondervonden tegelijkertijd dat zij zelf in hun achterstand goede ethische eigenschappen be­houden hebben die in de cultuur van het Westen gedegenereerd zijn.

 

Zij kunnen de volkomen superioriteit van het Westen niet erkennen en dat het daarbij niet om een rassenonderscheid maar om een wer­kelijk defect gaat, wordt wederom daardoor bewezen, dat de besten, de uitzonderingen onder de Westerlingen het daarover gaarne met de Oosterlingen eens zijn.

Ook zijn deze ethisch-esthetische defecten niet gelijkmatig in de cultuurvolken verbreid. Zij zijn het ergste dáár, waar het practische leven het drukste en de materiële welvaart het grootste is. De arme Noorse boer is niet bekrompen, evenmin als de arme Spanjaard of Italiaan.

 

Ruwheid en grofheid gaan dikwijls samen met een zeker karakterideaal, met poëtische, artistieke en romantische gevoelens. Bij de Russen vinden wij een zeer merkwaardig mengsel van onvolledige cultuur en buitengewoon verfijnde en verdiepte geestelijke gevoelens.

In Duitsland, Engeland en Amerika daarente­gen zijn de bovengenoemde ethisch-esthetische defecten zeer uitgesproken. De doorsneemens in deze staten is een prozaïsch, nuchter en esthe­tisch grofvoelend mens - een bekrompene!

 

Maar tegelijk en desalniettemin is de elite­mens uit deze staten, de edele en koninklijke, niet minder ontvankelijk voor de hoogste gees­telijke gevoelens en opwellingen dan de edelste uit de meer primitieve volken. In hem werkt de neiging tot poëtische en ethisch-esthetische schoonheid, naar transcendente geestesdiepte, niet minder krachtig dan in de hoogstbegaafde Oosterling.

 

De mensheid wil noch haar ordening, haar maatschappelijke organisatie, haar materiële welgesteldheid, noch haar geestesdiepte, haar karakterschoonheid, haar waardigheid en voornaamheid en haar transcendente neigingen en talenten verliezen. Dáár vullen Oost en West elkaar aan en beiden hebben elkaar nodig.

Het onderscheid tussen een gezeten burger uit Berlijn of New York en een hoogbeschaafde Brahmaan of Chinees, is net zo groot en ver­schrikkelijk als dat tussen een ruwe Chinese koelie en een Europese onderzoeker of dichter. Alleen is het verschil van geheel andere aard.

Ook gaat het niet aan te zeggen dat deze cultuurvolken van het Westen over 't geheel hoger staan dan die van het Oosten, enkel omdat zij beter geordend en bewapend zijn. Voorzeker zijn hun kuddegevoelens, hun massabegrippen in zeker opzicht beter, maar in ander opzicht ook weer achterlijker.

 

Een eerlijk oordeel zou slechts plaats kunnen hebben, als wij de neigingen, gevoelens en talen­ten der allerbesten aan elkaar toetsten en met elkaar vergeleken.

Daarom is juist het tezamenkomen dezer edelsten van Oost en West van zo overgroot belang.

Bij de Japanners heeft men gezien hoe ge­makkelijk deze uiterlijke cultuur van het Westen - ook de wetenschappelijke - zich in korte tijd laat overnemen.

Als de Westerse cultuur die door zovelen als een hoge bloei en als een bewijs van de superioriteit van de Europese mens wordt gezien, thans haar leidende positie handhaven wil, dan moet zij de ethisch-esthetische en transcendente voortreffelijkheden der primitieve en Oosterse volken niet slechts in zich opnemen, maar verder doorvoeren.

 

Sinds een Oosters volk een Europees door de wapenen overwonnen heeft, moet het Westen een hoger soort superioriteit tonen wil het 't Oosten imponeren. Met zijn verschraalde godsdiensten zal het Westen in het Oosten niets meer bereiken. Hun vruchten zijn niets minder hard en bitter dan die der Oosterse sekten. Ja, het zou een interessante these zijn te beweren dat het wonderbaarlijke aanpassingsvermogen van het Japanse volk aan zijn relatieve godsdienstvrijheid is te danken.

Nu is de grote vraag: zal het Oosten zich verwestersen of omgekeerd?

 

Of misschien in nauwer, maar fijner anti­these: zal Rusland zich amerikaniseren of zal Amerika zich russificeren - en wát zou de gelukkigste mengeling zijn?

Want het gebrek aan esthetiek en transcen­dente diepzinnigheid van de Amerikanen doet de edele net zo onsympathiek aan als het gebrek aan individuele discipline en uiterlijke beschaving van de Russen. Daarbij moet vóór alles in aanmerking worden genomen dat de verschillen slechts relatief zijn en dat de edelsten aller naties noch de gebreken van hun eigen volk billijken, noch de voortreffelijkheden der anderen misken­nen.

 

Dit betekent niet slechts dat de nagestreefde universele eenwording der mensheid mogelijk is, maar ook dat zij onvoorwaardelijk plaats moet hebben.

