Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Van Eeden als psycholoog

 
Genezing van het lichaam door middel van de geest - Het beginsel der psycho-therapie - Ons Dubbel-ik - Nog iets over Dr. Liébeault -
 
 

Genezing van het lichaam door middel van de geest

door F. W. van Eeden

 

In 1884 studeerde ik geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en wilde promoveren. De hoogleraar[1], onder wiens leiding ik gewerkt had, stelde als onderwerp voor 'kunstmatig dieet bij tuberculose'.

Om dit te bestuderen ging ik naar professor Debove in Parijs, die een autoriteit was op dat gebied. Maar professor Debove toonde mij iets, wat mij veel meer interesseerde. In zijn kliniek in het Sint Andiol-ziekenhuis[2] liet hij mij zien, hoe hij een patiënt een glas water kon geven, waarbij hij hem vertelde dat het wijn was, en hoe de patiënt het voor wijn hield. Ik zag hoe hij een man vertelde dat een koude zilveren lepel gloeiend heet was, en hoe de man hem liet vallen met alle tekenen van pijn door verbranding. Hoe hij een ander een boek gaf en zei: 'Kijk, allemaal wit papier! Helemaal blanco . . .! Blaas er nu eens op! — Kijk nog eens! — het zijn allemaal portretten, niets dan portretten! — blaas nu nog eens! — allemaal landschappen en schilderijen, kijk!' En de man zag alles met grote verwondering en beschreef zelfs de landschappen en portretten, die niemand anders zag dan hij. 'Nu, ik heb nog nooit zo’n tovenarij gezien,' zei de man. 'Het kan nog mooier,' zei Debove, 'Doe uw ogen dicht! — wanneer u ze open doet, heb ik geen hoofd.' En toen de man weer keek staarde hij naar de professor met een wilde, angstige blik. 'Zo', zei Debove, 'hoe vindt u mij zonder hoofd?' En de arme man sloeg zichzelf hard tegen het hoofd en zei 'Ik ben beslist gek geworden'.

Deze kleine voorstelling maakte zulk een diepe indruk op mij, dat ik het tuberculosedieet onmiddellijk wilde laten vallen en wilde beginnen met hypnose en suggestie. Maar mijn hoogleraar was een voorzichtig man, die blijkbaar vreesde dat ik zelf mijn hoofd zou verliezen. Dus weigerde hij en ik ging verder met het voeden van mijn teringlijders. Maar ik kwam voor de dag met een stelling, dat deze wonderbaarlijke verschijnselen grondig en wetenschappelijk onderzocht moesten worden.[3] Het schijnt dat deze stelling van twintig jaar geleden (1886) nog steeds niet helemaal verouderd is.

Zodra ik vrij was om mijn eigen studieonderwerpen te kiezen, ging ik nogmaals naar Parijs en bestudeerde de hypnose onder leiding van Charcot en kwam daarna terecht in Nancy, waar le bon docteur Liébeault suggestie toepaste als een vorm van therapie. Vele jaren beschouwde men le bon docteur Liébeault als een kwakzalver of een zonderling. Toch was hij een doctor medicinae en een door en door wetenschappelijk man, die zijn eigen inzichten en fijne intuïtie volgde om lijden te verlichten, zonder zich te bekommeren om het negeren, de spot en de minachting van zijn collega's. Fortuinlijker dan de meeste vernieuwers had hij het geluk de aandacht te trekken van een ruimdenkend en invloedrijk man ten aanzien van zijn opmerkelijke prestaties en erkenning te verwerven en zelfs algemeen respect en eer in de gehele medische wereld. Le bon père Liébeault, zoals zijn patiënten hem noemden, was een toonbeeld van geduldig, opgewekt volhouden van de handelwijze die hij juist had bevonden, wat betreft algehele toewijding aan zijn wetenschap en de lijdende mensheid en van de meest beminnelijke eenvoud en bescheidenheid, toen hij erkenning en roem verwierf.

