Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

 

Mannen in het leven van Frederik van Eeden

 
Hier laat ik u kennis maken met een aantal mannen die belangrijk waren in het leven van Frederik van Eeden. Dit doe ik met een foto en een klein stukje tekst over de band die betreffende peroon had met Frederik
 

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - U - V - W - Y - Z

 

Alfabetisch op voornaam

 
 

A

 

Aaron Aletrino
1 april 1858 - 17 januari 1916

 

Als student medicijnen in Amsterdam kwam hij in aanraking met de Tachtigers, Kloos, Van Deyssel, Van Eeden en anderen. Hij werd medewerker van De Nieuwe Gids en was van 1910-1912 redacteur van het tijdschrift.

Onder het pseudoniem P.A. Saaije Az. schreef hij de voorrede van Frederik van Eedens ironische gedicht Grassprietjes.

Dagboek FvE. - Vrijdag, 4 oktober 1878

 

Ik heb vanmorgen met Aletrino gewandeld alsof het de Coningh of Frans(1) was, we hebben gefilosofeerd en dwaasheid gemaakt als oude vrienden. Het is een aardige kerel, wel een beetje dwaas uiterlijk, maar goedhartig en wel ontwikkeld

(1) jeugdvrienden uit Haarlem

 

Frederik van Eeden, 1916

Hij [A. Aletrino] was het, wien ik mijn ‘Kleine Johannes’ voorlas, en die daarbij in tranen uitbarstte. Hij had zulk een lichtbeweegelijk gemoed en zijn tranen kwamen spoedig. Hij was het ook, die mij het denkbeeld ingaf van den gruwelijken tocht door de graven, met Pluizer. Hij zat vol diepe, zware somberheid. En toch was hij het, die mijn studententijd heeft verhelderd en vervroolijkt.

Hij [A. Aletrino] spotte graag met zijn eigen leelijkheid en het zich bijvoorbeeld van achteren fotografeeren, omdat dat zijn mooiste kant was, zooals hij zei. Maar met al zijn leelijkheid was hij een groot harten-verooveraar en er waren niet veel vrouwen, die niet onder zijn bekooring kwamen.

 

 

 
 
 

Adriaan Roland Holst
Amsterdam, 23 mei 1888 - Bergen, 5 augustus 1976

Eén van de jongere dichters die graag aan huis kwam bij het echtpaar Van Eeden-van Vloten
Na de dood van Paul schreef hij een
in memoriam, opgedragen aan Martha ( aan zijne moeder )

 

 

Dagboek FvE. -

1913 woensdag 2 juni

Gisteravond Jani(1) Holst, het jonge dichtertype, met golvend haar en hoog voorhoofd. Maar gelukkig met begrip van humor en zonder enige poze.

 

1921 zaterdag 24 december

Gister was Jani Holst bij ons, Een bedaarde, stille presentie. En een groot talent.


 

(1) roepnaam Adriaan Roland Holst

 
 

Albert Verwey.
1865 - 1937

Albert Verwey was medeoprichter van de Nieuwe Gids. Na een conflict met Kloos verliet hij de redactie in 1889.  In 1890 huwde hij met Kitty van Vloten, de zus van Martha van Vloten, echtgenote van Frederik van Eeden.
Postuum verscheen, in 1939, zijn studie over Frederik van Eeden

 

Verwey over van Eeden

‘Ik had Van Eeden het eerst ontmoet in 't begin van 1884 op een vergadering van Flanor. Laatst van al binnenkomend had hij zich vlug in de voorzittersstoel laten neerglijden en onmiddellijk door met vriendelijke nieuwsgierigheid naar mij heen te zien, mij en amitié genomen. Kort daarop noodde hij me naar Haarlem, bij zijn ouders, en introduceerde me bij de Van Vlotens in ’t Florapark’.
‘Van melancholie was in Van Eeden niets, ook niet als men het woord vertaalt met zwaarmoedigheid. Hij was niet zwaarmoedig, ook niet als het hem tegenliep, hij was altijd onzeker, hij vond in zichzelf geen vaste grond. Ik houd het voor zeker dat zijn dagboek ontstond uit het besef daarvan. Hij zoekt het houvast aan het opschrijven en later blijkt telkens weer dat hij het geschrevene overleest om er zijn ontwikkeling uit op te maken, het verschil tusschen toen en nu’.

Van Eeden over Verwey 1907 – 12 december

Denk! menschen als Verwey en Gorter, toch in ons land twee geesten die tot de elite hooren, hebben geen zelfstandige intelligentie genoeg om te verstaan wat ze niet beminnen. Waar dus hun gevoel niet wijst. Zij moeten dus, om te begrijpen, beheerscht worden. Ze kunnen niet als vrije menschen begrijpen, alleen dáár, waar ze een schijnkracht voelen die hen beheerscht. En ze weten dat niet. Ook zij, zooals de groote meerderheid, meenen dat ze iets verstandelijk logisch begrijpen, terwijl ze het inderdaad aannemen op gezag. ▫ Dat zelfbedrog is mogelijk omdat ze zich niet bewust zijn van de gronden hunner logica, de gevoelens die doen zeggen: dit is waar, dit is schoon. Het zijn juist die gevoelens die beheerscht worden, terwijl ze meenen dat ze vrij zijn. Dat dit zoo is blijkt mij al sints lang, uit die gevallen, waarin ikzelf de toetssteen kon zijn. ▫ En als het zóó staat met die twee, hoe dan wel met de rest, de groote hoop.

 
 

Albert Willem van Renterghem
1845 - 1939

 

Dokter Albert Willem van Renterghem, in het buitenland meer gekend dan in Nederland, verdiende hier zijn sporen met de introductie en toepassing van de medische hypnosetherapie en de psychoanalyse.

Met Frederik van Eeden opende hij in 1887 te Amsterdam de eerste kliniek in Nederland, en wellicht ter wereld, speciaal voor behandelingen met hypnotisme. Zij zetten daarmee een beweging in gang die de hypnose niet alleen in de Nederlandse geneeskunde introduceerde maar die ook tal van culturele zaken beïnvloedde.

Dagboek FvE. -

1909, donderdag 21 januari

 

Ik bezocht van Renterghem en zag hem in zijn succes, de overwinning na ons lang gevecht. De zaak is nu gevestigd en erkend. Het is mijn vaste bestemming, schijnt het, in allerlei wegen de eerste moeiten te dragen en het voordeel te laten aan hen die na mij komen. Hij is nu 63 jaar. Ik moet mij altijd verwonderen over het tevreden voortwerken van zulke menschen, die toch hoegenaamd geen wijder uitzicht kennen en weten dat ze binnen betrekkelijk korten tijd afgedaan hebben, dan blijft hen alleen wat opgespaard geld, en de voldoening van in hun kleinen werkkring iets gedaan te hebben. Daarmee moeten ze dan de lastige ouderdom en den harden dood trotseeren.

 
 
 

Anne de Koe
1866-1941

 

In 1899 werd een kolonie ingericht op schrale grond te Blaricum, aangekocht door de geestverwante hoogleraar Jac. van Rees, die zelf niet in de kolonie ging wonen. Betrokkenen waren onder anderen de theoretici J.K. van der Veer, Lodewijk van Mierop, Anne de Koe, S.C. Kylstra. De kolonie kende maar weinig vakmensen en zeker weinig vakmensen die de hooggestemde opvattingen van de oprichters ten volle deelden.

De Koe was in De Hervorming een van degenen die beslist als dweper kon worden aangeduid - een van de weinige authentieke "tolstojanen" die Nederland gekend heeft. Hij is door de ervaring met de kolonie in Blaricum en Van Eedens Walden van meer dan één geloof afgeraakt.

Dagboek FvE. -

1901 - 14 oktober: Gister vergadering bij de Clercq met de Koe, de Boer en Cohen. Nu begint het naar iets te lijken.

1902 - 18 januari De Koe wil hier komen en Hettinga Tromp

15 februari: De Koe is hier gekomen en Voet. Er zijn geen bezwaren van betekenis.

6 april: Wij werken hard met de Koe, Roodenburch en anderen. Ik voel mij recht gelukkig en dankbaar.

22 juli: Ook met de Koe en de Boer gepraat. Kinderachtig, die geschillen

30 augustus: Nu is de Koe weer lastiger

10 september: Nu begint de Koe onaangenaam tegen mij te worden.

1903 - 27 januari: Moeielijkheden op Walden, de Koe die Hoekstra het komen onmogelijk maakte.

13 februari: Maar gister bedierf ik het weer door recht tegen de Koe in te willen gaan.

25 februari: Heftige beroering op Walden De Koe en Tromp gaan beiden weg. Er zijn sterke sympathische en antipathische stroomingen aan ’t werk geweest. Het is steeds alsof ik tegen demonische invloeden vecht.

12 oktober: Omtrent ‘hemzelf’ blijf ik  dezelfde meening houden. Geen schurk, maar een grof, hartstochtelijk, onbeheerscht man  

 

 

 

B

 

Bertus Brouwer
27 februari 1881- 1966

 

Bertus Brouwer, een wiskundige met een mystieke kant. Sedert 1915, een van Frederik van Eedens beste vrienden.

Brouwer vergaarde ook bekendheid als filosoof, zowel van de wiskunde als in de taalfilosofie. In 1922 richtte hij met onder anderen Frederik van Eeden en Gerrit Mannoury de Signifische Kring op. In zijn privéleven was Brouwer onconventioneel; hij reisde veel, en hij verkeerde graag in kunstenaarskringen.  
Zie ook:
http://bwnw.cwi-incubator.nl/cgi-bin/uncgi/toon?nr=8&ftnr=1

 

Dagboek FvE. -

1921 woensdag 16 februari

Ik ging met Brouwer naar huis. Hij zeide ziek te zijn geweest en ik begreep dat het begin van t.b.c. was. Ik had hem zo lief, hij was vriendelijk en hartelijk. Als hij maar vleesch wou eten.

 

C

 

Conrad Busken Huet
’s-Gravenhage 1826 - Parijs 1886

 

Was een Nederlands schrijver en literatuurcriticus die een voorname rol heeft gespeeld in de Nederlandse letteren van de 19e eeuw.

Voorbeeld van een kritiek:   Kritiek over Johannes van Vloten in Litterarische fantasieën en kritieken. Deel 22
Huet zag literatuur als een uiting van beschaving; hij vond dat aan de kwaliteit van de literatuur van een maatschappij de stand van de beschaving af te lezen viel.

1884 Frederik van Eeden brengt een bezoek aan de Huets – hierover geen dagboeknotitie

Dagboek  FvE

1900 – 18 maart

Huët had een goede opmerking in een van zijn schetsen over de zeer gewone maar weinig opgemerkte straf der zonde, verzwakking van het wils-vermogen. ▫ Dit is goed uitgedrukt. Niet de wil verzwakt, ook niet het vermogen tot willen zooals men verkeerdelijk zegt, maar het uitwerkings-vermogen van den wil. Het schip gaat niet meer naar 't stuur luisteren. ▫ In die schetsen van Huët veel goeds. Een goed man met groote bekwaamheid. Maar hij durft niet. Hij durft niet ernstig zijn, en niet een groot geheel maken. Hij zet niet door.

 

E

 

Edward Douwes Dekker - Multatuli
Amsterdam, 2 maart 1820 - Nieder-Ingelheim, 19 februari 1887

De invloed van Douwes Dekker laat zich niet makkelijk meten. Jonge mensen in opleiding zoals studenten, onderwijzers en leraren, wellicht ook aankomende theologen verloren door hem hun 'geloof'. Velen ondergingen het horen en lezen van zijn werk als bevrijdend. Schrijvers vroegen hem om raad, zoals Frederik van Eeden en Willem Paap, die hij aanraadde goed te studeren.

Frederik van Eeden schreef in De Nieuwe Gids van 1887 over Douwes Dekker
Hij bezocht hem in 1886 in Nieder-Ingelheim ( Duitsland )

Dagboek  FvE

Maandag 2 februari 1891
Gelezen: De brieven van Multatuli 2e reeks. Ach! wat een kind! - Het is treurig en vervelend. Het is toch maar een goedkoope volksuitgaaf van een genie. Geen geduld, geen menschenkennis, geen wereldwijsheid, geen hooge humiliteit. Alleen weekhartigheid, eloquentie, moed en oorspronkelijkheid.

 
 
 

Erich Gutkind

De oprichting van de ISVW[1] gaat terug op twee groepen mensen: de kring rond de schrijver en psychiater Frederik van Eeden en de kring rond de theemakelaar en theosoof J.D. Reiman jr.

Voor Van Eeden was na het mislukken van zijn praktische hervormingsprojecten in 1907 de verbetering van de taal en de verstandhouding heel belangrijk geworden. Vanaf 1910 begon hij een correspondentie met dichters, schrijvers en filosofen uit verschillende westerse landen, die bezield waren door soortgelijke idealen van een internationale geestelijke vernieuwing door de ‘Koninklijken van Geest’. Samen met de Duitse schrijver Erich Gutkind trachtte hij de ‘Oorspronkelijken’ uit de hele wereld in beweging te krijgen en te verenigen tot een kring, die de geestelijk leidende gemeenschap binnen de mensheid moest worden.

Dit leidde uiteindelijk in 1914 tot de oprichting van de ‘Fortekring’ (genoemd naar de plek van samenkomst, Forte dei Marmi bij Pisa). Hier waren naast Van Eeden en Gutkind betrokken: de filosoof Martin Buber, de Zweedse psychotherapeut en schrijver Poul C. Bjerre, de anti-marxistische anarchist, schrijver en literatuurcriticus Gustav Landauer, en Van Eedens oude vriend, de sinoloog, tolk en schrijver Henri Borel. Kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog viel de idealistische, elitaire internationale kring echter al uit elkaar. Toch bleef Van Eeden aan het idee vast houden, wat leidde tot plannen om een ‘Internationale Hoogeschool voor Wijsbegeerte’ op te richten.



