Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

ELLEN
Een Lied van de Smart
(1891)

 

 

 

Eerste Zang.

 

O bleeke roos! in 't dor, droefgeestig land

Kwijnend op droef gebogen stengel; - bloem

Gevat door ruwe handen en gekust

Door lippen voor wie d' aard te heilig is,

Waarin Gij zijt gegroeid, - zoo niet mijn tranen,

Zoo niet mijn stem het edel wit ontwijdt

Dier blanke reinheid, en Uw teerheid krenkt,

Laat mij dan knielen en Uw Leed beschreien

En tot U opzien, zeggend wie Gij zijt!

  

U zien - is gaan in een groot paradijs,

Waaraan geen eind is, geen beginnen was,

Dat l het Leven, l de wereld maakt

Zonder gedachten of geheugenis

Aan wat geweest is of nog komen zal, -

Bloemen zijn voor mijn voeten, bergen staan

Blauw onder 't Hemelblauw en sluiten af

De wereld die 'k eens kende, - verder niet

Gaan mijn gedachten dan waar is en leeft

Uw wezen, Uw gezegend bijzijn, waar

De glans valt van Uw aangezicht, - Uw voet

Beweegt in lichtkring van dien wond'ren schijn.

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Aandachtig zie ik en mijn oogen zijn

Gansch aan U vastgebonden. O! Beweeg

De witte, slanke handen niet! dat is

Of Gij mijn hoofd, mijn hart, mijn handen trekt

Met sterke draden die mij smartlijk zijn.

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

De uren gaan en ik besef het niet, -

Daar is geen tijd, geen volgen van gedachten,

Geen weten en herinn'ren in dit hoofd,

Zoolang 'k U zien mag. - Wat ik ben en was,

Wat ik gedaan heb, zijn zal, - alles is

Verstoven als een schuwe zwerm voor 't licht

Van Uw verschijning, - mij is Uw gelaat

God's Zon doorbrekend in een schimmenrijk -

Het droeve volk van deze donk're ziel

Heeft niet geweten wat het zonlicht is,

Nu schuilt het ver en blijft zeer angstig stil,

Zoolang Uw heil'ge glans de ruimte vult

Van mijn diepst binnenst, waar nooit Licht in viel.

  

God! was dit hier z groot! dit wist ik niet,

Is dt mijn ziel, dit hooge, schoone Huis,

Waar alles straalt en flonkert, waar goudwaas

Opwolkt langs donkerrotsige gewelven,

Hoog als de nacht, waar diamanten hangen

Stil-flonkrend in den gloed, goud-ader blinkt

In brokkeligen wand van witten steen?

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

 

En stil! z stil! - n ritselend geruisch

Van stemmen, vroeger dierbaar, ns het liefst,

Nu niet meer mijn, - nu fluistrend ver en zacht,

Als 't zachte tink'len van neerdropplend water,

Dat leekt in donk're grotten, ongezien, -

Maar Gij, in statelijk bewegen, gaat

Door d' effen stilte, als een melodie,

De hoogste, - nigste, - die, meest volkomen

Golvend in volle, breede zuiverheid,

All' aard-geboren klanken overstemt. -

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Ik zie U aan en kan niet anders doen,

Maar ik begrijp niet, wat ik zie. Ik zoek

Uw zoete Zelf in wat mijn oogen zien

En vind het niet, - 'k zie kleuren wonderfijn,

Geel van thee-rozen, teeder-violet

In amberschaduw van goud-glanzend bruin,

Fijn-stralig grijs der iris om diep zwart

Van de' oogen-afgrond, - maar U zie ik niet!

Want ik wil 't l vasthouden wat Gij zijt

Met mijn twee oogen, - maar zij kunnen 't niet.

Z angstig is dat, als het mij zou zijn,

Wanneer 'k een geestgestalte wakend zag

En 't wist - en nog wou letten in mijn schrik

Hoe 't is in mij, zoolang zulk wonder leeft, -

Zoo staar ik angstig en begrijp mij niet! -

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Want anders zie 'k U, anders valt het licht

Op U dan op wat om U is, - daar straalt

Een eigen glans, goudachtig, om U zelf,

Die schittert in mijn oogen, als op straat

De fijne jachtsneeuw, 's avonds, bij hel licht.

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

 

Ik droomde 't Leven als een groot, groen bosch,

De vogels zwegen en het loof hing stil,

De beken vloeiden niet, geen windgerucht

Voer door de takken, - en het gras boog niet, -

Eenzaam lag k daar, tusschen zwijgend loof.