Een van de meest treffende genezingen, die hij bewerkstelligde, was die in een geval van ischias[4], die zo ernstig was dat het been geheel atrophisch was; professor Bernheim van de Universiteit te Nancy had dit geval vele jaren tevergeefs behandeld. Liébeault genas de man eenvoudigweg door met zijn handen strijkbewegingen te maken over het been, waarbij hij slaap suggereerde en vervolgens genezing tijdens deze slaap. De genezen patiënt ging terug naar Bernheim en deze hoogleraar, die een beetje wijzer was dan de meesten van zijn collega's, zei niet: 'Loop heen, dat is allemaal onzin', maar hij ging naar Liébeault, zag zijn methoden en resultaten, probeerde ze zelf uit en schreef zijn standaardwerk 'De la suggestion et ses applications dans la thérapeutique'.

Ik vond Liébeault in zijn kleine spreekkamer, te midden van zijn patiënten. Hij bewoog zich tussen hen op zijn vriendelijke joviale vaderlijke manier, waarbij hij ze liet plaatsnemen in een gemakkelijke stoel, ze gerust stelde en ze liet inslapen. Vervolgens legde hij zijn hand op de pijnlijke plek of het zieke deel en suggereerde een gevoel van warmte, alsof er een elektrische stroom uit zijn handen vloeide. 'Sentez cette chaleur[5]! - sentez cette chaleur!' En als de patiënt zich dan steeds slaperiger ging voelen sprak hij voortdurend tegen hem, terwijl hij hem vertelde hoe de pijn verminderde, hoe hij zich door deze slaap verfrist en versterkt zou voelen, hoe de ziekte zou genezen, en vaak trad hij zelfs in zeer kleine physiologische details, waarbij hij mij verzekerde dat deze details, hoewel volkomen buiten het bevattingsvermogen van de patiënt meehielpen bij het tot stand brengen van de beoogde genezing.

Onder invloed van Charcot hadden wij medici geleerd hypnose als een zeer vreemde en abnormale toestand te beschouwen, nauw verwant aan hysterie en met de meest fantastische kenmerken. Dat deze veilig kon worden toegepast voor het welzijn van patiënten leek niet waarschijnlijk. Toch wisten wij allen dat Charcot erin geslaagd was een blaar op de huid van een van zijn patiënten te doen ontstaan door er eenvoudig een stukje gegomd papier op te leggen en hem te verzekeren dat het een Spaanse vlieg[6] was. Als zo’n resultaat mogelijk was waarom zouden we deze sterke kracht dan niet op een heilzame wijze gebruiken?

In de kleine spreekkamer van Liébeault leek elke dreiging en griezeligheid van de hypnose verdwenen te zijn. Ik zag hoe een lichte sluimering werd opgewekt, schijnbaar gelijk aan de normale slaap, en hoe patiënten van alle leeftijden en standen verlichting vonden en zelfs genezen werden door deze eenvoudige methode. Geen hysterie, geen nervositeit, geen psychisch abnormale verschijnselen.

Sterke mannen en tere kinderen, hoog ontwikkelde en geheel onontwikkelde mensen, lichamelijke zowel als geestelijke ziekten, in alle gevallen werd baat gevonden bij de ongevaarlijke behandeling van dokter Liébeault.

Toen ik thuis kwam was ik er zeker van dat ik het begin gezien had van een grote verandering in de geneeskunst en samen met een van mijn collega's, Dr. van Renterghem, richtte ik onmiddellijk een echte kliniek op in Amsterdam, en we kozen voor onze methode de naam psychotherapie.

 

dr.A.W.vanRenterghem

 

Voor de onbevooroordeelde geest is er niets ongeloofwaardigs, zelfs niets wonderbaarlijks aan deze methode. We kennen allen de herstellende kracht van de slaap. Slaap is bij nagenoeg alle ziekten zowel lichamelijk als geestelijk een krachtig geneesmiddel. Zelfs de patiënt met een gebroken been of bedekt met schroei- of brandwonden zal de buitengewone weldaad van een goede slaap voelen.