[1] Internationale school voor wijsbegeerte

 

Dagboek  FvE

1910 – 5 juli

Gister ontving ik een boek getiteld ‘Siderische Geburt. Der Tod der Welt und die Taufe der That. Serafische Wanderung’ door Volker.  Ik moest erkennen dat er veel Wortschwall in voorkomt, maar tevens schitteringen van glansrijk nieuw licht. Woorden als zwaardslagen, schitterend en raak. En de naam Volker, de zanger-strijder, laatste genoot van Hagen, - (gelukkig nog niet door Wagner verwaterd). Ik was er zeer door vervuld. Er is iets heerlijks in dat boek, iets dat juist samentreft met wat ik denk en schrijf
(Volker is het pseudoniem van Gutkind.)

 

F

 

Felix Ortt
Groningen, 9 juni 1866 - Soest, 15 oktober 1959

 

Ortts socialistische opvattingen zijn behalve door Tolstoj sterk beïnvloed door Frederik van Eeden, met wie hij sinds zijn jeugd contact had. ( Hij was een jongere broer van Henriette Ortt, de eerste grote jeugdliefde van FvE) Hij was betrokken bij de Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit die de oprichting en samenwerking van door de arbeiders zelf beheerde bedrijven nastreefde. Hij was enige tijd redacteur van het hierbij behorende tijdschrift De Pionier.

FvE in De Groene Amsterdammer van 19 mei 1917:

In architectuur, plastiek, schilderkunst, poëzie, dramatiek en muziek komt de leegheid, de wansmaak en de  ontaarding aan 't licht. Daarom hunkert men allereerst naar vastheid,  helderheid  en eenheid in leevensbeschouwing.  Men houdt  zich  vast aan de natuurweetenschap, die nog het meest universeel  schijnt,  men  beschouwt kunst en „fraaye letteren"  als luxe en tijdpassering.

Daarom moet  de  hoogste kunst van onzen tijd allereerst wijsgeerige of religieuze richting geeven, er is geen kunst thans moogelijk zonder tendens, mits  ze is  tendens van den eedelsten aard. En boeken  die richting geeven, ook zonder tot de „fraaye letteren" te  behooren, zijn toch de belangrijkste van onzen tijd.

Zulk een boek  is het „machtige brouwsel" waaroover ik nog niet uitgepraat ben.

En  zulke boeken zijn  ook die van Felix Ortt, van  J.  P. Lotsy  en  van Borel (de geest van China).

Ortt hoort tot de „letterkundigen" en heeft romans geschreeven. Maar dat is zijn eigenlijke werk niet. In die boeken is te veel en te  gewilde  tendens. Als kunst  zijn ze niet van den  eersten rang.  Maar Ortt zelf, de mensch,  het  karakter,  de figuur is een van de  allerbesten, een van de  Wijzen van ons land en onzen tijd.  Zijn wijsheid verklanken in harmonieën van taal-schoon  kan hij niet.

Maar  zijn laatste  boek, met den veel te langen titel, is een deegelijk en  diepzinnig werk, dat representatief is, en een merksteen op  den langen  weg van geestelijke  ontwikkeling en ééniging der menschheid.

De volledige tekst - klik HIER
 
 
 

Frank van der Goes
Amsterdam, 13 februari 1859 – Laren, 5 juni 1939

 

In 1881 nam hij het initiatief tot de oprichting van Flanor en in 1885 was hij samen met Frederik van Eeden secretaris van de commissie ter voorbereiding van de Brederode-feesten. In 1885 stond Van der Goes aan de wieg van De Nieuwe Gids, het tijdschrift van de Tachtigers.

Aanvankelijk waren van der Goes en van Eeden vrienden.

Zie: De geschiedenis van De Nieuwe Gids: Over van Eeden en van der Goes
Maar dat veranderde toen FvdG  een principieel tegenstander van Frederik van Eedens sociale experiment bleek.

 

 

Dagboek:
1906 – 11 december

Ik dacht nog over de domme Verwey. Hij heeft wat men noemt, een strop gekocht. Hij was lekker met de medewerking van van der Goes, die hem eerst had aangevallen, en hij dacht nu allen zoowat onder zijn hoedje te vangen. En nu is hij mij voor goed kwijt, en zit met de langdradige van der Goes. Wat 'n strop!  Hij is ook onoprecht, want hij weigerde een stuk tegen van der Goes, onder voorwendsel van geen discussies uit te willen lokken. En mij noodigt hij uit tegen van der Goes te gaan debatteeren.   

 
 
 

Frederic W. H. Myers
1843-1901

 

Hij was een van de belangrijkste onderzoekers van parapsychologische verschijnselen van de 19e eeuw en de grondlegger van de Society for Psychical Research. Daarnaast was hij dichter en werd hij door velen gezien als een van de belangrijkste psychologen van zijn tijd.

Myers onderzocht het automatisch schrijven om te zien of er inderdaad invloed van gene zijde was. Hij concludeert in 1884 dat in de meeste gevallen de ‘automatisch’ verkregen boodschappen het product zijn van het onbewuste. En zelfs al zijn ze echt niet terug te voeren tot het onbewuste dan is het volgens Myers hoogst onwaarschijnlijk dat geesten van doden er de hand in hebben gehad. In dat geval is het volgens Myers aannemelijker dat er telepathie in het spel is.

Myers zocht naar bewijs voor leven na de dood. Bekend, omtrent dit onderwerp, zijn de zogenaamde kruiscorrespondenties

Frederik van Eeden had meermaals contact met Myers, zowel persoonlijk als via brieven. Na de dood van Myers probeerde FvE om via zijn dromen dit contact verder te zetten.

 

Dromendagboek 22 januari 1901

Ik had gehoord dat Myers gestorven was en nam mij terstond voor hem te roepen. In den nacht van 21-22 Jan. droomde ik van een Indische zinnelijke vrouw die mij wilde dooden. Ik voelde mij doodgaan, maar lette op dat ik nog bleef ademhalen. Toen werd ik helder zag veel menschen en riep terstond ‘Myers! Myers!’ Hij kwam onmiddellijk. Hij sprak Hollandsch. Maakte den indruk teleurgesteld te zijn, zei dat hij ‘twee kamers’ had. Ik was in die kamers het was er benauwd en eng of saai. Maar hij hield zich groot en zei alles toch heerlijk te vinden. Hij zag ook de menschen voorbijgaan. Ik zag iemand met een groot glas jenever en verwonderde me over al die aardsche dingen. Ik vroeg naar zijn slaapkamer en hij zei: ‘een dot!’ Ik merkte op dat ik mijn ingewanden voelde, en dat ik nog een warm slapend lichaam had, later veranderde Myers gezicht en ik zei hem dat.

*
Dagboek

1895

20 juli:  Bezoek aan mr. Bunting, editor Contemporary. Lincoln's Inn. Lunch met Gray en Raffelowich. 's Middags naar Cambridge, gegeten bij Myers met Richet en zijn zoon. 's Middags bezoek bij George Darwin, mrs Darwin liet de bloemen zien, Gwennie Darwin met kersen. 's Avonds gesprek met M.

17 september: Vandaag Myers gekomen

29 oktober: Brief aan Myers weg, viermaal overgemaakt

1896

23 januari Ik heb met Myers en Lady Welby gecorrespondeerd over Transvaal. Ik had het recht aan mijn zij, en ik had er schik in. Ik kon hen in alle punten weerleggen, en het ging vriendelijk en hoffelijk. Myers was zeer hoffelijk. Het is aangenaam over gewichtige, niet provinciale zaken met succes te correspondeeren. 

1898

3 mei Naar Ramsgate. Zonnig, vermoeiende reis, Martha neerslachtig en moe. Met mrs Myers schoot het niet op, maar ik had belangrijke gesprekken met hem.

1910:

22 april: Eindelijk las ik de manifestaties van Myers en verheugde mij in zijn gezegde, ontwijfelbaar van hemzelven ‘no poppies grow on the Elysian shore’.  Er wordt niets vergeten. Zoo was ook mijn intuïtie.

5 mei:  Ik sliep in de ‘Woeste Hoeve’ in een bedstee, maar had een slechte nacht. Ik stelde een reeks vragen op, om door mrs Verral aan Myers te richten.

 

G

 

Gerald Stanley Lee
1862-1944

Dagboek
1908 – 23 november

Ik lees een boekje ‘Inspired Millionaires’ van Gerald Stanley Lee. Hij stuurde het mij. Het is typisch origineel Amerikaansch gezond verstand. Het bevat veel wat ik graag zelf zou gezegd hebben. Den stijl vind ik bijna onleesbaar, vol Americanismen. Maar de geest die er uit spreekt is prachtig, vol beloften, evenwichtig. Het rechte woord na de Christelijke excessen. Als er meerderen zoo in Europa waren geweest, zou Nietszsche's bombast plat gevallen zijn.

1909 –

6 maart: Northampton, Mass. Ten huize van G. S. Lee

dinsdag 9 maart

Weer op Staten Island. ▫ Mijn verblijf bij Lee heeft mij verwonderlijk verkwikt. De groote goedheid en zachtheid van dezen man, zijn enthousiasme, zijn kinderlijkheid, zijn dankbare vereering van mij, zijn behoefte mij goed te doen en te helpen, dat alles heeft me diep getroffen en ik voel dat het voorbarig van me was te zeggen dat ik nu wel geen vrienden in mijn leven zou maken. Hij is mijn vriend, of ik 't wil of niet. ▫ Hij is niet mooi. Lang, mager, bleek, met een grooten neus, en een bokken-mond. Maar zijn oogen kunnen met arends-blik kijken, en hij is vol humor. ▫ Zijn vrouw is klein, en naar 't schijnt ouder dan hij, niet mooi, en met bruine, vriendelijke oogen. Haar conversatie had iets bekrompens hoewel ze vrij intelligent is, maar ze was dogmatisch en had dezelfde vrees voor de toekomst als Martha. Ze geloofde in Symbolisme. Ze is schrijfster en verdient geld genoeg voor beiden, zoodat hij op eigen wijze kan voortwerken. Ik las een boek van haar, Simeon Tetlow's Shadow. Zeer knap werk, met feodale moraal in modernen tijd.

 
 
 

Gerard Heymans
Ferwerd, 17 april 1857 - Groningen, 18 februari 1930

Was een Nederlands filosoof, logicus en psycholoog en hoogleraar Geschiedenis der wijsbegeerte, logica, metafysica en zielkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Heymans wordt beschouwd als één van de belangrijkste filosofen, die Nederland heeft voortgebracht, en tevens als grondlegger van de experimentele psychologie in Nederland.

 

Dagboek

1897 -  zondag 21 februari

Vrijdag ging ik naar Groningen/ logeerde bij Heymans. Een kinderloos paar in een groot weelderig huis. Hij een aller-aangenaamst intelligent man.

1903 – 12 november

Den volgenden dag (Maandag 9) fietste ik naar Finsterwolde en sprak een paar uren met Hommes, de oude hotelhouder-socialist van wiens invloed ik al veel gemerkt had. Een recht goed man, vrij van geest, maar met stokpaardjes. Van daar fietste ik over Beerta terug naar Winschoten, hield een bespreking over den winkel en fietste toen naar Scheemda en nam daar spoor tot Groningen. Daar at ik in een restaurant en kwam 's avonds bij Heymans, met wien ik lang zat te praten. Sliep bij Heymans en bezocht de winkel en vertrok per fiets over Glimmen en Vries naar Assen, at daar en nam spoor tot Zwolle.

1913 - 28 februari

Weemoedig, Hans vertrok van morgen.

Een stuk van Heymans uit Groningen dat mij wel beviel. Oover de Psychical Research.

 
 
 

Gerrit Mannoury
Wormerveer, 17 mei 1867 - Amsterdam, 30 januari 1956

 

Was een Nederlandse wiskundige en filosoof die tevens sociaal bewogen en politiek actief was. Mannoury heeft belangrijke bijdragen geleverd op het gebied rond de formele wetenschap, de grondslagen der wiskunde, de symbolische logica en de leer der significa.

Significa is de benaming van de studie naar de taal en menselijke verstandhoudingen, ontwikkeld tussen 1900 en 1950, geïnspireerd op het werk van Lady Victoria Welby, dat in 1897 door Frederik van Eeden in Nederland is geïntroduceerd. In 1917 richt Mannoury samen met Henri Borel, L.E.J. Brouwer, Frederik van Eeden en Jac. van Ginneken de Nederlandse Signifische Kring op. Na 1925 is hij de belangrijkste persoon op dit gebied. Mannoury leverde pionierswerk door de grondslagen en basisbegrippen te formuleren van de significa als wetenschap.

Dagboek

1910 - maandag 9 mei

Ik lees Mannoury's belangrijk boek over de Philosophie der Mathesis. Dat sterkt en verkwikt me zeer. Dat is werkelijke wijsheid en wetenschap. De zuiverste waarheid. ▫ Deze kennis is wel een enorme vooruitgang. Men ziet de gradueele vorderingen der synthetici als Descartes en Kant. Ze komen tot de dichters nader, die altijd intuïtief op de juiste hoogte blijven, tot in Hegel die niets was als een in metaphysisch jargon verstikte poëtenziel. ▫ Aardig dat ik ook - van uit mijn intuïtie - tegen Descartes te keer ging, en zijn grondstelling omkeerde. (Gr. v. Verstandhouding).

1922 - maandag 22 mei

Gister bijeenkomst op Walden van Mannoury/ van Ginneken, Brouwer en ik. Op 't grasveld onder de kastanje. ▫ Ik voelde zeer dom en onweetend. Wij stichtten onze Signifische Kring.

 
 
 

Gustav Landauer
7 april 1870 in Karlsruhe; † 2 mei 1919 in München-Stadelheim

 

Hij was in Duitsland, rond het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw, een van de belangrijkste theoretici en activisten van het anarchisme. Als tegenstander van de oorlog verzette hij zich vanaf het begin tegen de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Tijdens de revolutionaire toestanden, aan het einde van de oorlog en meteen daarna, bekleedde hij in april 1919 een belangrijke positie in de Münchener Radenrepubliek. Nadat die met geweld was neergeslagen werd hij tijdens zijn hechtenis vermoord door antirepublikeinse soldaten van het Vrijkorps.