Het was een bange droom, - want alle dingen

Die ik toch schoon wist, waren mij zoo vreemd,

Spoken van schoonheid in vaal schimmenlichr, -

Toen zag ik dalen, in een aureool

Van cirkels blauw en goud, een witte duif,

En met die brak ook 't zongoud over 't al,

Kwam wind aanruischen, en het woud werd vol

Vogelenstemmen en zacht beekgezang,

Zoodat het eenzaam Schoon dier doode dingen,

Opvonkelend in blij en levend licht,

Leefde te saam in 't allerhgste Schoon.

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Gij, Liefste! zijt het sneeuwwit middenpunt

Van mijne wereld, en in U vereend

Worden de stralen van mijn Lichtbestaan.

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Gij, Liefste! zijt mijn bloeiend akkerland,

Waarover wijd God's blauwe hemel straalt.

Hg spruit het heerlijk, gouden graan, dat zijn

Uw heerlijk-gouden woorden - en daarin

Zie ik de bloemesterren hemelblauw,

De blauwe vonken van God's heil'ge Liefde, -

Stil ga ik 't smalle pad, zon in mijn hart,

Licht is mijn voet, de korenhoofdjes streelen

Mijn blijde, wijde handen en ik fluit, -

Hoe is de zon zoo licht! mijn Lief zoo goed!

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Waarom hebt Gij den Dood zoo lief, mijn Lief?

Wel ben ik niet afgunstig, maar toch schijnt

Mijn levend hart m' Uw levend schoon meer waard

Dan Hij, die zwijgend en verterend mint,

Uw stem niet wil en niet Uw oogenlicht,

Maar 't arme lijf alleen, dat het geheel

Vergaan moet voor zijn koude liefdevlam. -

Hij zal Uw schoon niet sparen, weet het wel!

Hij is zelfzuchtig, Hij ontziet U niet, -

Wat zijn Uw zoete woorden Hem, Hij zal

Bleek kussen Uwen lieven, rooden mond,

Hij geeft niet om den minnelijken glans

Dier twee zacht' oogen, die zal Hij uitdooven, -

Uw lachen is Hem niets, ja! zelfs Uw tranen,

Mijn God! Uw tranen kunnen Hem niet roeren...

Hebt Gij mj dan niet liever, die ze eens

In zielsangst weggekust heb van Uw wang?

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Dat Gij mij dt laat lijden, Liefste mijn!

Dat is het bitterst, dat Ge niet om mij

Wilt afzien van dien sombren, slechten Man,

Dat Gij nog goed spreekt van Zijn donk're Liefde,

Zijn goedheid prijst - en naar den druk verlangt,

O gruwelijk bedenken! naar den druk

Van Zijn ijsvingers om Uw zachten hals! -

Denk! Denk! mijn Lief! - Uw blanke, teere Lijf

In de omarming, die nooit aflaat meer! -

Ik heb Hem nooit bemind, nu haat ik Hem,

Fel haat ik Hem, Hij heeft mijn Lief bedorven,

Met Zijn hol-oogen in Haar hart gestaard,

Dat Zij Hem moet beminnen, eeuwiglijk! -

God! kan nu l mijn warm, rood bloed niet blusschen

Die giftig-bleeke, koude passie-vlam?

 . . . . . . . . . . . . . . . . .

  

Wat heeft Hj, Lief, dat k niet geven kan?

Is U Zjn zwijgen liever dan mjn stem?

Is Hij niet wreed, en droef, en dor, en hard,

Zonder meedoogen, vol baatzuchtigheid?

Dat monster kunt Gij toch niet minnen, wel?

Daar Gij mj hebt, die zijn reinst-brandend Licht,

Die zijn schoonst-bloeiend Leven gansch wil geven,

En U zal zeeg'nen als Gij 't nemen wilt?

 

 

Tweede Zang.

 

I.

 

Hg boven menschen en hun klein bestaan

Zweeft er een vlucht: breed-vleugelig' accoorden,

Dat zijn mijn boden, mijn getrouwe woorden,

Die mijn vr Lief vertroosting brengen gaan.

  

Vrees niet! de menschen zullen 't niet verstaan,

Schoon zij het groot geruisch der vleug'len hoorden,

Menschen zijn klein, hg is der Lied'ren baan,

Zij kunnen hen niet vatten, noch vermoorden.

  

Zoo ga dan snel, mijn zang, mijn afgezant!