Dat er hoogbeschaafde Arabieren, Indiërs, Chinezen, Japanners en zelfs Polynesiërs en Ethiopiërs bestaan die voor dit woord ontvan­kelijk zijn en het grote doel begrijpen kunnen, is voor de schrijver van dit boekje niet twijfel­achtig. Onder de diepzinnige volken der Indiërs en Chinezen zal er waarschijnlijk een groter aan­tal van dezulken zijn dan onder de Westerse cultuurvolken, waar de materialistische wetenschap en de dogmatische godsdiensten zoveel geestelij­ke verwoestingen aangericht hebben.

 

Slechts als de cultuur van het Westen met deze gezindheid, zoals in dit boekje is uit­gedrukt, tot het Oosten komt, zal zij blijmoedig en geestdriftig ontvangen worden.

En deze mengeling van West en Oost zal een belangrijk en mooi gevolg hebben, namelijk dat de edelen zich vanzelf uit de kluisters van hun taal vrijmaken. Ook als zij zich op de samenkomsten van een der meest verspreide cultuur­talen bedienen - hetzij Engels, Duits, Frans of Spaans - dan worden .zij gedwongen al het lokale, idiomatische en beperkte te vermijden. Zij zullen meer in beelden en parabelen moeten spreken, die voor ieder mens begrijpelijk zijn.

 

Vooral de systeemtaal der metafysici zal ab­soluut onbruikbaar zijn. Men denke zich bijvoorbeeld eens een Hegeliaan die het met een Chinees eens moet worden! Al het provinciale en beperkte zal universeel gemaakt worden. Noodzakelijk zal zich reeds in de aanvang iets vormen dat door eenvoud en klaarheid aan de kracht en zwaarte der antieken, aan de bondige en beeldrijke taal der oude wijzen herinnert, maar verrijkt met alle verworvenheden van de nieuwere fysica.

 

Het woord zal meer en meer tot letter worden en slechts door samenvoeging werken ­en het nieuwe, onbeschrijfbare eenwordings­middel, de transcendente taal, voorbereiden.

De taal dwingt ons, daar een voorbijgegane cultuur een overwegend mannelijke schepping was, overal de mannelijke woordvorm te ge­bruiken als wij over 'mens' spreken. Maar vrouwen zijn ook als 'mensen' erkend.

De hoogste geestelijke autoriteit kan slechts stoelen op roeping, zelfverheffing, zelfkeuze. Als er een openbaring van goddelijke leiding bestaat, dan toont. deze zich slechts in de geestelijke bevoorrechting van afzonderlijke individuen. En deze bevoorrechting wordt alleen door het zelfbewustzijn erkend, stellig niet door de waarneming en waardering van de menigte. De menigte ziet en waardeert hen slechts nadat zij zich zelf aangekondigd hebben.

 

Nooit kan ook politieke of economische macht de geestelijke autoriteit bepalen. Het is belachelijk om aan te nemen dat een geld­magnaat krachtens zijn rijkdom of een staats­vorst krachtens zijn positie over profeten, dich­ters, kunstenaars en wijzen zou kunnen oordelen en bevoegd zou zijn om ze door lof of prijs, door geldsommen of ridderorden te onderscheiden.

De menigte verleent politieke en econo­mische autoriteit door haar slaafsheid, door gehoorzaamheid en ondergeschiktheid, soms door vrijwillig inzicht en keuze. Maar de geestelijke autoriteit kan door de menigte niet bepaald worden, juist omdat het karakteristiek is voor de menigte, dat zij het nodige vrije inzicht voor een juiste keuze niet bezit. Eerst nadat de geestelijke leiders zich zelf hebben gekozen, kan de menigte deze keuze bekrachtigen door gehoorzaamheid en erkenning.

 

De bevrijding van de geestelijke autoriteit uit de politieke en economische macht is het grote beschavingswerk van onze tijd. Tasso en Leonardo moesten zich schikken naar de poli­tieke macht, Goethe was nog hoveling en Tennyson nog bekroond dichter, maar Shelley, Hugo, Tolstoi waren zich al van hun koninklijke waardigheid en positie bewust en het zal de geldheersers en staatsbestuurders steeds zwaar­ der vallen hun autoriteit tegenover de vrije heerschappij van de geest te handhaven.

 

Heeft dan ooit een staatsvorst of geldmag­naat getoond dat hij werkelijk aan de goddelijk­heid geloofde, aan de macht van de geest en de gedachte? Heeft ooit een van hen déze gedachte gehad, de edelen tezamen te roepen en een Koninkrijk van de Geest te stichten?

Slechts dán zou hij misschien van 'genade gods' hebben kunnen spreken.

Voor de eerste maal in de menselijke ge­schiedenis zal men feitelijk en voortdurend zich aan Gods beschikking en leiding overgeven, doordat men overal en iedere dag voorbereid blijft op een nieuwe openbaring door een geeste­lijk onderscheiden, goddelijk uitverkoren indi­vidu.