De Amsterdammer van 17 mei 1919

Het  is weer teegengesprooken,  maar het zal toch wel waar zijn. Gustav  Landauer is vermoord, eeven als  Liebknecht en Rosa Luxemburg. Men  verwondert zich dat er in ons land nog te  vinden zijn  die het Bolsjewisme verdeedigen,  maar het is verklaarbaar dat men zegt:  een  zaak die  door  menschen  als Gustav Landauer  verdeedigd  is,  was niet onverdeedigbaar, en geen kwade zaak. Het kan zijn dat hij  meegesleept  is in een strooming die hij niet kon stelpen of in beetere bedding leiden — maar hij moet kans gezien hebben voor een groote zeegenrijke omkeer, zonder  geweld. Hij was geen geweldsman, en  afkeerig van alle uiterlijke dwang. Hij was een zachtzinnig, hoog beschaafd man, met bizonder diepe  wijsgeerige  inzichten.

Lees HIER verder

 

H

 

Hein Boeken
2 december 1961 – 19 oktober 1933

 

Boeken maakte als student in de klassieke letteren aan de Amsterdamse universiteit in oktober 1879 kennis met de eveneens filologische student Willem Kloos. Daarmee werd de grondslag gelegd voor een, jarenlang onafscheidelijke, vriendschap, waaruit Kloos morele en daadwerkelijke steun putte, vooral in de jaren negentig, toen hij herhaaldelijk in een crisissituatie verkeerde. In 1894 werd Boeken redacteur van De Nieuwe Gids, wat hij, met een korte onderbreking, tot zijn dood bleef.

 
Dagboek:

1891- vrijdag, 15 mei

Laatst kwam ik, zelf vol gedachten, Boeken tegen in de Kalverstraat. Hij sprak mij niet aan en wij groetten alleen elkaar in 't voorbijgaan. Toch, door die ontmoeting, zag ik op eens mijzelven heel anders, meer zooals Boeken mij zou zien - en dat veranderde al mijn gedachten en de stelligheid van mijn houding. Niets is mij onplezieriger dan het gevoel dat iemand je heel anders ziet dan je werkelijk bent.

1916 - vrijdag 4 februari

Hein Boeken, de dichter, zit gevangen[1], weegens moord op zijn vrouw. Zij was altijd digt bij den waanzin, en nu voelde ze dat ze naar 't gesticht terugmoest. Toen nam ze laudanum en hij hielp haar. En toen de laudanum niet genoeg werkte heeft hij haar geworgd. ▫ Arme man - ik weet wat zulk lijden is, en waartoe men komt. Ik dacht aan den gruuwelnacht met Paul. Maar ook hoe dankbaar ik was dat Paul nog eenige uuren bij ons was gebleeven, en dat zijn lijden niet was verkort.

Welk een droevig leeven. Twintig jaren huuwelijk, altijd bedreigd door het spook van den waanzin. En eindelijk verlossing op deeze wijze. Zij was gelukkig toen ze wist dat het nu uit was. Ze had het al zoo vaak beproefd. En hij was volkoomen kalm en blij dat het nu zoover was.



[1] Boeken werd later vrijgesproken

 
 
 

Henri Borel
Dordrecht, 23 november 1869 – Den Haag, 31 augustus 1933

 

Hij was bevriend met Frederik van Eeden, Johan Thorn Prikker en Louis Couperus. Een correspondentie bestaande uit meer van 400 brieven, gewisseld met Van Eeden tussen 1889 en 1930, wordt bewaard in de Universiteit van Amsterdam en in het Letterkundig Museum.

Brieven aan Henri Borel 

 

Bij de firma Boucher, den Haag, zal spoedig uitkomen of is uitgekomen een uit het Duitsch (Welteroberung durch Heldenliebe) vertaald boekje, de Geestelijke verovering der Wereld. Ik moet hier naar dit boekje verwijzen, want naar aanleiding hiervan is in 1914 een internationale vriendenkring gevormd, die, om de termen van een der leden, Gustav Landauer, te gebruiken, ‘die Einung der Menschheitvölker vertretend, sie in entscheidender Stunde zu autoritativen Ausdruck zu bringen vermöchte’. Tot dit doel kwamen in Juni 1914 in Potsdam bijeen de Zweed Bjerre, de Duitschers Gustav Landauer, Martin Buber, Erich Gutkind, Theodor Däubler en Flor. Christian Rang en de Hollanders Frederik van Eeden en Henri Borel.
Uit Brieven aan Henri Borel (1914)

dagboek
1921 – 16 maart
Gisteren vergadering van het Instituut. Borel was er, en Bertus, en van Ginniken en Mannoury. Deeze twee laatsten spraken het meest. Borel bracht weer zijn humor en deed ons lachen. Teegenoover mij was hij voorzichtig, en mijn zwakheid deed hij mij voelen. Er ontstond geen toenadering.
10 juli
Toen dronk ik koffie bij Borel, die een beeter huis gehuurd heeft en nu zijn mooye Chineesche beelden kan uit stallen. Het deed me genoegen dat hij in beetere omgeeving leeft.

 

 
 
 

Henricus Cornelius Rümke

 

Henricus Cornelius Rümke (Leiden, 16 januari 1893 - Zürich, 22 mei 1967) was een Nederlands psychiater.

Naast zijn medische en wetenschappelijke loopbaan was Rümke ook actief als dichter. In opdracht van het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen schreef hij een uitgebreid essay over het boek "Van de Koele meren des doods" van schrijver/ psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), waarvoor hij in 1964 de Henriette Roland Holst-prijs kreeg.

 
 
 

Henry David Thoreau
Concord, 12 juli 1817 - aldaar, 6 mei 1862

 

Hij was een Amerikaans schrijver en filosoof. Hij is vooral bekend om zijn boek Walden, waarin hij zijn ervaringen beschreef met het nastreven van een eenvoudige levensstijl. Hij heeft ook een bekend essay geschreven over burgerlijke ongehoorzaamheid (civil disobedience). Thoreau werd bekend als een activist tegen de slavernij, voor behoud van de wildernis, en sommigen beschouwen hem als een pacifist.

 

Thoreau was niet direct een tijdgenoot van Frederik van Eeden, maar ik vond het wel belangrijk om hem hier te vermelden omdat hij een soort inspiratiebron is geweest voor het Walden van FvE.

 

In 1902 schreef Van Eeden het voorwoord voor de Nederlandse vertaling van Thoreau's boek: Walden.

 

 
 
 

Herman Gorter
Wormerveer, 26 november 1864 - Sint-Joost-ten-Node, 15 september 1927

 

Herman (roepnaam: Pans) Gorter was een Nederlands dichter en medeoprichter van de Sociaal-Democratische Partij. 

Mei .

In 1989 publiceerde Gorter onder invloed van Willem Kloos zijn lange naturalistisch-impressionistische gedicht Mei, een filosofisch-mystiek dichtwerk, dat, geïnspireerd vanuit de neo-romantiek en het symbolisme, overstroomt van de verrukking over de natuur. Het maakte Gorter tot een van de meest geroemde dichters van zijn generatie.

 

Velen zullen de beginregels van dit gedicht kennen:

 

Een nieuwe lente en een nieuw geluid

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit

 

Aan het eind van de negentiende eeuw ontstaat de literaire beweging van de Tachtigers. 

De generatie van de Tachtigers is verantwoordelijk voor een breuk met de tot dan toe heersende negentiende eeuwse gezapige ‘predikantenpoëzie’. In 1881 werd in Amsterdam de literaire kring Flanor opgericht. Leden waren onder andere: Willem Kloos, Albert Verwey, Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden en Jacobus van Looy.

Ook Herman Gorter maakte deel uit van de Tachtigers. Na zijn afstuderen als classicus was hij korte tijd leraar, maar hij wijdde zich na 1895 geheel aan de literatuur en de politiek. F. van Eeden noemde hem 'teder en romantisch, maar ook stug en onbuigzaam'.

1907 – 12 december

Denk! menschen als Verwey en Gorter, toch in ons land twee geesten die tot de elite hooren, hebben geen zelfstandige intelligentie genoeg om te verstaan wat ze niet beminnen. Waar dus hun gevoel niet wijst. Zij moeten dus, om te begrijpen, beheerscht worden. Ze kunnen niet als vrije menschen begrijpen, alleen dáár, waar ze een schijnkracht voelen die hen beheerscht. En ze weten dat niet. Ook zij, zooals de groote meerderheid, meenen dat ze iets verstandelijk logisch begrijpen, terwijl ze het inderdaad aannemen op gezag. ▫ Dat zelfbedrog is mogelijk omdat ze zich niet bewust zijn van de gronden hunner logica, de gevoelens die doen zeggen: dit is waar, dit is schoon. Het zijn juist die gevoelens die beheerscht worden, terwijl ze meenen dat ze vrij zijn. Dat dit zoo is blijkt mij al sints lang, uit die gevallen, waarin ikzelf de toetssteen kon zijn. ▫ En als het zóó staat met die twee, hoe dan wel met de rest, de groote hoop.

 

1909 - 11 oktober

 Deze wijsheid maakt Spitteler tot een groot, volwassen dichter - b.v. in vergelijking met Gorter, aan wien hij soms denken doet, maar die nooit iets meer is geworden dan een aanvanger en een dilettant. De wijsheid in Gorter is enkel intuïtief, bijna toevallig, niet gerijpt en beheerscht. ▫ Spitteler heeft zijn werk diep en doelbewust beoefend, met de volle kracht van een gerijpt verstand. Al zijn gevoel, zijn levenswijsheid geeft hij in zijn kunst, zooals 't behoort. ▫ Gorter is, na zijn jeugd-werk, terstond verdoold, door theorieën afgeleid, en verwilderd. Evenals Beets is hij aan eigen werk gaan twijfelen, - heeft zijn volle toeleg op zijn kunst verloren, - heeft niet zijn leven aan zijn kunst dienstbaar gemaakt - maar andersom.

 
 
 

Herman Heijenbrock
Johann Coenraad Hermann Heijenbrock (Amsterdam, 27 juli 1871 - Blaricum, 18 maart 1948) was een schilder van arbeid, nijverheid en industrie.   

In 1898 trokken hij en zijn vriend Jan de Waardt naar de Borinage om te schilderen. Het grauwe landschap stond Heijenbrock tegen en hij kwam onder de indruk van 'de afgrijselijkheid van de tuberculose onder de kolengravers en hun gezinnen' en voelde zich 'lamgeslagen bij het zien van al die ellende en toch weer zoo mooie pittoreske gegevens'. De indrukken werkten nog lang na: 'Die schrijnende ellende gaf me een haat aan zoo'n samenleving'. Heijenbrock en De Waardt beraamden plannen om het sociale onrecht in woord en beeld tot uitdrukking te brengen. Zij wilden advies hebben van Domela Nieuwenhuis, maar deze zag er weinig in. Desondanks probeerde Heijenbrock kunstenaars voor zijn plannen te winnen. Toen dit niet wilde lukken, dacht Heijenbrock aan Frederik van Eeden, die eind oktober 1898 bezoek kreeg 'van Heijenbrock, den propagandist. Ik vond hem niet helder en niet bescheiden en hij maakte mij moe, maar de indruk was toch niet naar'. Van Eeden weigerde. Hij vond het uitbeelden van ellende negatief en geen weg naar een betere samenleving.

Op Van Eedens lezing uit 1899 'Waarvoor werkt gij?' reageerde Heijenbrock met de brochure Over de Nieuwe Tijden. Hij ondersteunde hierin de opvattingen van Van Eeden over gemeenschappelijk grondbezit en vond dat Van Eeden met zijn bezieling slaagde waar Gorter met zijn kille marxisme faalde.

1907 maandag 14 januari

Ik zag gisteren de pastel-teekeningen van Heyenbrock, uit de fabrieken en smelterijen. Prachtig. Sommige stukken coloristisch meesterlijk, andere zeer expressief. Een echt, eerlijk kunstenaar.

 

1923  vrijdag 25 mei

Zonnig, maar nog koel. ▫ Gister fietste ik naar Laren en zag de schilderijen van Heyenbrock. Ik vond het prachtig werk. En ik zeide hem dat ook. Maar de menschen snappen het niet.

 

1920 zondag 15 februari

Ik was bij Heyenbrock en zag zijn prachtige droom-schilderijen

 

 
 
 

Herman Hesse
Calw (Duitsland), 2 juli 1877 – Montagnola (Zwitserland), 9 augustus 1962

Hermann Hesse  was een Duitstalig Zwitserse schrijver en dichter. Hij kreeg in 1946 de Nobelprijs voor de Literatuur toegewezen.

1921 - maandag 21 augustus

Na het diner voordracht van Herman Hesse. Een fijne kop, gladgeschooren. Eenvoudig mensch die mij terstond aantrok. Hij sprak een fijn stuk van een boek oover Indische wijsheid. Ik luisterde aandachtig en was er gelukkig bij.

Morgen ga ik middageeten bij Herman Hesse op Montagniola.

dinsdag 22 augustus

Heerlijk warm weer. Nu dreigt er onweer.

Lugano. Van morgen lekker gezwommen in het meer. Toen naar Montagnola geklauterd en Hesse opgezocht. Uuren met hem gepraat. Een beminnelijk, eenvoudig man. Hij leeft als een kluizenaar, alleen en afgezonderd. ▫ Het vertrek had een prachtig uitzicht, maar een echt rommel-vertrek, zonder vrouwelijke hand. ▫ De maaltijd was naar mijn zin, enkel spaghetti, kaas, vruchten en roode landwijn. We praatten oover alles, zijn reizen, zijn moeyelijkheeden, oover de Hollandsche verhoudingen, oover de Duitsche dichters. Heerlijk was de wandeling door 't bosch.