Breng zachten troost! - Mijn Lief is zeer verlaten,

De nacht is koud en duister 't eenzaam land, -

  

O! mijn verlaten, - o! mijn arm, droef Lam!

Het doet zoo bng om zijnen Herder blaten,

Of die niet keerde, - en het halen kwam!

 

II.

 

Laat mij begrijpen, Heer! - Ziet Gij dan niet

Mijn lippen droog, mijn oogen rood-gekreten

Van angstig zoeken, dat ik toch moog weten

Uw heil'gen Wil? - Maar Gij onthult dien niet!

  

Hoort daar ng meer toe dan dt wreed Verdriet,

Dit schoon vernield, dt kostbaarst weggesmeten,

Die ziel verscheurd, dit Hart van-n gereten,

Dat toch om God's wil 't liefste Zelf verstiet?

  

Ik ben tot l bereid, mijn Soeverein!

Wat kan ik meer? - Nu ligt het Lief verloren,

Zij zal verkwijnen en wel sterven gaan, -

  

Dat heb k zelf, voor U, o God! gedaan!

Zal ik dan ng Uw groote Stem niet hooren,

Dat dit in waarheid Uwe wegen zijn

 

III.

 

Kunt Gij nog wreeder slaan! - mijn God! mijn God!

Zie, ik ben sterk en breken zal ik niet,

Maar was er n dien Gij z lijden liet,

Wijl hij U lief had, boven zielsgenot?

  

En ng zal ik niet vloeken 't menschbestaan,

En 't Leven niet, en Uwen naam niet smaden,

Zelfs met dt matelooze Leed beladen,

Neem ik het Leven uit Uw handen aan.

  

Maar schrijf dan ook, ter keerzij mijner schuld,

Dat ns een mensenkind, z diep in ellende,

Z ver verloren in een nacht van rouw,

  

De maat zijns droeven Levens heeft vervuld,

En schoon hij 't bitterst dezer wereld kende,

Toch durfde leven en niet sterven wou!

 

IV.

 

Over de wereld ging ik, hoog in Haat,

Nu ga ik hoog in Liefde, dat is meer!

Uit Liefde zijn wij en in Liefde weer

Zullen wij vinden eeuw'gen Toeverlaat.

  

In trots heb ik het menschgeslacht gesmaad,

Toch zijt ook Gij uit hen, Lief, dat ik eer!

En door het Lijden van Uw Lichaam teer

Is mij ontzondigd aller menschen kwaad.

  

Schn zag ik op een troon van zwart en goud

Koud-glinstrend in den nacht, den harden Haat,

Waar Hij in sterk verachten hoont en tart,

  

Maar schner heb ik Liefdes Licht aanschouwd,

Den Smartenglans om Uw vlschoon gelaat,

In Vlammenweerschijn van God's brandend Hart!

 

V.

 

Ja! Uit Uw Smarten is het, dat ik weet:

God is een God van Lijden, niet van Lust.

Hij is de Smartenman, en wien Hj kust,

Moet bloeden uit veel wonden, diep en wreed.

  

U had Hij lief, mijn Lief! en daarom deed

Hij U dit dragen, zonder steun of rust.

In Uwe Ziel werd d' Al-smart zich bewust, -

Schoonst' Incarnatie van God's eigen Leed.

  

Zoo dt niet waar, - kon daar een God bestaan,

Die z deed schreien die stil-duldend' oogen,

Dit teere Lijf sloeg met z scherpe pijn,

  

Zlf tronend in almachtig Zalig-zijn, -

Ik vloekte Hem, als een verfoeibre Logen,

Schennend in hoon Zijn gruw'lijk' Almacht aan!

 

VI.

 

O Ziel! die aan mijn Ziel zich ns verbonden

En alle Heil hebt van mjn Hand verwacht,

Maar door die Hand U onherstelb're wonden

En weedom zwaar hebt voelen toegebracht, -

  

En nochtans 't hoog Verbond niet hebt geschonden,

Getrouw'lijk minnend, zonder smaad, of klacht, -

N is voorwaar verwnderlijk bevonden

Uw groote Trouw en Uwer Liefde kracht!

  

Groot Hart! dat meer hebt om mjn Leed geleden

Dan om Uw arme Zelf, - en toch door mij

Uw schoonst kleinood met voeten zaagt getreden,

  

Nu gaat Gij in barmhartigheid naast mij,

En koelt mijn hoofd en steunt mijn moede schreden,

In deze groote, dorre woestenij! -

 

VII.