 

Dit heeft nooit plaats gevonden omdat de mens zich altijd verwarde in zijn woorden, zich altijd verwarde in zijn begrippen, zich zelf vast­bond en verblindde in hartstochten, dogma's en hypothesen. De invloed der bevrijding moet ongehoord en zonder weerga zijn:

In de filosofie of metafysica of transcen­dentie gaat het er om het met elkaar eens te worden door wederzijds begrip, door taalkritiek, door vertrouwen en geduld, door zelfbeheersing en innerlijke bevrijding, door liefdevolle aan­dacht.

In de kunst gaat het om een vrije volstrekt eerlijke en oorspronkelijke uiting van de smaak en het onderzoek van de hoogste levensleidende gedachten.

 

In de wetenschap gaat het om de bestrijding van de materialistische waan en eveneens om de onderwerping aan het bovenzinnelijke ( trans­cendente) en het hoogste levensgedrag.

In de politiek gaat het om de handhaving en geleidelijke verbetering van de gevestigde orde tot volledige ontvoogding en mondigverklaring van het gehele mensdom volgt.

In de economie gaat het om de verbetering en voltooiing van het productie- en distributieapparaat, de bestrijding van het bedrog in het maatschappelijk leven, de overbrenging van indi­vidueel belang naar algemeen belang, van het in­dividueel bezit van welvaartsbronnen tot ge­meenschappelijk bezit.

 

De politiek-economische organisatie der mensen is maar een uiterlijke, schijnbare - de werkelijke organisatie is de geestelijke en tot verbetering van deze werkelijke organisatie moet de bewuste wil ingrijpen zoals het nog nooit gebeurde.

Dit is de taak van de koninklijken en al hun werk wordt beïnvloed door hun liefde, door hun voortdurend voelen van de grote menselijke nood

Vervullen zij deze taak goed, worden zij het voldoende eens, maken zij zich genoeg verstaan­baar, dan zal hun invloed baanbreken en door­dringen, zoals een zee de dijken overspoelt, zoals een bosbrand om zich heen grijpt, geweldig en alles overwinnend, in ongelofelijk korte tijd.

Ja, men kan zeggen dat zolang dit overwel­digende effect niet bereikt wordt, hun taak niet vervuld, hun werk niet goed gedaan is.

 

Want het is niet waar dat de individuen nog niet rijp geworden zijn voor een juiste geestelijke organisatie.

Zij zijn nog niet rijp geworden voor een ideaal anarchisme, zoals dit Jezus en Tolstoi voor ogen zweefde, waar alle menselijke autori­teit door goddelijke autoriteit vervangen is en de mens in de hoogste menselijke zin vrij zou zijn. De meerderheid, de grote menigte is nog als kinderen, zij heeft wetten, overheid, discipline, heerschappij nodig.

Maar zij heeft een geestelijke heerschappij nodig, de geweldheerschappij is zij reeds lang ontgroeid. Dat thans het geweld nog altijd moet ingrijpen, dat politie en leger nog altijd onontbeerlijk zijn, is slechts het gevolg van een gebrek­kige geestelijke organisatie. Ook de ruwste, kin­derlijkste mens zou gaarne een geestelijke auto­riteit gehoorzamen, ja voor haar de dood ingaan, als zij hem maar bestendig en betrouwbaar zou voorkomen.

 

Ook de misdadiger heeft zijn eergevoel onder zijn gelijken; geen mens handelt slechts uit vrees voor slagen; alle menselijke werkzaamheid wordt bepaald door geestelijke motieven, die de driften en instincten besturen.

Het leven is een kiezende en richtinggevende macht, die essentieel verschillend is van de fysieke energie. Deze macht stuurt en richt de energie, maar haar fysieke werking staat in geen enkele verhouding tot haar ruimtelijke grootte. Eén enkele zaadkorrel kan een oneindige woes­tijn in een groot bos veranderen.

 

De menigte, ook de 'intelligente' menigte, ligt in een monsterachtige waan bevangen; zij meent vrij en zelfstandig te denken en te voelen. Zij kent haar kuddewezen, haar onmondigheid niet. De vrije en edele, die uit bescheidenheid, uit hoffelijkheid, uit vrees om te ergeren deze waan vleit en hem versterkt, verzuimt zijn plicht. Vóór alles moet hij oprecht zijn. De miljoenen individuen van het mensheids­lichaam liggen nog machteloos her en der in twijfel, waan en leugen terneer. Slechts het energiek gehandhaafde Koninkrijk van de Geest kan ze polariseren.

 

Zo'n macht zal het Koninkrijk van de Geest uitoefenen. Zij is zelf geen fysieke energie, haar ruimtelijke en tijdelijke en materiële middelen kunnen oneindig klein zijn. Echter door de juiste richting aan te geven brengt zij de grootste fysieke werkingen teweeg en kan alle in de mensen aanwezige energie aan haar liefdevolle heerschappij onderwerpen.

 

 
 
Gastenboek
 
 
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:28