 

1922 - vrijdag 1 september

Bij Herman Hesse, in Lugano, vond ik alle werken van Adalbert Stifter. Hij vereerde dien man, zooals ik het ook doe. Maar teevens vertelde hij dat Stifter tot een droevig einde was gekoomen, tot zelfmoord. ▫ Dit greep mij geweldig aan, ik barstte in tranen uit. ▫ Want ik begreep hoe vreesselijk die man heeft moeten lijden om daartoe te koomen. Hij die zoo uitvoerig en rustig kon schrijven, zoo bezadigd en eevenwichtig en met zulk een voornaam en eedel inzicht in alle dingen, die de menschen zoo liefde-vol teekende, in allen het goede en wijze opmerkend. ▫ Welk een afschuwelijk contrast. Zou het de invloed van Goethe's Werther zijn?

 

1922 - zondag 15 oktober

Ik vond thuis een aardige brief van Hesse. Mijn Duitsch gedichtje vond hij ‘prachtvoll’ en mijn idee om in 't Duitsch te dichten noemt hij ‘grossartig’.

 

1923 - Nieuwjaarsdag. maandag

Belangrijke boeken die ik las: Nachsommer van A. Stifter, Siddharta van Hesse. Veele vroome boeken en geschriften.

 
 
 

Hippolyte Bernheim
Mulhouse  17 april 1840 - Paris  22 februari 1919,

 

Hippolyte Bernheim (1840-1919) was een Franse arts en neuroloog, geboren bij Mülhausen, de Elzas.   In 1867 haalde hij, in Strassbourg, zijn diploma als arts. In dat zelfde jaar werd hij medewerker aan de universiteit en vestigde zich als arts in de stad.

Na de Franco-Pruisische oorlog, waarbij Straatsburg bij Duitsland kwam, vestigde hij zich in Nancy waar hij later ging samenwerken met Ambroise-Auguste Liébeault.

Samen gingen zij experimenteren met hypnotisme in de geneeskunde en hadden bv veel invloed op Freud, die in 1889 Bernheim had bezocht en enkele experimenten had bijgewoond.

 

In 1886 verbleef Frederik van Eeden een tijdje in Nancy, bij Bernheim en Liébeault

Hierover staat niets in de dagboeken.

 
 
 

Hjalmar Wijk
1877-1965.

Industrieel (hout) te Göteborg; liberaal politicus en tweemaal parlementslid; aktief beschermer van kunst en wetenschap; steunde FvE financieel.

1920 - vrijdag 25 juni

Mooi weer maar droog en koel. ▫ Gisteren een goed bericht van Hjalmar, dat hij op Walden komt en mij mee wil hebben op reis.

woensdag 21 juli

Ik denk oover de constellatie Hjalmar, Tagore, R. Rolland en de Significi. ▫ Ik moet daar alle aandacht, tijd en zorg aan wijden. Wat zou het mooi zijn als we Tagore en Rolland samen door Duitschland konden laten reizen, met een wel-geformuleerde eenheidsgedachte.

zondag 1 augustus

Reegenachtig. Hjalmar is nu hier en het is prettig.

dinsdag 3 augustus

Mooi weer. ▫ Gister een nare dag in Amsterdam. Ik stond een uur of 1½ in de rei voor 't consulaat. Ik kon dat niet volhouden. Het deprimeerde me ontzettend. Ik wilde toen maar afscheid neemen van Hjalmar. Hij gaf me een paar bankbilletten en ik stopte ze in mijn zak zonder te zien wat het was, en ik begon te schreyen. Een gemengd gevoel van wanhoop, zelfverwijt, verneedering, spijt om Hjalmar's heengaan, gevoel dat ik het geld niet weigeren kon, en dat ik toch niet flink genoeg was om die pas te krijgen. Hjalmar ging door naar Brussel. Hij sloeg de Frans Halzen oover. Maar nu seint hij uit Brussel dat hij me wacht, in Hotel Metropole. ▫ En gister gelukte het mij, om vier uur, de visa op mijn pas te krijgen. Nu ging het heel gemakkelijk. In dit alles voelde ik de bestiering.

donderdag 5 augustus

Het rijden door Parijs, met Hjalmar was heerlijk. ▫ En gister avond ontmoette ik in 't Hotel Metropole de Beekhuizens uit Bolsward. Juist de menschen die ik daar op dat moment het liefste zou ontmoeten. Herinnering aan het gelukkige gezin, dat mij zoo warm ontving en waar ik zoo heerlijk rustte, na de prachtige wandeling van Witmarsum.

 

1921 - maandag 20 juni

Koel, bewolkt, droog. ▫ Een brief van Hjalmar. Hij komt vooreerst niet. Niet voor half Augustus. Er was een cheque, maar ik was zeer bedroefd omdat hij zelf niet komt. Ik ben zeer somber. Tengevolge van mijn zwakheeden en mijn dwaasheeden

1921 - donderdag 7 juli

Van nacht wat reegen. Nu stil en vochtig. ▫ Martha en Lize Kuyper logeeren hier. Een uitnoodiging van Hjalmar om weer met hem te reizen. Ik nam het dankbaar aan, en ik verheug mij er op, meer dan voor twee jaar

1921 - vrijdag 28 oktober

Hjalmar is naar Amerika. Hij is geheel door zaken-rommel belemmerd. het gaat hem slecht, hij is moedeloos en somber. Het stemt mij ook droef. Wat komt er van me, zonder mijn lang broertje?

 

I

 

Israël Querido 
Amsterdam, 1 oktober 1872 - Amsterdam, 5 augustus 1932

 

Israël Querido was een Joodse naturalistische schrijver. Querido kwam uit een arm gezin en moest al jong zijn eigen brood verdienen. Dat deed hij onder meer als horlogemaker, violist, diamantbewerker, juwelier en journalist. Als schrijver debuteerde hij in 1893 met een bundel gedichten onder de titel Verzen, spoedig gevolgd door Gedichten (1894), geschreven onder de indruk van een bezoek aan Parijs. Daarna schreef hij ook kritieken, die deels gebundeld werden.

Querido over van Eeden: Hij verklaarde zich vóór vele dingen, terwijl hij er zelden achter was, en, kwam hij erachter dan was hij er niet meer voor.

1919 16 april

Ik kreeg het groote boek van Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.

dinsdag 3 juni

 Querido poogt mij erg voor den gek te houden, maar hij is in 't geheel niet geestig. Wel grof en plomp. Het is goed dat ik dit nog las eer ik oover hem schrijf. Ik geloof toch dat Brouwer gelijk heeft in zijn oordeel oover hem. Hij zou hem een reus vinden - - als hij echt was. Maar dat is hij niet. En Couperus is er ook in geloopen.

maandag 28 juli

Koud, triestig. ▫ Ik ben verlamd door de kou, en kan niet werken. Ik heb ook geen zelf-vertrouwen. ▫ Ik las in Querido's boek en met genoegen. Zelf daarbij een machteloos gevoel.

maandag 20 oktober

Zonnig, koud herfstweer. ▫ Gister avond las ik Querido's Koningen uit. Ik voelde mijzelven zwak en klein bij zijn geweldige geestkracht en werkkracht vergeleeken. Ik wist niet wat te doen, want een blinde zelf-verneedering teegenoover een ijdel man is dwaasheid. Maar ik voelde toch deemoedig, geneigd tot erkennen en toegeeven in mijn vreesselijke beproeving. Ik heb geen trots en geen zelfvertrouwen. Toch wil ik niet toegeeven wat onwaar is en geen onrecht erkennen als recht. Ik dacht er oover hem te schrijven en te bezoeken.



 

J

 

Jacob Israël de Haan
Smilde, 31 december 1881 — Jeruzalem, 30 juni 1924

 

Jacob Israël de Haan  was een Nederlands schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde en (anti-)zionist. Hij emigreerde in 1919 als zionist naar Palestina. Hij werd daar op 30 juni 1924 vermoord door Avraham Tehomi in opdracht van de Joodse paramilitaire organisatie Hagana.

Toen in 1904 Pijpelijntjes (het boek speelt in de Amsterdamse wijk De Pijp) uitkwam, opgedragen aan "goede A. Aletrino", letterkundige en vriend van De Haan, bleek het een homoseksuele thematiek te hebben. Aletrino reageerde geschokt. P.L. Tak, hoofdredacteur van het socialistische dagblad Het Volk, stuurde De Haan een ontslagbrief, om hem de volgende dag te schrijven dat hij nog altijd welkom was om te "spreken met iemand die wat ouder is" (Tak zelf). Frederik van Eeden, ook een vriend van De Haan, keurde het boek af; Lodewijk van Deyssel reageerde aanvankelijk welwillend, maar allengs afhoudender. Uiteindelijk werd De Haan ook op staande voet ontslagen als onderwijzer.

 

 

Hieronder uittreksels uit: Jacob Israel de Haan vermoord - door Gerard Walschap. Waarin verwezen wordt naar uitspraken van FvE over J. I. de Haan.

 

Hij immigreerde in 1919 naar het oude vaderland, Jeruzalem - bij zijn vertrek vertelt Fred. van Eeden:

‘Ik sla mijn dagboek-bladen op, uit Januari 1919, den tijd dat hij ons verliet. ‘Afscheid van Joop! Hij was blij met het vers van mij. Er waren veel menschen bij hem en er werden tranen vergooten. Ik had het ook te kwaad. Mijn trouw vriendje!! Hij was zeer druk en spraakzaam. Aan 't station stonden de Zionisten en zongen hem het Hatikwa-lied toe. Het was mooi en ontroerde mij...’

 

Op een avond dat hij in de plaatselijke synagoog het avondgebed had bijgewoond, begeeft hij zich naar den directeur van het ziekenhuis, Dr Valack. De binnenplaats overstekende wordt hij plotseling door drie kogels in de hersenen getroffen. Zoo goed als oogenblikkelijk gaf Jacob Israel den geest.

Toen schreide om hem zijn vriend Frederik van Eeden en gaf woord aan onzen wensch: ‘Arme Jacob Israël! misschien schijnt u nog eindeloos ver de afstand tusschen u en Gods vergeeving, eindeloos ver als de afstand tusschen de sterren! Maar waar zoo gebeeden wordt voor u en door u daar is ook redding in 't duizelend verschiet’.

 

‘Er is een allernauwste betrekking tusschen ons ethisch leven en het dichterlijk woord. Het dichterschap is een aangebooren gave. Wie deeze gave voedt met diepgaande oprechtheid zal haar zien ontwikkelen en ontluiken. Wie haar kunstmatig tracht te verfraaijen, die zal de vingers al schrijvende voelen verlammen en het heerlijke Godsgeschenk - het schoone woord - zien verslappen en afdalen tot uiterlijk fraaye klink-klank, tot leedig en hol gerijmel.

Jacob Israël, mat en verward aanvangend, maar met een geweldig ethisch innerlijk leeven, oprechtheid en vroomheid, geeft in zijn rijper leevensjaren een zoo rijke poëtische schat, dat hem een waereldsche roem verzeekerd is, die hij nooit zocht.

Al wat hij maakte, tijdens en na de periode die ik zijn bekeering noem, heeft die diepe oorspronkelijkheid en echtheid, die eenvoudig schijnt te spreeken en toch doordringend machtig werkt. Jacob Israël is een groot dichter geworden.’

(Fred. Van Eeeden.)

 

‘Maar Jacob Israël was een eerlijk zondaar, vroom van nature en een dichter. In zijn losbandigheid was geen kleinheid, geen geniepigheid. Hij was een oprecht en eerlijk zondaar, geen gepleisterd graf. Alle huichelarij was hem vreemd... Zijn oprechtheid die geen uitvluchten zocht, deed hem oopenlijk zijn kwaad erkennen, terwijl zijn vrienden angstig hun goeden naam poogden te redden... Hij spaarde zichzelf minder nog dan anderen... Zijn goeden naam, zijn positie onder de menschen, zijn fatsoen, om dat alles bekommerde hij zich niet. Hij heeft het ook alles verlooren, royaal in den wind gegooid, fatsoen en naam en positie.’ (Fred. Van Eeden. De Maasbode, 12 Juli.)

 
 
 

Jacob Reinoud Theodoor Ortt
Amsterdam 30 nov. 1817 - Den Haag 16 juni 1887

 

Was, na zijn studie aan de MA in Breda, werkzaam bij de waterstaat met verschillende standplaatsen. Van hem kwam het plan tot ontruiming van Schokland; aan hem werd ook de uitvoering ervan opgedragen. Door zijn buitengewone staat van dienst werd hij hoofdinspecteur van de waterstaat. Schreef o.m. Eenige waarnemingen en opmerkingen over het opwaaien van water (1872)

Hij was de vader van oa Felix Ortt en Henriette Ortt – respectievelijk vriend en jeugdliefde van Frederik van Eeden.  

1879 – 14 augustus

Ik heb aan het oude lieve huis gescheld, waar mijn leed geboren en mijn rust gestorven is. De schel klonk nog even als vroeger, toen wij samen op de stoep stonden en ik het schellen zoo lang mogelijk uitstelde. ▫ Als hij tweemaal overging, dan was het goed. Maar hij ging veel meer over en klonk als een doodsklok. ▫ Het was erg stil in huis, want mijnheer was er alleen. Ik zag haar in alles. Daar stond dat lage stoeltje, waarop zij zat als wij Latijn corrigeerden, en daar lag dat kleedje waarop zij zoo dikwijls lag en in den gloed van de kachel keek. ▫ Hier heb ik haar gekust en daar ook en daar ... ▫ Een oogenblik kreeg ik het te kwaad en de kamer begon te draaien en de lampen te dansen en door den nevel van mijn tranen zag ik haar glimlachen op haar portret. ▫ ‘Ik zal je ongelukkig maken, jongen.’ ▫ Ja, daar vrees ik ook voor. ▫ Ik heb rustig geschaakt en goed gespeeld. Later hebben wij ernstig gesproken en mijnheer was het met mij eens. ▫ En toen begon hij weer over zijn Christendom en toen was ik het niet met hem eens. En nu ben ik opgescheept met een stichtelijk boekje met stichtelijke onzin, een projectiel afgezonden op mijn ongeloovig brein. ▫ Een naar projectieltje!