 

Wee mij! Wee mij! - dat ik het dorst bestaan,

In kamp te treden met dien sterken Man!

De twee hol-oogen zien mij honend aan,

Wel wetend wie het lngst vlhouden kan.

  

Koel-wreed aanschouwt Hij 't dwaas beginnen van

Den kleinen mensch, - laat hem een wijl begaan, -

Dan rijst Hij grimmig uit Zijn rust, - en dan -

Zal Hij Zijn klauwen in Uw hartvleesch slaan! -

  

Ons ller arme Lijf is Hm verkocht,

Delgend de schuld van onzen Zondenval, -

 

En l het Leed, U door mjn hand gewrocht,

Hj maakt het eeuw'ge vrede, - ns voor al, -

 

En kan ik u verwijten dat Gij zocht

Den Minnaar die U nit verlaten zal?

 

VIII.

 

Maar daar is Lijden schooner dan de Dood, -

Want niet om niet wordt 't menschenhart vertreden,

De brand der zielen is het morgenrood

Waaruit licht-stil zal dagen Hemelvrede.

  

Des Vaders Strijd en Zijn Vertwijf'ling groot

Wordt in het hart der kind'ren uitgestreden,

Hj wordt verheerlijkt door den Ziele-nood

Der martelaren die Zjn Naam beleden.

  

Gedenk dan, Kind! eer Gij te sterven vraagt,

Dat dooden God gen eere kunnen geven,

  

Maar slechts wie 't Lijden voor den Eeuw'ge draagt,

Die lever U moet zijn dan Dood of Leven,

  

Daar er een God is, die zelf Lijden heet

En heerlijk Heil zal maken uit Uw Leed.

 

IX.

 

Nu wordt mijn leven n schoon, droef Verhaal

Van 't wondre bloeien dezer Lijdensplant,

Aan dt zijn alle woorden mijner taal,

Al mijn zielsklanken voor ltijd verpand. -

  

O Leed-bloem! - Smarten-Lelie! - Bleek Opaal

Van Lijden, glanzend in rood-gouden rand

Van mijne Liefde! - Blank-albasten Schaal,

Waarin hoog-stijgend, onbewogen brandt

  

De Offervlam, met haar klaar-stralend licht! -

Gij zijt mijn Godslamp, - Gij mijn wit Altaar,

Waarop ik 't liefste goed den Heere wijd, -

  

Mijn Vuur-kolom, - mijn Leidstar wonderbaar, -

Mijn Marmer-rots, waar vast geankerd ligt

Het hecht Geloof aan 's menschen Heerlijkheid.

 

DERDE ZANG.

 

I.

 

Onmachtig in een oceaan van wee

Drijft mijn bleek hoofd, - als met gebroken blaren

Een witte waterroos, - en deint gedwee

Op trage golving van groot-donk're baren,

  

Mijn armen hangen roerloos - en mijn twee

Wijd-open oogen, in doods-strakheid, staren -

Waar zij nog 't laatste schemerlicht ontwaren

Van verre kusten, - ondergaand in zee. -

  

Daar was mijn land, - mijn land, - mijn warm, lief thuis,

Mijn eigen licht-schoon rijk, - z kort bestuurd

En reeds geweken voor een nacht - z lang....

  

Of nu die bange nacht dan ltijd duurt,

Waarin niets is, als 't wilde wind-gezang

En eindloos ver droef-duister golfgeruisch?

 

II.

 

Ik lig op mijn stil dood-bed, - heel alleen, -

Ik weet het wl: - nu zal het hart gaan breken, -

Uit mijn onheelb're, wijde wonde leeken

De trage, donk're droppen, - n voor n. -

  

In drop bij drop vloeit mijn rijk leven heen, -

Ik wacht het stil, - zie naar het staag verbleeken

Der kleuren mijner wereld, - zij geleken

Z onvergank'lijk, - nog z kort gelen.

  

Daarbuiten wachten dorre boomen, zwart

In schitterkou der wijde winternacht,

Hoe nu mijn groote Smart versteenen gaat, -

  

En in een akeligen lach verstard,

Houdt aan den starrenloozen Hemel wacht,

Dood-koud en steen-bleek, 't ronde Maan-gelaat.

 

III.

 

Maar elke drop, waarmee mijn Leven vlood,

Valt met sonoor en wonder-groot geluid

In 't droef Gerucht der Menschelijks Nood: -

Een leed-zwaar Woord, dat Liefd' en Troost beduidt.