1882 – 16 augustus

Heden avond bij Ortt geweest. Ik word er altijd stil. Het is er vol verhalen van vroeger, - alles spreekt van vroeger. Ik begrijp nu eerst recht den invloed die dat huisgezin op mij gehad heeft. Pijnlijk doet het mij aan als ik denk hoeveel ik verloren heb in den dagelijkschen omgang met hen en hoezeer ik eigenlijk ben achteruitgegaan op dat punt. Er heerscht geen geestvol of leerrijk discours en toch schijnt elk ander gezin klein en laag bij den grond, bij hen vergeleken. ▫ Nooit ben ik meer geneigd edele gezindheid en een rein en liefdevol hart boven een verlicht hoofd te stellen dan daar. ▫ Het kan echter samengaan. Ik bespeur nog meer wanneer ik bij Ortt ben. Ik heb aan van Deventer over Stimmungspoesie geschreven en naar voorbeelden gezocht van kunstwerken die zulke poëzie voor mij inhielden. Welke waren het? Ekkehard als dichtwerk, Schumann als muziek. En Ekkehard las ik van Henri en Schumann speelde Mevrouw Ortt voor mij. Neen de poëzie lag niet zoozeer in die werken als in mij op die leeftijd. Ik gevoelde nu, dat die leeftijd voorbij was. En dat nooit een nieuw kunstwerk mij zou kunnen geven wat ik Stimmungspoesie noem. Die ziet men alleen als men haar in zich heeft. Dat had ik alleen in die tijd toen het groote gevoel: liefde, in mij ontwaakte. Dat wordt het nimmer weer.

 
 
 

Jacobus Joannes Antonius van Ginneken
Oudenbosch 21-4-1877 - Nijmegen 20-10-1945

 

Linguïst en katholiek apologeticus. Zoon van Pieter Josephus Hijronimus van Ginneken, brouwer, en Cornelia Jacoba van Aken.

Van Ginneken volgde de handelsschool en later het gymnasium aan het St. Willibrord College te Katwijk aan de Rijn en studeerde vervolgens twee jaar aan het klein-seminarie te Culemborg. In 1895 trad hij in bij de jezuïeten, waar hij achtereenvolgens twee jaar noviciaat en twee jaar aanvullende studies deed en drie jaar de filosofiecursus volgde.

Van Ginneken behoorde met onder andere Frederik van Eeden en Jacob Israel de Haan tot de oprichters van de Signifische Kring, die door middel van een studie naar de psychische associaties van het gesproken woord een bijdrage wilde leveren aan het wegnemen van de misverstanden en het wantrouwen tussen verschillende sociale groepen.

1919 – 14 november

Maandag was ik bij 't instituut, met Mannoury, Brouwer en Pater van Ginneken. De laatste sprak veel en goed en maakte een prettigen indruk. Een forsch gebouwd man met een luide stem, geestige oogen en grooten neus. ▫ Het was een interessante bijeenkomst. Het bleek dat de Jezuïten veel meer leeven en evolutie toelaten dan de andere Katholieken

8 december

Van Ginneken is een geniaal, merkwaardig man, en zijn besliste aanvaarding van de katholieke hoofdleer en daarbij zijn bizonder intellect geeven een indruk van rust en troost. Hij weet ten minste beeter wat hij zegt dan de anderen.

1923 – 16 april

Ik stond teegenoover van Ginniken en zeide hem met volle oovertuiging dat ik zeer gelukkig was, en dat het mij nooit zoo goed was gegaan als thans. Dat bevreemdde mij zelf, want ik dacht dat het leeven mij nooit zoo zwaar was gevallen als thans. ▫ Maar het was als sprak mijn onbewuste blijheid door het sombere uitwendige heen. De somberheid is maar aan 't oppervlak. Daar binnen is het licht. Maar ik kan er niet altijd bij koomen.

 
 
 

 

Portret van Eeden door Jac van Looy

Jacobus van Looy
Haarlem, 12 september 1855 – aldaar, 24 februari 1930

Nederlands schilder en schrijver.

Van Looy was de zoon van een timmerman. Zijn ouders stierven kort na elkaar en vanaf zijn vijfde jaar groeide hij op als weesjongen in het Haarlemse Gereformeerd Burgerweeshuis aan het Groot Heiligland. In dit gebouw is nu het Frans Hals Museum gevestigd. Hij leerde voor het vak van huis- en rijtuigschilder, maar mocht vanwege zijn talent daarnaast tekenlessen volgen. Hij studeerde aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, en was bevriend met o.a. Willem Witsen.

Door zijn lidmaatschap, sinds maart 1883, van de letterkundige vereniging 'Flanor' raakte Van Looy ook bevriend met aankomende literatoren als Willem Kloos, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey. Nog vóór de oprichting van De Nieuwe Gids droeg Kloos al een sonnet, geïnspireerd op Van Looys schilderij 'Eva', aan hem op; Van Looy schilderde niet alleen een portret van Van Eeden, maar ontwierp ook het omslag voor de boekuitgave van diens toneelstuk Het poortje of De duivel in Kruimelburg. Het portret bevindt zich nu in het Frans Hals Museum

Wil je nu nog iets van Holland hooren en van de vrienden? Allebé sprak mij op straat aan om te vragen of ik iets van je gehoord had. Veth heeft mij trouw je berichten laten lezen. Witsen komt met Sam [Arnold Aletrino] bij Chap [van Deventer] muziek maken, trio's voor cel, viool en piano met Veth, Kloos en mij tot publiek. Ik ga nu zeker eens naar Witsen toe bij den eerste besten mooien voorjaarsdag. De sneeuwklokjes kijken in Haarlem overal uit den grond, witte kelkjes met groene randjes, ze hangen zoo bevallig aan hun slanke steekjes en zien bedeesd naar den grond.
Brief van Frederik van Eeden aan Jacobus van Looy, Amsterdam 16 maart 1885

 

1896 - 4 januari

Grijs, stil dooiweer. ▫ Het jaar begon met den sterken indruk van van Looy's stuk. Dat vervulde mij zeer. Het is verwonderlijk zoo sterk indrukken mij tegenwoordig aandoen. Niet vele, maar enkele dan ook geweldig. Ik vond het stuk niet bizonder mooi, ook niet onaangenaam. Maar het taalwerk trof mij zoo. Het was geen prettige, en geen pijnlijke indruk. Maar druk vervullend.

1911 - 11 oktober

Vandaag sprak ik Jac van Looy, dien ik in vele jaren niet zag. Ik vond hem op eens een oud mannetje, geheel grijs, met lispelstem door ontbrekende tanden en een gecouperoseerde gelaatstint. Zoo vond ik nog geen van mijn tijdgenooten. Hij scheen mij werkelijk uitgedoofd. Mijn achtenzeventig jarige moeder scheen mij niet zoo oud als hij. ▫ Hij was een gedenkteeken op 't graf van van Oord wezen onthullen

 
 
 

Jacques Perk

Dordrecht, 10 juni 1859 - Amsterdam, 1 november 1881

 

Jacques Fabrice Herman Perk was een begaafde, jonge Nederlandse dichter, wiens sonnettenkrans Mathilde, uitgegeven door Willem Kloos, de opmaat vormde voor de vernieuwende Beweging van Tachtig in de Nederlandse literatuur. Hij was de zoon van dominee Marie Adrien Perk en de neef van Betsy Perk, een vooraanstaand voorvechtster van de rechten van de vrouw.

Hij overleed al op 22-jarige leeftijd te Amsterdam door een longaandoening, na een kort ziekbed.

De jong gestorven Perk werd door de Tachtigers hoog geëerd: Kloos bewonderde de individuele vorm van zijn gedichten; Verwey zijn streven naar ideële schoonheid; Van Eeden zijn zuivere ziel.

Ach! het moge waar zijn dat de hemelsche machten het goed meenden met den jongen dichter, - maar als een bewijs van liefde voor ons vaderland en onze vader­landsche kunst kan ik het niet verstaan.

Eerder vind ik aanleiding voor de bittere klacht dat wij wel in een godvergeten land en in een onder zwaren vloek gebogen volk moeten leven, als er de eerste stem die na eeuwen voos gebulder, banaal gepraat, deftig ge­rijmel. en min of meer bescheiden provinciaal gedicht, moedig den gansch ongewonen helderen klank verhief van weidsche, universeele schoonheid, zoo onverbiddelijk snel werd gesmoord, - dat de eerste gestalte die zich tusschen zooveel burgerlijke eerzaamheid en onzekere wijsheid zoo stellig welbewust oprichtte tot een hoogere, algemeen-wereldsche staat en waardigheid, zoo plotseling en wreed werd neergeveld

Voorzeker ! den jongen man werd een harde lijdens­weg, onvermijdbaar bij 't handhaven zijner fiere houding, liefderijk bespaard, maar ons volk werden ook de zoete vruchten van vreugde en schoonheid onthouden, die aan zulk een lijdensboom groeien

Van Eeden over Perk in ‘de Amsterdammer’ van november 1906

 

Hemelvaart

 

De rondende afgrond blauwt in zonnegloed,
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven,
Mijn ziel wiekt als een leeuwerikszang naar boven,
Tot, boven 't licht, haar lichter Licht gemoet.

 

Zij baadt zich in den lauwen ethervloed,
En hoort met hosianna's 't leven loven,
Het floers is weg van de eeuwigheid geschoven,
De Godheid troont - diep in mijn trotsch gemoed.

 

De hemel is mijn hart, en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard
En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet.

 

Ik zie daar onverstand en zielevoosheid -
Genoegen lacht - ik lach - en, met een vaart,
stoot ik de waereld weg in de eindeloosheid.

 

 

 
 
 

Portret van Eeden door Jan Veth

Jan Pieter Veth
Dordrecht, 18 mei 1864 - Amsterdam, 1 juli 1925

  

Hij was een Nederlandse kunstschilder, dichter, kunstcriticus en hoogleraar kunstgeschiedenis en esthetica.

Na zijn huwelijk in 1888 vestigde hij zich in Bussum. Jan Veth is vooral bekend geworden als portretschilder. Daarnaast was hij ook dichter; hij behoorde tot de beweging van de Tachtigers en publiceerde o.a. in De Nieuwe Gids. Voor "De Kleine Johannes" van zijn vriend Frederik van Eeden maakte hij het bandontwerp en leverde daarmee een bijdrage aan de ontwikkeling van de kunstboekverzorging in Nederland.

1891 – 11 februari

Ook een album[1] gekregen van een jongeheer Mijnssen, vol banaliteiten van bekende lui. Laurillard zette er in: ‘Het leven is een scheurkalender’ Jan ten Brink: ‘Mijn overtuiging is altijd: a thing of beauty is a joy for ever’ Kostelijk! ▫ Karakteristiek onderscheid tusschen Jan Veth, Gorter en mij. Jan Veth weigerde iets in het album te zetten, met een nijdige uitval over de dwaasheid er van, aan mr. Mijnsen. ▫ Gorter zegt: och! dat zullen we maar niet doen, he? ▫ Ik zeg: Gaarne! - en toen het kwam zette ik er een malligheid in, omdat ik de deftigheid van de zaak zoo ridicuul vond, en nog had ik vrees het jonge mensch niet aardig behandeld te hebben. ▫ Gorter is het best, want Jan doet het uit te veel theorie, en ik met te veel overweging.

3 juli

Goed weer, wat koeler (65o) wolken. ▫ Ik kan uren stilzitten zonder mij te vervelen, (gister geposeerd voor Jan Veth)

 

1914 - dinsdag 27 oktober

Gister ontmoette ik Jan Veth, en ik sprak hem aan, bedenkende dat de vreede hersteld was en dat ik misschien met hem in één redactie moest zitten. Maar ik kreeg nooit zoo'n onplezierige indruk van iemand die mij vroeger bevriend was. Ik behield een weeë herinnering van zijn weeke, kouë/ dikke hand, en in zijn gezicht was alles vermaterialiseerd. Hij deed schutterig arrogant, zeeker ook uit verleegenheid. Hij komt niet in de redactie. Gelukkig!



[1] poesiealbum

 

 
 
 

Joannes Theodorus de Groot
4 Juli 1848 Schiedam -
Amsterdam op 26 Februari 1922

Kerkelijk hoogleraar in de Thomistische wijsbegeerte sedert 1894, te Amsterdam sedert 1914; dominicaan

1919 – 7 mei

Gister was ik met Mannoury bij Pater de Groot. Wij hadden een aardig en plezierig wijsgeerig gesprek. Hij vertelde ons van Marie Heurtin, het doofstom-blinde meisje. Dat door geduldige liefde van haar pleegzuster geheel tot besef en verstandhouding is gebracht. Zij kan nu Brailleschrift leezen en type-schrijven, en ze is gelukkig en innig vroom geworden. Ze wil zelfs niet beproeven naar Lourdes te gaan - hoewel ze er aan gelooft - om des te beeter, na haar blinde leeven, Gods heerlijkheid te zien.

 1921 – 24 september

Het is nu bepaald dat ik den aartsbisschop zal vragen om pater de Groot aan te wijzen als de persoon die mij inlichtingen geeft. En als die dat doet, dan zal mijn Doop in de Abdij plaats vinden, zoodra pater de Groot het genoeg vindt. ▫ Ik heb diep en rustig geslapen. De droefheid kwam weer, kort na 't ontwaken. Toen zag ik op teegen den strijd. Maar bij de vroegmis was ik kalm en dankbaar.

1922 – 13 februari

Ik heb mijn leermeester gezien en gesprooken. Hij scheen weinig hoop te hebben, hoewel hij wel weer verbeeterd was. ‘'t is mis met me’, zei hij ‘mijn hart deugt niet.’ ▫ Ik had mijn hart vol vriendelijke woordenen troost voor hem, maar ik kon zijn zorg niet wegneemen. Ik sprak met den rector van het huis, pastoor .....? Hij zei dat pater de Groot zoo alom bemind werd, door iedereen. Hij heeft een grooten invloed.

donderdag 23 februari

Van God en Zijn Gena wil ik getuigen

tot mijnen Dood

 

 Ik zag een dreigend donkre wolken-drift

 met vuur'ge, blindend-blanke kartel-zoomen,

 en ik herkende, omstraald door vlammen-stroomen

 God's heilig Schrift.

 

Hij schreef voor mij aan 't oopen firmament

in lichtkarakters de verheeven konde

dat hij mij zou te niet doen elke zonde

tot aan mijn end.

 

De waereld zweeg, alleen de Heemel sprak -

van donker leed en van een diep verdrieten

maar ook van helle peillooze verschieten

waar 't licht uit brak.

 

Ik had gegeeten van der Englen Brood -

ontzondigd ben ik en kan vrijuit juichen,

ik mag van God en Zijn gena getuigen

tot mijnen dood.

 

Dit zijn nog maar enkele klanken, die ik hoor. Ze vervolgen me, en toch voel ik nog niet ver genoeg om ze voort te zetten. ▫ Het zou een in memoriam worden voor pater de Groot - maar gisteren sprak ik nog met hem en het kan zijn dat God hem nog eenige dagen of weeken op aarde gunt. ▫ Ik bid voor hem dat hij nog bij ons mag blijven. Is God's wil anders, dan bid ik dat hij vreedig en zalig mooge heengaan.

 

28 februari

Eergister 26 februari stierf mijn lieve leermeester, pater de Groot. Ik schreef een gedicht. Onder veel tranen.

                                BIJ DEN UITVAART VAN PATER J. V. DE GROOT O. P.

Ik zag een dreigend zware wolken-drift

met blinkend-gouden, kartelende zoomen,

en 'k las, omstraald door helle vlammen-stroomen,

God' s heilig schrift.

 

Hij schreef voor mij, aan 't oopen firmament,

in licht-karakters, de verheeven konde,

dat Hij de doodelijke schicht der zonde

had afgewend.

 

De waereld zweeg, alleen de Heemel sprak ­

van donker leed en van een diep verdrieten,

maar ook van peilloos zalige verschieten

waar licht uit brak.

 

Ik heb gegeeten van der Englen Brood,

ontzondigd ben ik en kan vrij uit juichen,

ik mag van God en Zijn gena getuigen

tot mijnen dood.

 

De vriend, die mij geleidde, in 'tVaderhuis,

streeft mij nu vóór, in blijde heemel-landen,

terwijl zijn koude, witte, stille handen

omsluiten t' Kruis.

 

Geliefde Leeraar, die nu de Englen ziet,

Gij leerdet mij door leeven en door sterven,

Wie kan onmeetelijker schat beërven

dan gij mij liet?

 

Gij hebt uw laatste taak aan mij verricht.

Uw laatste krachten hebt ge willen geeven

om mij te redden voor het Eeuwig Leeven

en ' t Eeuwig Licht.

 

Ik zie den leegen heemel weer bevolkt

en kniel met de geloovigen te samen,

waar in het kleurig licht der hooge ramen

de wierookt wolkt.

En statig dreunt de lofzang door 't gewelf:

hier ligt een eedel strijder uitgestreeden,

hem dragen onze dankbare gebeeden

tot Jezus zelf.

 

Ik weet de kracht nu van het vroom gebed.

Ik laat niet af, Heer! 't zij dan met Uw zeegen.

Ik roep U, bij elk zeggen of beweegen,

bij elken tred:

 

O Heer der Waereld! hoor mijn smeeken dan!

ik bid voor hem, die eens mij leerde bidden.

neem in Uw arm, voer in der Zaal'gen midden

dien dierbren man.

 

Was niet zijn hart vol goedheid, als van 't kind

eenvoudig en oprecht? - maar onverwinlijk

in liefdekracht - Wie kende ik zóó beminlijk

en zóó bemind?

 

Hoe vreedig was het in zijn stil vertrek,

daarbuiten straat-rumoer en woelig leeven,

hier hooge wijsheid, aandachts-vol verweeven

in zacht gesprek.

 

Machtige Heil'ge[1], wiens diepzinnig woord

hij ons verklaarde eerbiedig en bescheiden,

Wil hem ver-wellekoomen en geleiden

in ' t heemelsch oord.

 

Maria, zuivre Moeder, reine Vrouw,

Rein was ook deeze in denken en in daden

Breng hem het heil, en troostende genade

in onze rouw.

 

Maart 1922



[1] Thomas van Aquine.

 
 
 

Joh. M. Jolles
1871-1956

Advocaat, later president van het gerechtshof te Amsterdam, woonde te Bussum, rechtskundig adviseur van de Eendracht en persoonlijk raadsman van FvE.

1906 - oudejaarsavond

Evenmin twijfel ik aan het succes van Walden, nu Methöfer komt.

Met Emons, Methöfer, Menger en Jolles heb ik een staf, waaraan ik wat kan overlaten.

1914 - 12 maart

Martha woont in een huis dat van Janssen hoort, haar inboedel is verpand aan Jolles, alles tot dekking van de door mij gemaakte schulden. Nu is een schilderij van Van Gogh - dat ik indertijd mee kreeg uit Parijs - dat in dien boedel hoorde voor f 14000 verkocht. Daarmee zou de inboedel geheel afgelost zijn. Maar Martha wil ook Betsy er mee betalen die 12000 verloor op Walden. En ze wil zelf maar f 1000 ooverhouden. Wat een complicatie! ▫ Het wordt waarlijk tijd dat de menschen niet meer om geld denken. Wat een verlies aan tijd en energie!

1919 - 3 maart

'S Avonds kwam Jolles en vertelde weer geestig en treffend van de misdadigers-waereld. Het zijn benden, vereenigingen ‘de zwarte Hand’. Met hun vaste vergaderlokalen en bijeenkomsten. Hun ‘opperhoofd’ en handlangers. Jolles behandelt ze menschelijk, en ze hebben eerbied voor hem. Het is als een voortduurende strijd, met beginselen van ridderlijkheid. ▫ Het diepst veracht hij de handlangers die mannen besteelen die met een vrouw zijn meegegaan. De vrouw legt hun kleeren weg, en de handlanger haalt het geld er uit. Een man had f 24000 bij zich en gaat met een vrouw mee - en laat zijn goed in een ander vertrekje brengen, waar het doorzocht wordt en het geld er uit gehaald. Meest O.W. ers. Wat een cultuur-toestand!

1920 - 15 maart

Gisteren bespreeking met Jolles en van Nierop die iets voor mijn verjaardag willen doen. Het was goed bedoeld en de hartelijkheid verheugde me.

1922 - 15 mei

Ik ging naar Hesta om weer eens te tennissen. Maar daar kwam niet van. Ik trof er Jolles die mij de meededeeling deed dat ik nog altijd geld aan hem - of aan Janssen - schuldig ben. Hoeveel wist hij niet nauwkeurig. Dit was ook niet opvroolijkend. Ik meende nu van alles af te zijn

1923 - 26 februari

Het reegent en ik ben weer uiterst somber. Jolles en Schmidt doen hun best de subsidie voor mij te behouden. Als ik er aan denk dat ik misschien zal moeten verhuizen, dan begeeft mij alle energie. Ik kan het niet meer. Ik weet volstrekt niet waarheen. Het dreigt me als een akelig spook.

 
 
 

Johan Andreas Dèr Mouw
Westervoort, 24 juli 1863 - Den Haag, 8 juli 1919

 

Hij was een taalkundige, letterkundige en filosoof. Als dichter is hij ook wel bekend onder het pseudoniem Adwaita. Hij dichtte de beroemde regels "Ik ben Brahman, maar we zitten zonder meid". Waarmee hij in één zin de problematiek van zijn leven samenvatte: die tussen De Idee en de alledaagse werkelijkheid.

Zijn werk vertoont opvallende gelijkenissen met het werk van zijn voorgangers. Zo vertolkt Albert Verwey ook de Al-gedachte in zijn poëzie, is Dèr Mouws stijl deels vergelijkbaar met die van Gorters Mei, en was hij evenals Boutens en Leopold een classicus met interesse voor oosterse mystiek.

1918 - woensdag 5 juni

Jaap de Haan gaf mij vier cahiers vol verzen van een onbekend dichter, wiens naam hij niet noemde. Hij was wel bekend als filosoof, niet als dichter. ▫ De verzen troffen mij zeer. Ik las ze in den trein en vond het een ster van de eerste grootte. Ik dacht aan Mannoury. Maar die spelt anders. Het handschrift is al merkwaardig. Elke letter staat los. Het is vreemd, fantastisch, vol Indische en mathematische wijsheid. Soms al te abstract, maar ook weer zeer plastisch en schitterend en ooveral echt. Het zijn veel sonnetten. Ik dacht niet dat het moogelijk was nu nog zooveel uit dien vorm te halen. En het werk verheugde mij. Ik was niet jaloersch. Het gaf mij rust.

donderdag 6 juni

't Zelfde, drooge, zonnige weer. Koel en dor. ▫ De verzen hebben mij zeer aangepakt. Ik dacht wel terstond dat ze anti-christelijk zouden zijn.

Er koomen dan ook heevige expressies in voor, teegen Christus. En hier kom ik weer in den zelfden strijd. Ik vind die verzen oprecht, en ik begrijp zijn verbittering. ▫ Aan den anderen kant bewonder ik ook weer Truida's kinderlijk Jezus-geloof. ▫ Het conflict maakt me niet droevig. Omdat ik zeeker weet, dat ‘Hij weet wat maaksel wij zijn.’ ▫ En ik zou als ik Christus was, den verbitterde zoo innig vergeeven en begrijpen. ▫ Zeeker! er is iets om bitter te worden in die voorstelling: onze zonden afgekocht door een offer, gebracht door een schuldlooze. ▫ Dat is om des duivels te worden. Een ‘kwakzalvers-wonder’ zegt de onbekende dichter. ▫ Voor mij is nu de vraag, die beiden te vereenigen. De vertrouwend geloovige en de onverbiddelijk oprechte. ▫ En die oprechte is zoo geweldig sterk, zoo majestueus in zijn bitterheid. ▫ Is dat de grootheid van Lucifer? ▫ Maar ook de eerwaardige Spitteler spreekt zoo. Ook hij heeft bittere ironie voor den brave en geloovige en bewondering voor den sterke, oprechte - die zegt: ik ben Brahman. ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leeven. Ik beb geen Christus noodig om mijn zonden te vergeeven. ▫ Ik vergeef.’

Ik bewonder ook versreegels als de volgende, zoo schijnbaar blasfeemisch:

‘'k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.’

En dan die pracht-vizioenen, die aanwending van kleuren, die geweldige fantasieën, die natuur-beschouwing. ▫ Ik moet dien man kennen.

maandag 10 juni

Des avonds las ik in de verzen. Ik heb een brief van den Dichter, dèr Mouw. ▫ Hij komt Zaterdag hier. Hij moet een pseudoniem kiezen, vind ik. ▫ Ik was verrukt oover de taalpracht van zijn werk, en de diepte en de kracht. ▫ Dit is een groote zeegen, ook rechtstreeks voor mij. ▫ Hier vervolgt de lijn van Vondel oover Jacques Perk en oover mij. Ik zie den invloed op zijn werk, van Perk, en van mij (Ellen, de Broeders). ▫ Van Kloos eigenlijk niet. Hij is booven Kloos, laat Kloos ter zij. Hij vervolgt Perk en mij. Ook van Verwey vind ik weinig of niets. Noch van Boutens. ▫ Daarom is hij een bevestiging van mijn eigen werk.

 

1919 - zondag 6 juli

Ik was droevig gestemd en hoorde later dat Dèr Mouw een beroerte heeft gekreegen en nog bewusteloos is. ▫ Dat trof mij diep en smartelijk.

donderdag 10 juli

Koel en grijs. Mijn vriend is heengegaan -

Ik kan van droefheid niet veel zeggen -

Ik kreeg gisteren nog hoop.

zaterdag 12 juli

Heerlijk weer. ▫ Ik was gister bij de crematie. Ik wou een vers van hem

voordragen, maar de familie wilde het liever niet. Ik was zeer bedroefd en schreide. Ik reed met de auto naar den Haag, in twee uur en praatte veel met dèr Mouw's vrouw. ▫ Hij is nog bij kennis geweest, en praatte subtielwijsgeerig.

Ik at bij Breithaupt en zei mijn meedewerking toe aan ‘the Word’. Ik schrijf oover Adwaïta

 
 
 

John Loudon
's-Gravenhage, 18 maart 1866 – Wassenaar, 11 november 1955

Loudon was een topdiplomaat en minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij was de zoon van oud-minister en oud-gouverneur-generaal James Loudon, die een studie over volkenrecht met een dissertatie afrondde. Hij bekleedde achtereenvolgens diplomatieke functies in Peking, Londen, Parijs, Tokio en Washington.  Na de oorlog werd hij gezant in Parijs.

1914 - 5 november

Eergister was ik in Den Haag met Eduard van Nierop, en bezocht minister Loudon in 't ministerie. Een groot, stil, voornaam, stijlvol huis. En daarin de groote, steevige, rustige en voorname persoonlijkheid van Loudon die zijn geweldige verantwoording met een kalme veerkracht draagt, die werkelijk imponeert.

1915 - 3 februari

Ik sprak den 26en in Den Haag en weer gelukte mij de eenheid te krijgen. Loudon was onder mijn gehoor. Ik logeerde bij Borel en lunchte bij Loudon. Toen ik hem sterkte wenschte in zijn zware taak zei hij: ‘U helpt me ook daarbij.’

4 mei

Gister lunchte ik met mijn vrouw bij de Loudon's waarmee wij iedere maal meer bevriend worden. Het is zulk een zeldsaam type, kinderlijk en toch zeer mannelijk en wilskrachtig, verfijnd en gedistingueerd en toch zeer forsch, een reus. Diplomaat en toch zeer oprecht. Artistiek en dichterlijk voelend.