  

En waar ik 't donker Smartenbloed vergoot,

Nog van fel-brandend Leven warm, - daar spruit

Roode Bloed-bloesem van Vertroosting uit,

En tooit zoo schoon de bleekheid van mijn dood.

  

Zoo is 't mij wl, - als ik het Leven liet

Tot baat van Velen, die in droefheid zijn, -

  

Maar slechts voor Ene, - voor de Wereld niet,

Geef ik mijn hartebloed als medecijn, -

  

En slechts door Ene wordt mijn doods-verdriet

Tot luide Schoonheid, en tot Troost mijn pijn.

 

IV.

 

Want weet! Gij Wereldkind'ren! - Weet! gij armen!

Die allen lijdt en tch zoo gaarne lacht, -

Gij hebt altijd het grootste klein-geacht

Wat n u schonk, in Goddelijk Erbarmen.

  

Wie zal dan uw verachtelijk Geslacht

Nog aan den Gloed van eigen Smarten warmen? -

Wie neemt nog 't valsche Mensch-beest in zijn armen

Dat zijn God-Zlf ns heeft om hals gebracht? -

  

Zoo dankt het Haar, - die in uw midden blinkt,

In wen schijn, uit wen stam geboren,

Maar aan wier Schoon geen Mensch-schoon komt nabij,

  

Dat ook voor dit troostend Ziels-lied klinkt,

Dat llen nu in Melodin hooren

Mijn eenzaam Leed, - waar ik in duister schrei.

 

V.

 

Maar mocht den menschen 't schoone Huis mishagen

Dat ik wil bouwen, Liefste! tot Uw eer, -

Ik leg om hn mijn heilig Werk niet neer,

Ik zal den lof van hnnen mond niet vragen.

  

Zou k de hoogheid mijner Ziel verlagen

Voor dt laag volk? - Naar hn gering begeer?

Wat is hun smalen mij? - En hoeveel meer

Wil ik voor , mijn arm, droef Lief! niet dragen?

  

Dat dan hoog p 't Werk mijner handen rijz'!

Heb goeden moed! ik dien U onvervaard

Wier Lof mij overtreft l eerbewijs,

  

Want dt heeft God mij wl geopenbaard:

Dat Zijn Wil meer is dan der menschen prijs,

En hoogste Liefde, 't hoogst Gebod op aard.

 

VI.

 

In Kracht van Liefde, en door Smart gewijd

Zal ik mijn Werk volbrengen, vastberan; -

Ik zal de steenen uit de rotsen slaan

Dat helle vonken spatten, wijd en zijd.

  

De menschen zien, in hun kortzichtigheid,

Alleen de glonde vonkenwoorden gaan,

En zullen 't houden, in hun ijdlen waan,

Voor een mooi vuurwerk, tot hn lust bereid.

  

Zij zien den eenzaam-sombren werker niet,

Die weinig denkt om mensch of mensch-vermaak,

Maar om zijn Liefd' en om zijn God alleen,

  

En niet zal rusten van zijn vrome taak

Eer hij zijn schoonste Zelf bestendigd ziet

In vast geheel van vlekkeloozen steen.

 

VII.

 

Neen! daar is niemand door dit Schoon geschaad!

Wie zal haten, die l Liefde zijt?

Hoe zal bestaan voor uw zacht-licht Gelaat

De duistre wrevel en de schuwe nijd?

  

Wie mij 't meest liefhad, heeft zich 't meest verblijd,

Dat mijn Ziel glansd' in nieuwen Dageraad,

En heeft gezegend 't Lijden dat ik lijd,

Waardoor mijn Leven thans verheerlijkt staat.

  

Want mijne Liefde is wit-brandend Vuur,

Zij kan doen lijden, maar kan nooit verdonk'ren

De Ziel, die zich tot haren Luister richt, -

  

Zij is als 't Stargewelf, - al naar ik tuur

Zie ik gestaag voor mijn verbaasd gezicht,

Al meer en schoonere Gedachten flonk'ren.

 

VIII.

 

Ster-licht Gewelf! - Uitspansel eindeloos!

Wereld van Liefde! - Ruimten zonder Naam!

Hoe kan dt wonen in z klein lichaam,

In een eng huis, z wankelend en broos?

  

Hoe vat n Ziel, levend z korte poos,

In zich de Ziel van l wat leeft, te saam,

Dat zij durft noemen 't Wezen en den Naam

Des n'gen Gods, die l is en ltoos?