1918 - 14 september

Ik had een scherp weemoedig verlangen naar huis. Ik was bij Loudon, bij van Noppen, en probeerde Dr Rosen te spreeken, maar te vergeefs.

Bij de Loudons was het aangenaam. De luxe stoorde mij niet, maar ik voel toch steeds de teegenstelling.

4 december

Ik wil naar Parijs en schreef aan Loudon en aan van Gennep.

1919 – 13 januari

Er was gister een brief van Loudon die mijn komst te Parijs moogelijk maakte. Nu zal ik moeten gaan.

16 maart

Een brief van Loudon dat hij naar Holland komt, en dan na een week weer vertrekt. Daarop zullen we wachten. Misschien kunnen we samen reizen.

6 augustus

's Avonds 7 uur. Nu ben ik wat beeter. Na een koud bad. Ik sprak drie uuren met de Loudons en voelde erg hartelijk. Ik hou van ze.

 

L

 

Lodewijk van Deyssel
1864 - 1952

Lodewijk van Deyssel was het pseudoniem van de Nederlandse schrijver Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (Amsterdam[1], 22 september 1864 - Haarlem, 26 januari 1952). Hij was de zoon van de boekhandelaar-uitgever Joseph Alberdingk Thijm. In 1887 huwde hij met Catharina Horyaans, van wie hij in 1918 scheidde.

 

Samen met onder anderen Willem Kloos, Frederik van Eeden en Herman Gorter behoorde Lodewijk van Deyssel tot de Beweging van Tachtig of de Tachtigers. De eerste publicatie van zijn hand (De Eer der Fransche Meesters} verscheen in 1881 in het tijdschrift van zijn vader De Dietsche Warande. In de periode 1882-1889 werkte hij mee aan het weekblad De Amsterdammer. In 1885 werd De Nieuwe Gids opgericht, waaraan hij meewerkte (hij trad echter niet toe tot de redactie). Als groot bewonderaar van Emile Zola debuteerde hij in 1887 met de naturalistische roman Een liefde. Van Eeden noemde deze liefde 'onzedelijk'. Dit veroorzaakte een conflict binnen de redactie van De Nieuwe Gids. Naar aanleiding van een ruzie met Frans Netscher, die geregeld publiceerde in dit tijdschrift, schreef Van Deyssel de brochure Over literatuur (1886). Samen met Albert Verwey richtte hij in 1894 het Tweemaandelijks Tijdschrift op en bleef daarvan redacteur na de voortzetting van dit tijdschrift onder de naam De Twintigste Eeuw.

 

Hij was bevriend met FvE 1890-1901, hun correspondentie is uitgegeven: De briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel door H.W. van Tricht en Harry G.M. Prick

 

Een Onzedelijk Boek. Door Frederik van Eeden.

Nog iets over het boek van L. Van Deyssel. Er is nog niet te veel over gezegd en ik vind het minstens evenveel woorden waard als het ontslag van Dr. I.M. Smit, de motie-Jelgersma, het liberale programma, of als een redevoering van Schaepman, van Moleschott of van Bismarck. Wie het niet met mij eens is, kan zich bij een van deze onderwerpen bepalen en dit overslaan.

Met bizondere duidelijkheid is dit boek onzedelijk genoemd. Mijn vriend Verwey heeft het woord gebruikt en onze kroniekschrijver heeft het aangenomen. Dit hebben deze schrijvers niet gedaan om ons groote publiek een veer op den muts te steken, - daar zijn zij de mannen niet naar -, ook niet om er den schrijver een verwijt van te maken. Men merkt gauw genoeg dat Van Deyssel het om zijn onzedelijkheid nog niet bij hen verbruid heeft, dat hij nog meer potjes had kunnen breken. Maar zij wilden uitdrukken, dat zij zeer goed wisten waarom ons publiek boos is op dat boek, dat zij volstrekt niet verstompt waren voor de prikken, die het publiek zoo'n pijnlijk gezicht deden zetten, dat zij het alles best wisten, best voelden, best begrepen en het tóch, tóch een voortreffelijk boek vonden, en mooi en goed.

Zoo zeiden de beide schrijvers en over deze kwestie toen niet veel meer. Zij lieten de lezers met hun verbazing alleen, als met een opgaaf om thuis uit te rekenen, en verdiepten zich daarna onbekommerd met breed en gevoelig enthousiasme in de schoonheden van het werk.

Maar nu zijn Hollandsche lezers zoo maar geen schooljongens, integendeel, het zijn docenten, dominées, doctoren, professoren - aan huiswerk doen ze niet meer. Zij verlangen alsjeblieft precies ingelicht te zijn, anders houden ze u voor mal en pedant.

‘Wat is dat? onzedelijk? - onzedelijk? zeg je? en verder groot! mooi! goed! - Goed en immoreel! - eerlijk en valsch! - Komaan, als je zóó begint....’

En schouderophalend draaien de heeren zich om.

Nu vind ik het de moeite waard, beide partijen kennende en uit mijnen aard geneigd tot vrede en recht verstand, de knorrige wegloopers op den arm te tikken, en te zeggen, ‘luister nog wat.’

Vooreerst dan dit. De goede zeden zijn voortreffelijke dingen, die men moet eerbiedigen. Zoo is geld ook een uitstekend ding en mag niet vervalschd worden. Een valsche munter is niet goed. Maar er moeten wel eens nieuwe munten zijn en ook nieuwe zeden.

Ieder zal dit erkennen. De dienstmaagden van vader Abraham zorgden voor de instandhouding van zijn geslacht en kregen gouden ringen of dudaïm, wij hebben ordentelijke dienstboden, die met rijksdaalders en guldens betaald worden. Voor nieuw geld zorgt meestal de Staat en alles loopt geregeld, - maar voor nieuwe zeden hebben wij alleen den Paus en die is er nog niet lang en hm! - zijn munt is niet overal koerant. Op die manier - let wel, de som is bijna af, - op die manier is het wel eens voorgekomen, dat heel brave, eerlijke lieden immoreel zijn genoemd. Zij brachten beter geld in omloop, fraai, gerand, volwichtig geld, - maar de menschen kenden het niet en noemden het valsch.

Om iemand - en welk iemand! - te noemen: Jezus - neen! wordt niet boos, ik vergelijk niet, - Jezus heette onzedelijk. En als men erkent dat hij onzedelijk is, die iets anders leert dan de bestaande zeden, dan wás Jezus absoluut onzedelijk. Want kon men onder het jodenvolk gruwelijker immoraliteit bedenken dan de bewering, dat men meer was dan Salomo en even goed als de Wet en de Profeten?

Omdat gij dit niet zelf hebt ingezien, geef ik u als strafwerk op, tweehonderd namen te schrijven van menschen, die onzedelijk waren en die gij nu goed noemt. Ik maak het schappelijk.

 

Lees HIER de volledige tekst

 
 
 

Luitzen Egbertus Jan Brouwer
1881 - 1966

Luitzen Egbertus Jan Brouwer (Overschie, 27 februari 1881 – Blaricum, 2 december 1966) was een Nederlands wiskundige en filosoof. Hij is de grondlegger van de intuïtionistische wiskunde en van de moderne topologie. Naar hem is de dekpuntstelling van Brouwer genoemd.

 

In veel van wat Brouwer dacht en deed vond hij waardering en belangstelling, eerst in kleine kring, later internationaal. Samen met o.a. Frederik van Eeden en Gerrit Mannoury richtte hij in 1922 de Signifische Kring op.

Afgezien van zijn uitbarstingen van creativiteit beoefende Brouwer de wiskunde met mate; hij was veelzijdig geïnteresseerd, met een sterke voorkeur voor kunst en kunstenaars. Het bekendst is zijn omgang met Adama van Scheltema, Frederik van Eeden en Peter van Anrooy. Hij verkeerde bij voorkeur in artiestenkringen en was een fervent reiziger. Zijn levenswijze neigde naar het ascetische, gepaard gaand met vegetarisme en 'gezond leven' (luchtbaden, dauwtrappen, etc.), zonder te grote starheid.


 

 

L E J Brouwer: Leven, kunst en mystiek
Frederik van Eeden over 'Leven, kunst en mystiek': Een machtig Brouwsel

 

 

M

 

Martin Buber
1878-1965

Joods godsdienstfilosoof, uitlegger van de Chassidische Geschriften; vertaalde met F. Rosenzweig het Oude Testament in het Duits; onpolitiek Zionist, wilde in Palestina een voor de hele wereld exemplarisch gemeenschapsleven stichten. Hoogleraar te Frankfurt 1921-1933, in Jeruzalem 1939-1951. Lid Forte Kreis.

1910 - 29 januari

Weenen. Het is goed geworden. De voordracht goed, vooral door 't effect tegen de aesthetici. 's Avonds nagepraat met den fijn intelligenten jood Dr Martin Buber met zijn jonge Rabbi-kop. Zijn bewondering van Hedwig's dagboek deed mij genoegen. Hij noemde dat ‘drie-dimensionale kunst’ in plaats van de gewone vlakke kunst. Hij vroeg mij een band van ‘die Gesellschaft’ te schrijven. Ik dacht er over en kwam tot de idee om de psychische organisatie der maatschappij te behandelen. Met Trotter als uitgangspunt, en Lady Welby en Tine Raimund als richt-einde.

zaterdag 29 oktober

Van morgen een gesprek met den fijnen, intelligenten jood Dr Martin Buber, die ik in Weenen leerde kennen. ▫ Deze gelooft in de macht eener religieuze schok, en in de onbeduidendheid van alle sociale hervorming zonder transcendenten beweeggrond. Elk doen acht hij goed dat uit onmiddellijke diepe impuls voortkomt.

Buber zei van Oppenheimer dat hij niet representatief genoeg was om een grooten aanhang te hebben.

 

1915 maandag 13 september

Heerlijk warm weer. Een dag met sombere vlekken. Een brief van Buber die de Kreis een ‘phantom’ noemt. En toch weet ik beeter - ik laat die heerlijkheid niet los.

 

1916 dinsdag 11 januari

Nu kwam de zaak ( de Kring-idee ) tot klaarheid voor ons, voor Brouwer, Borel en mij. Wij verlieten de vergadering, en zijn van plan al die anderen los te laten. Wat Reyman nu doen zal is onzeeker. De vraag is of hij zien zal dat hij er met die anderen nooit komt. Ik denk van wel. ▫ Uit al die poogingen en machteloosheeden groeit de Kring, als het eenig sterke. Die er bij hooren, vinden elkaar, en groeyen aaneen. Die niet er bij hooren vallen af, van zelve. ▫ Ik denk vaak om Rathenau. Ik geloof dat die er bij hoort. Het prachtige woord van Norlind geeft den toestand: Als Rathenau in de hel komt, mag de duivel wel oppassen! ▫ Wij zijn nu met ons vijven, in Holland: Bjerre, Norlind, Brouwer, Borel en ik. ▫ Er is nog geen van de anderen die ik opgeef. Ook Rang niet, noch Däubler, noch Landauer - Buber zal de moeyelijkste zijn. ▫ Als op de grens staan: Upton, Hjalmar, Romain Rolland, Rathenau.

 

 

N

 

Nanne de Boer

In 1901 gaf Van Eeden de aanzet tot het oprichten van de 'Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit'. Deze vereniging had tot doel bestaande kolonies te verenigen en de vorming van nieuwe kolonies en coöperatieve bedrijven te bevorderen. Bij die oprichtingsvergadering op Walden waren Friese landarbeiders aanwezig, revolutionaire aanhangers van Domela Nieuwenhuis, die maar al te graag op de ingeslagen weg verder wilden. Ze grepen met beide handen de geboden mogelijkheid aan om hun idealen voort te zetten. De meesten werkten al op de tuin in een van de bestaande kolonies. Een van hen, Nanne Sjoerds de Boer, werd de secretaris van de nieuwe vereniging.

 

In september 1902 begon het voor de Friezen echt in de Horstermeer. In die in 1882 drooggemaakte polder was de prijs van de grond laag, maar daar stonden hoge polderlasten tegenover. De kolonie Nieuwe Harmonie vestigde zich op 20 hectare bouw- en weiland, die voor 1500 gulden gekocht waren door Van Eeden. De leiding gaf hij aan Nanne de Boer, die op Walden al gewend was de tuinderszaken te regelen. Hij kwam uit de 'kleine bouwhoek' van Noordwest Friesland, gelegen rond Harlingen, uit het dorpje Pingjum. Hij begon samen met twee zwagers, Bouke Rijpma en Sybren Andela, allebei Domela aanhangers. In 1904 haalde hij er nog twee Friese landarbeiders bij, Klaas Risselada en Thomas Althuis respectievelijk uit Pingjum en Beetgum. Een jaar later voegden zijn zwager Wypke Rijpma eveneens uit Pingjum en de ongehuwde Hendrik Snijder uit het Friese Scherpenzeel zich nog bij de groep. Zo te zien zou dat goed moeten gaan. Het liep een tijdje goed, temeer daar de opzet van Nieuwe Harmonie anders was. Door ervaring wijzer geworden had Van Eeden geen intellectuelen en kunstenaars aan de bezetting van deze kolonie toegevoegd, want in de volksmond stond voor Walden 'waar allen luieren daar eet niemand'.  
LEES VERDER

 

 

Nanne de Boer vertrekt in 1911 naar Van Eeden-Colony in N.-Carolina

1910 vrijdag 14 april

Vanmiddag vietste ik bij heerlijk lenteweer naar de Horstermeer. Het vlakke groene land, het heldere water met de dotterbloemen en pinxterbloemen, de leeuweriken in de blauwe lucht, de geur van waterplanten en omgewerkte aarde - het verfrischte en verkwikte mij. De eerste diepe voorjaarssensatie.

Ik sprak met de Boer en zijn vrouw Trijntje, oude vrienden die blij waren me te zien. Kleine veeten van vroeger waren vergeten. We zijn beiden wijzer geworden. Hij ook, de hartstochtelijke ongeschoolde kop vol energie en initiatief - en zelfoverschatting. ▫ Er was veel gewerkt in de Horstermeer, er was leven en vooruitgang.