  

Een mensch kruipt over d' aarde, arm en blind,

En zoekt zijn brood en loopt en lacht en spreekt

En speelt zijn leventj' als een klein, druk kind, -

  

Totdat n Vonk zijn dorre Ziel ontsteekt

En ook in hm de Wereldbrand uitbreekt

En hij zijn' God bij 't licht dier Vlammen vind. -

 

IX.

 

Kon ik altijd gevoelen, wat ik weet:

Dat daar nooit Heil wordt zonder Smart geboren,

Dat er geen Hart zal worden uitverkoren

Dat niet verging in Vlam van eigen Leed.

  

Ach! dat zoo vaak 't verbijsterd hart vergeet

De heil'ge Waarheid, die ik zelf deed hooren

En noch den Twijfel, noch den Wrok kon smoren,

En 't Onrecht vloekt, dat het z lijden deed.

  

Maar meet wl, Heer, wat Gij hm dragen doet

Die nog zoo kort weet wat zulk Leed beduidt, -

Maak dan niet l te zwaar den harden druk,

  

Dat niet mijn arm, van pijn verblind Gemoed

Breekt in verwarring en wild oproer uit

En slaat Uw steenen Tafelen aan stuk.

 

X.

 

De nacht wordt dieper, - dieper, - rond mij om

Zie ik het licht der wereld lager zinken

En 't l omwelven door den donkren Dom

Der zwarte lucht, waaraan geen sterren blinken, -

  

Al zachter, - als vr-weg gemurmel, - klinken

De kleine stemmen van den menschen-drom,

Maar groot en eenzaam, waar al vormen slinken

Rijst mijn hoog Lijden, raadselig en stom.

  

De breede steden slapen, - maar daarboven

Mijn Smart, met haar ontzach'lijk steen-gezicht,

Waakt, - door het zand der Woestenij omstoven,

  

De blinde blik, in kalm-geheven staat,

Naar 't lichtloos Oosten star en strak gericht,

Wachtend des Eeuw'gen Morgens Dageraad. -

INTERMEZZO

 

STEM

 

Nu is 't lief oogenheil geschonden,

Al wereldlust is nu gedaan ­-

De zwarte rouwbloem boog te gronde,

Maar uit haar gouden zaad ontstonden

Ziels-levingen, die niet vergaan.

 

Het is een wonderlijk verglijden

Van licht in licht, lichtwenteling -

Het is half sterven, half verbeiden

Licht, wellend uit den breuk der tijden, -

't Is nachtdood, morgenkentering.

 

Op witten tranendauw bewegen

Wachtende zielen, donkerloom -

In storm van weenen, in bloedregen

Zijn zij hun duister land ontstegen ­-

Wachtend nu daar, aan den lichtzoom.

 

Hun smart-verlaten oogen schijnen,

Maar weenen niet en zijn niet moe -

­Blank stijgend uit een wolk van pijnen,

Stil, in een innerlijk verreinen,

Neigende zacht naar 't lichte toe.

 

Blauw-zwarte droeve droomen vluchten,

Glijden bezijden, ruischen neer.

Zij dalen laag in zwaarder luchten ­-

Vr woelt de storm van doods-geruchten,

Laat leeg en stil het bleek licht-meer,

 

In dit zeer fijne, lichte zijn,

Een zilverig gezweef van zangen ­-

Even omhoog, n opgedein....

Uitvloeiend in een breed en schijn -

Effen, zonder verlangen.

 

 

Al mooie dingen verminderen

En verlaten mij nu ­-

Mijn lieve zinne-kinderen

Haten mij nu ­-

 

De gouden, de grauwe, de blauwe,

Ze gaan, ze gaan allen heen ­-

Tusschen groote menschen-gebouwen

Sta ik alleen ­-

 

In de menschen, in de zon-straten

Koel, onbewogen. ­-

Ik ben heel alleen gelaten

Door mijn oogen.

 

Mijn ziel is leven gebleven -

Leeft binnen-in

Transparant ether-leven -

Licht stervensbegin ­-

 

Ene, de laatst.gevondene

Kan ik niet verdrijven ­-

Zijt gij de van God gezondene? - -­

Zoo moogt gij blijven.

 

NA-SPEL.

 

 

Zijt gij nu voor altoos voorbijgegaan? -­

Hebt gij in eeuwigheid nu weggedaan

De helle fakkels van uw starren-oogen? -

­Is nu mijn schat voor altijd weggeborgen?

Zal nu mijn ziel zich eIken nieuwen morgen

Vinden in 't duister Zelf gebogen? ­-

 

Gij, die mijn tranen-moeder wildet zijn !