 
 

Nico van Suchtelen

Jonkheer Nicolaas Johannes (Nico) van Suchtelen (Amsterdam, 25 oktober 1878 — Ermelo, 26 augustus 1949) was een Nederlands schrijver, dichter, vertaler en uitgever.

Nico van Suchtelen studeerde natuurwetenschappen, sociologie en economie te Amsterdam, later psychologie en filosofie in Zürich en promoveerde in de staatswetenschappen. Van Suchtelen werkte enige tijd in Van Eedens kolonie Walden.

Eerste voorzitter en later erevoorzitter F.v. Eeden-genootschap

 

1897 – 22 september
Maandag was van Suchtele bij me, een jong poeetje uit Haarlem

1900 – 10 maart
Gesprek met van Suchtelen, over zijn merkwaardige zelfbeschouwing.

1903 – 27 augustus

’s Avonds kwamen de stukken van van Suchtelen en bezorgden mij een beroerde avond

1906 – 7 juni

Moeder was boos om het werk van van Suchtelen dat ze op mij toepasselijk vond. ▫ Ik zei dat ik er mij niets van aantrok en het werk vrij goed vond. Van Suchtelen kan iets concipieeren, wat vrij zeldsaam is. ▫ Ik neem van Suchtelen kwalijk dat hij door gebrekkig inzicht mij en mijn werk niet begreep, dat hij er zijn eigen subjectieve gevoelens in legde, en mij daardoor meer tegenwerkte dan hielp. Dat hij dit niet alleen nooit ingezien heeft maar mij nog pedant en grof aanviel bovendien. En nu doet alsof hij wijzer is dan hij is. ▫ Achter zijn houding schuilt de sympathie voor Betsy, die hij door mij beleedigd achtte.

Ik zeide Verwey dat ikzelf de gegevens voor een blijspel zal verwerken. ▫ En door dit gesprek voelde ik tevens dat het noodig zou zijn het blijspel te omlijsten door een hooger sfeer, om daardoor te geven wat van Suchtelen niet geeft en niet geven kon, het contrast met hooger en dieper inzichten. ▫

1912 – 21 oktober

De van Suchtelen’s wonen nu hier ( hier = Walden) en Betsy

1916 – 21 december

En van Suchtelen wordt dieper en ernstiger. Hij eindigde zijn boek ‘de Stille lach’ met een mooi gedichtje

 

P

 

Pieter van der Meer de Walcheren
(1880-1970)

 

Nederlands schrijver en journalist; oorspronkelijk linksocialist, werd in 1911 onder invloed van Léon Bloy katholiek; oorlogscorrespondent van de Maasbode 1914-1918; kunstcriticus N. Eeuw sedert 1921, letterkundig redacteur van Opgang sedert 1924; directeur van uitgeverij Desclée de Brouwer te Parijs 1929-1939;
Na de dood van hun oudste zoon, de Benedictijn pater Pierre O.S.B., in 1931, 29 jaar oud, besluiten Pieter en zijn vrouw in 1933 beiden 'zijn plaats' in te nemen en in het klooster te treden - hij in Oosterhout, zij in de Abbaye Sainte Cécile in Solesmes (Fr). Maar ze kwamen in 1936 op dit enigszins onbezonnen besluit terug. Christine, 'Soeur Roseline', kon niet aarden in het strenge klooster van Solesmes en voor Pieter was de gedachte aan zijn zielsongelukkige vrouw zo ver weg al even onverdraaglijk.

Na een periode in Parijs vestigen ze zich in 1939 weer in Nederland, eerst in Bilthoven, later in Breda. Twee weken na de dood van zijn vrouw op 26 december 1953 trad Pieter van der Meer de Walcheren opnieuw als monnik in de Sint-Paulusabdij van Oosterhout, waar hij ijlings, 76 jaar oud inmiddels, in 1956 tot priester werd gewijd.

Hij was de dooppeter van Frederik van Eeden op 18 februari 1922

1920, 11 april: Van Eeden is dan op retraite in de Sint-Paulusabdij in Oosterhout:
Aan 't ontbijt een nieuwe gast, Pieter van der Meer van Walcheren, ‘oblaat’ van het klooster. Een gedistingueerd type, spreekt uitneemend Fransch, blond, hoog voorhoofd, iets van Multatuli oover zich. Was correspondent van de Maasbode.

1921, 16 februari: Ik kreeg het boek van Pieter van der Meer de Walcheren: ‘Journal d’un converti ’ (Dagboek van een bekeerling)

22 april: Ik bracht den middag door bij van der Meer de Walcheren. Een lieve, sympathieke man. Intelligent en zacht

 

 

 
 
 

Poul Bjerre
24 mei 1876 – 15 juli 1964

 

Hij was een Zweeds psychiater, geboren in Goteborg. In 1907 volgde hij de hypnotiseur, Otto Georg Wetterstand op in diens medische praktijk in Stockholm. Bjerre introduceerde de psychoanalyse en enkele Freudiaanse concepten in de Zweedse geneeskunde, welke in 1911 werden gepresenteerd tijdens de vergadering van de ‘Orde van Zweedse Geneesheren’.

 

Fortekreis
Vanaf 1910 begon Frederik van Eeden een correspondentie met dichters, schrijvers en filosofen uit verschillende westerse landen, die bezield waren door soortgelijke idealen van een internationale geestelijke vernieuwing door de ‘Koninklijken van  Geest’. Samen met de Duitse schrijver Erich Gutkind trachtte hij de ‘Oorspronkelijken’ uit de hele wereld in beweging te krijgen en te verenigen tot een kring, die de geestelijk leidende gemeenschap binnen de mensheid moest worden.

 

Dit leidde uiteindelijk in 1914 tot de oprichting van de ‘Fortekreis’ (Fortekring) (genoemd naar de plek van samenkomst, Forte dei Marmi bij Pisa). Hier waren naast Van Eeden en Gutkind betrokken: de filosoof Martin Buber, de Zweedse psychotherapeut en schrijver Poul C. Bjerre, de anti-marxistische anarchist, schrijver en literatuurcriticus Gustav Landauer, en Van Eedens oude vriend, de sinoloog, tolk en schrijver Henri Borel. Kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog viel de idealistische, elitaire internationale kring echter al uit elkaar. Toch bleef Van Eeden aan het idee vasthouden, wat leidde tot plannen om een ‘Internationale Hoogeschool voor Wijsbegeerte’ op te richten

1910, 19 februari

Stockholm. Ten huize van Dr Poul Bjerre. Het doet ontzachlijk goed in zulk zuiver gezelschap te zijn als dat van Hjalmar Wijk en Poul Bjerre. O! O! O! - had ik zulk een atmosfeer om mij gehad in mijn vaderland. Strenge, bescheidene, edele jonge mannen, niet bevreesd om ernstig te zijn, door en door goed zonder sentimenteel te zijn, sterk en karaktervol. Weinig spraaksaam, wat stijf, maar betrouwbaar.
Ik sliep goed in den trein, in de uitstekende zweedsche slaapwagen. Hjalmar Wijk was aan 't station en Poul Bjerre. Ik voelde zoo warm en hartelijk voor deze jonge mannen. Hjalmar de eenige die zich een genereus vriend heeft betoond in mijn leven. Dat vergeet ik nooit. En Bjerre, een dichter-arts, een wetenschappelijk kunstenaar als ik.


22 februari

De twee trouwe vrienden, Hjalmar en Bjerre brachten mij aan den trein. O, dat ik dit nog zien en beleven mocht, deze soort vriendschap die ik uitgestorven waande. Dit sterke, gezonde, edele. Dit is wat onze gansche jonge beweging in Holland ontbrak. Dit is wat mijn jeugd ontbroken heeft en mij arm deed zijn in al mijn voorrechten.  Ik ging dankbaar weg, innig gesterkt

 

R

 

Rabindranath Tagore
(1861-1941)

Bengaals dichter en wijsgeer; hervormer, stichtte in 1901 in Bolpur de later tot universiteit uitgegroeide school Santiniketan; FvE vertaalde van hem Gitanjali, door hemzelf in het Engels vertaald: Song Offerings (Nobelprijs 1913): Wij-zangen, daarop volgden o.a. De Hoovenier, De wassende maan, Sadhana.
Later ontstonden discussies over wie Tagore nu écht had vertaald; blijkbaar had Frederik van Eeden dit werk niet alleen opgeknapt, hoewel de boekjes wel onder zijn naam – als vertaler – verschenen. Lees hierover: Over de Tagore-vertalingen van Frederik van Eeden
 

1913 - zondag 11 mei

Gister de zangen van Tagore geleezen, den bengaalschen dichter. Dit is prachtig. Dit deed mij aan zooals geen tijdgenoot tot nu toe. Zou ik dien man ooit kunnen zien?  Dit is beeter dan Omar Khayam!

zaterdag 19 juli

Steeds reegen. Het weer is zeer slecht, maar ik ben tevreeden. Het is hier stil en rustig. Ik hoor alleen de zee. Ik heb aan Sirius geschreeven en Tagore vertaald. ‘Wijzangen’ zal ik ze noemen. Het is volkoomen of ik ze zelf geschreeven heb. Ik vertaal ze als van zelf, alsof ik ze zelf opschreef. Ik baad en voel geheel gezond.

8 augustus

Ik schreef een brief aan Tagore, geheel naar mijn gevoel en ik was er blij om.

23 augustus

Eindelijk zoomerwarmte. Ik voel soms doodsch en leeg in mijn hoofd en kan niet voort. Alleen Tagore houdt mij dan op. Daaraan werk ik altijd met plezier.  Ik weet wel wat mij ontbreekt. Tagore heeft het. Hij voelt de nabijheid, hij voelt Hem, hij is er zeeker van en er meede vervuld. En ik moet mij vergenoegen met vermoeden, en bemiddeling en vluchtige aankondiging.

dinsdag 26 augustus

Heerlijk zoomerweer. Tagore komt. Dat gaf mij als een gevoel van bevrijding. Ik weet dan wat de hoofdzaak is en bekommer mij niet om al de rest. Ik schreef dat ik te oud ben om mij in hem te vergissen.

maandag 1 september

Tagore vertrekt Woensdag naar Indië. Maar hij hoopt toch nog mij eenmaal te ontmoeten. Ik had een heldere droom toen zijn brief in huis kwam,

donderdag 4 september

Wijk-aan-Zee. Zonnige dag. Landwind. Dat Tagore niet komt was een slag voor me.

Moest ik nu juist deeze kans missen, terwijl ik toch op zoo merkwaardige wijze - door Duse - met hem bekend ben geworden. ▫ Ik hoopte op hem. En Calcutta is zoo ver. En hij is 52 jaar.  Maar ik denk veel en met troost aan zijn woord: ‘Time is never lost, my Lord. Thou hast taken every moment of my life in thine own hands.’

 

Het duurde tot 1920 voor het echt tot een ontmoeting kwam

 

1920 - zaterdag 18 september

Reegenachtig. Gister storm en nu nog veel wind. Het zand sliert langs het strand.

Het is als met de elegie. Morgen komt Tagore in 't land en ik weet niet hoe ik het schikken zal met zijn komst hier.

zondag 19 september

Storm, maar vandaag helder koel wolkenweer. Tagore ontmoet, hem opgewacht aan 't station. Het eerst zag ik zijn glanzend grijze haar in de coupé. Hij zag mij en 't was of hij mij herkende. Hij is een fijne, recht eerwaardige figuur. Hij was gekleed in grijs, met een blauwe mantel en een hoog zwart mutsje op. Hij droeg een lorgnet. Zijn stem is zacht en aangenaam. Vrij hoog en ietwat aamechtig. Hij draagt haar en baard lang. Er gaat een sterke invloed van reinheid en sereniteit van hem uit.

Een frissche propere, gezonde sfeer is om hem heen. En zijn voorkoomen is statig en zeer harmonisch. Hij is iets langer dan ik, één jaar jonger.

Maar bij zijn eerwaardigheid voelde ik als een straatjongen, met mijn pet, mijn pilo kuitebroek, mijn beenwindsels, mijn roode schoenen.

De controleur aan 't station, die mij goed kent als alle spoorbeambten,vroeg mij: ‘Dat is zeeker een hoog geplaatst persoon, docter!’ ‘Ja’ zei ik ‘zeer hoog geplaatst’. Ik had er bij moeten zeggen dat hijzelf zorgde voor die hooge plaatsing.

Behalve Lady Welby heb ik niemand gekend met zulk een ‘presence’ waarvoor ieder onwillekeurig eerbied voelt. Zij had ook die voorliefde voor zachte, grijze kleederen, eevenals Tagore droeg. En zij had ook die frissche geur van reinheid om zich heen.

Tagore's zoon was een Indiër, zooals men er veel in Engeland ziet. Knap en donker van gezicht, in Europeesch costuum gekleed. De vrouw, schoondochter, was een kleine allerliefste Indische. Ik had er wel enkele zoo ontmoet, in Londen of in Harrow. Een rond welgevormd gezichtje en lieve oogen. Om op te verlieven. Zij droeg een Europeesche mantel van rood bruin, maar fijne, fijn kleurige sjaals om haar hoofd.

Tagore verheugde zich in het frissche, heldere wolkenweer en het lage land dat vlak was als Bengalen.

Hij sprak er oover te willen vliegen naar Hamburg. Zijn secretaris Pearson kwam van Engeland vliegen.  ‘Ze spreeken van gevaar’ zei hij ‘maar dat kan mij niet veel scheelen.’ Dit zei hij zonder pose en een weinig spottend.

Ik ga morgen weer naar hem toe, op het huis de Duinen.

 
 
 

Romain Roland

 

S

 

Sigmund Freud

 

U

 

Upton Sinclair

 

V

 

Vincent van Gogh

 

W

 

Willem Bauer

 
 
 

Willem Kloos

 
 
 

Willem Paap

 
 
 

Willem Royaards

 
 
 

Willem Witsen

 
 

 

 
 
 
 
 
Gastenboek
 
 
Laatste wijziging op: 09-06-2010 15:03