Mijn rijke wel van smarten helderrein,

Mij reinigend van mijn z vele zonden ! -...

Maar zoo uw lieve oogen nu uitschreiden

Voor mij hun tintel-licht jens alle beiden,

Waar wordt dan toeverlaat gevonden? ­-

 

Op eenen berg wild' ik dat ik nu lag

En naar de verre, verre wereld zag,

Als een, die lang zijn levend Zelf verloren. ­-

Dat voor mijn onbewogen oogen rezen

De visioenen van dit wereld-wezen,

Als dingen, niet voor mij geboren.

 

Rond-glazen zeepbel, in een witten damp,

Drijft mijne ziel in 't leven. - Waar de lamp

Van uwe ziel waas-lichtend heeft geschenen, -

Zweeft zij nog onbestendig her en der, ­

Maar 't is nu stil, en alle licht is ver -..

Waar zal het dolend glans-schoon henen?

 

Luchtige, luchtgespannen waterdrop

Sluit zich nu gansch in wond're rondheid op,

Kleuren verschuiven in zijn gladde wanden -

­IJl-reine ! van doorzichtigheid vervulde !

Door ondoordringbaar dichte mist omhulde !

Waar zal het fijn kristal belanden?

 

Een witte, brooze schelp-schaal, zink ik neer

Door klare lagen van een tranen-meer,

En zal daar stil, op diepen grond gelegen,

In parelmoeren glans de zon zien staan. -

De groote golven, die daarboven gaan,

Zullen maar zachtjes mij bewegen.

 

Van heel veel schreien ben ik moe.geraakt ­-

Toen heeft uit woeste zee zich los-gemaakt

Een blanke schuimvlok, teeder, schuchter-bevend,

Mijn blanke Zelf, - die gaat nu rillend vinden

Een stillen weg, door blind vertoornde winden,

In huiver-vreemde vreugden levend.

 

Ik -wenschte, dat ik U bereiken kon,

Vast-brandend Oog des Hemels! hooge Zon!

Stralende Vuurkern van mijn aardsche gangen!

Des werelds glansen gingen l verloren,

Gij zijt zoo schoon ! - Ik wil U wel behooren,

Die waard zijt 't sidderend verlangen,

 

't Immens verlangen, door een vrouw gewekt,

Dat nu hoog-uit de ledige armen strekt,

Het luid-geroepene, groot opgestane,

Dat, niet meer vindend wie het eenmaal riep,

Een storm, van klagen over d' aarde schiep,

Smart-galm van 't eeuwig onvoldane -

 

Smart heeft het land geslagen en de zee,

Smart zwerft met storm en wilde wolken mee,

Smart ligt op steden, smart op dorre kusten, ­-

Der menschen spreken is n smart-geruisch, ­-

Hoe zal dan in dit droeve smarten-huis

Mijn ziel van smart-verlangen rusten?

 

Maar 't al-omgolvend wee-geschrei verstijft,

Hel wijd geluid krimpt in, - totdat er blijft

En kleine, glanzig-stille plek, - daarbinnen

Een stem, die spreekt - O wonder ! glas-glad snijdt

Ter-wit gerucht door ruimte-en eeuwigheid - .. .

Zal nu het Godsgericht beginnen?

 

Stem met stil-zilv'ren voeten voel ik gaan, -...

Raakt mijner ziel inwend'ge wanden aan, -...

O wonderspraak ! hoe komt gij hier in mijne

Eenzame woning? midden in den nacht?

Hoe hebt gij veilig door den storm gebracht

Het licht, waarvan mijn vensters schijnen?

 

Was ik dan vreemd'ling in mijn eigen huis? ­-

Mijn lieve gast ! - ik ben een -doodmoe thuis­

Gekomen zwerver, - maar nu wil ik wezen

U veel getrouwer, - want ik heb gevonden

Leed groot en onuitspreek'lijk, - en mijn wonden

Kan nu geen and're meer genezen ­

 

Bouw mij een troon van stilte, op den storm,

Die staat gelijk een blanke wolk, zijn vorm

Verandert niet in 't blauw, - luchtvloeden jagen

Rondom door 't ruim, - hij wijkt niet, noch vergaat,

Als in zelf-schoon en, glinster-ronden staat.

Door innerlijken glans gedragen. -

 

Zie ! hoe de bleek-besneeuwde wereld leit

Onder haar jammer in gelatenheid, ­-

Haar vreugden-lichtjes, hoe klein-droevig zijn ze

Wat heeft zij mij begeerlijker geboden

Dat in het aller-uiterst mijner nooden:

Muziek, stil lamp-licht en gepeinzen? ­-

 

Wolkenhoog eenzaam, zonder metgezel,

Is nu gevonden in koel-lichte cel

't Ziels eigen thuis, - kristal van contemplatie!

Hart der gedachten! kern van innigheid ! -

­Doch voor mijn oog blijft leven voor altijd

Dier handen droevig-blanke gracie, -.­

 

Die waren als satijnen, en ik zag

Ze stil-gevouwen, - 't wil niet wijken, - ach!

Deernis zal bij mij zijn, - Wereld-geboorne!

Breek niet, breek niet dan in uw' jammer uit !

Wees mij z stil, - dat mij niet het geluid

Uwer vallende tranen store. -

 

Ik min u, God ! u, Wereld! u, 0 Zon!

Vlam hart der wereld ! Moeder van licht ! - toch spon

Zich als een ijs-scherm van doorzicht'ge wanden

Nu tusschen U en mij! Droeve! gelegen

Innigst bij mij! - leg uw hoofd heel stil tegen

Mijn onbewegelijke handen. ­-

 

 

CODA

 

REI.

 

Stijg! - stijg ! - O Gij zelf-moordend Licht!

Vreemde, wreede, die weet en niet zegt, O Gij God !

Menschen-God, God van Leven, Al-Eenig Levende,

Die al levende sterven wilt, - al wordend vergaan ­

Uw Wil is een lichtende Dood !

Stijg in Uw Wil, die is Eenig, Ontoombaar !

Uw oogen zijn gloed-zonnen, Uw handen vlammen ­

Stijg in Uw brand-glorin, Uw bloed-aureolen,

Uw bloed-dronkene begeerten, Uw sterke smart-woede,

Uw felle, knersende, verdelgende martel-lust ­

Ach onze God ! kus ons, neem ons, onze God!

Wij willen U, zwart geheim ! - vage, Donkerheid !

Wij willen U, kennend U niet - wij willen U ­

Wij willen U, vreeselijk Doodzwart ! neem ons!

verteer ons !

 

Hoog rust Uwe Genade, hoog, een veld van vlammen,

Vlambloemen, vlamstruiken, vlamboomen ­-

Hoog rust het veld Uwer genade, eindeloos, ­-

Op eenen koepel van ellende, ­-

Een hemelgewelf van wee, een uitspansel van smarten.

 

Maar het is anders - het is alles anders ­-

Wij weten niet - wij kunnen niet spreken ­-

Onze woorden zijn blinde kinderen, eene moeder hebben zij niet,

Het zijn reikende handen in duisternis,

Het zijn geluidlooze tranen, vallend in grondloozen afgrond

Zwart, zij bereiken niet, ach ! zij kunnen niet redden !

 

Wilt Gij dan niet onzer kinderen moeder zijn? ­-

Wilt Gij ons niet bergen in Uw levende, gloeiende Hart?

Zie ! wij komen, Licht-zee ! diep, zwart Raadsellicht !

Wij komen, dragende Liefde, dragende Pijn,

Als groote bloemen in onze handen ­

Wij hebben het goede goed genoemd, het kwade kwaad,

Wij kunnen niet mr, ontferm U dan ! O onze God, ontferm U !

 

Want Gij hoort toch, gij Levende! het zoet roepen van den Dood?

Het is een vlei-stem, rust-beloving, een teederheid ! -  

 

Gij kent toch, Gij Al-dag! de prachtigheid van den nacht?

Schoon is het scherpe diamantlicht, het koude, schit­terharde ijs !

En Gij weet toch den Haat wel schoon, O Gij Liefde?

 

Maar U hebben wij gekozen, U, week-wellende Bron,

Smartvolle Lenigheid, stroomgolvende Warmte,

Moeder der goede dingen, - tintelend Ether-meer ­

Zee van breede teederheid, - fijne Licht-melodie­ -

Zachte, goede, leed-zwellende, droom-reine God !

U noemen wij Heer, U noemen wij Heilig, onzen God !

Zoo zult Gij ons kennen, U lang ontfermen ­-

Dit zult Gij, - want Gij zijt in ons het Zijnde, niet bedriegelijk.

 

En zoo als Gij ons gedragen hebt, door de Uren, uwe Eng'len,

Zoo zullen wij U dragen, onzen Vader, na der Eng'len dood,

Na der Uren verscheiden.

 
 
 
 
Gastenboek
 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:28