En bovendien weten wij dat het lichaam een genezende kracht bezit een 'vis medicatrix', die niet alleen werkzaam is bij functionele of nerveuze aandoeningen, maar ook in staat is gapende wonden te sluiten, grote zweren te bedekken, en beenstukken met elkaar te doen vergroeien. Bij lagere dieren zien we de vervanging van gehele ledematen nadat ze van de romp gescheiden waren.

'Genezing', teweeggebracht door chemische middelen, is in de meeste gevallen meer of minder geheimzinnig, berustend op empirie en niet op rationele kennis, en zeer waarschijnlijk slechts resultaat van de prikkeling van de natuurlijke geneeskracht van het lichaam. De geneesmiddelen brengen de genezing niet zelf tot stand, zij helpen het lichaam zichzelf te genezen door symptomen te doen verdwijnen, door een vicieuze cirkel te doorbreken of door het stimuleren van latente krachten.

Waarom zou dit zelfde resultaat niet bereikt kunnen worden door middel van slaap en via de geest, door verbale suggestie? Er is geen wetenschappelijk feit dat hiermee in tegenspraak is.

Dit alles is zeer duidelijk en redelijk, en indien de eenvoudige methode die wij in Amsterdam volgden niet in diskrediet was gebracht door fanatieke en ondeskundige leken, en als reactie daarop door de aanvallen van dogmatische en bekrompen denkende vakgenoten, dan zou deze nu over de hele wereld verspreid zijn zonder angst of weerstand op te roepen. Vanaf de oprichting van onze kliniek hadden wij een voortdurend toenemende stroom van patiënten en zeer vele bevredigende resultaten in gevallen waar alle andere methoden gefaald hadden.

Natuurlijk behoorde het tot onze taak de grenzen van de methode vast te stellen en deze waren spoedig bereikt. Wij hadden nooit verwacht een panacee gevonden te hebben, maar wij wilden alles proberen wat gedaan kon worden, in welke richting dan ook. En het kan veilig worden volgehouden, dat er geen ziekte ter wereld is waarbij verbale suggestie en zelf hypnotische suggestie totaal gecontraindiceerd is. Net zo als er geen ziekte is waarbij slaap niet helpt en een opgewekt, aanmoedigend en hoopgevend woord geen goed doet. En dus kunnen wij zeggen dat, indien deze methode alleen bestaat in het oproepen van een normale sluimering en het spreken van indringende woorden van geruststelling, zij van nut zal zijn bij elke ziekte, hetzij van lichaam of van geest. Maar zij moet gebruikt worden als toevoeging aan beproefde wetenschappelijke middelen en methoden, nooit als een vervanging daarvan.

Nooit mag zij, wat betreft de arts, een reden zijn tot verwaarlozing, van een zorgvuldige diagnose en het gebruik van physische, chirurgische en ook chemische middelen. Ze moet toegevoegd worden aan ons wetenschappelijk arsenaal in bescheiden en harmonieuze samenwerking, men moet vooral niet proberen alle andere methoden te verdringen en ze zonder meer te vervangen. Wij ontdekten al gauw dat hypnotische suggestie niet almachtig is, net zomin als andere methoden, en de hulp nodig heeft van andere takken van de geneeskunst. Toch vonden wij ook dat de methode in sommige gevallen verlichting, zelfs volledige genezing, tot stand brengt, waar alle andere middelen faalden en waar de gevestigde medische wetenschap niet geneigd is dit te verwachten.

Een van mijn eerste gevallen was dat van een traumatische laesie van het ruggemerg, veroorzaakt door een val, waarbij men de patiënt een jaar het bed had doen houden en de behandelende doktoren verlamming voor het leven voorspeld hadden. Er bestond een duidelijke dislocatie van de wervels en de physische aard van de aandoening was buiten twijfel. Toch slaagde ik erin de patiënt binnen enkele maanden weer op de been te krijgen, slechts met toepassing van verbale suggestie tijdens lichte sluimering gecombineerd met voorzichtige oefeningen gedurende de hypnotische slaap en de genezing heeft tot heden (1908) stand gehouden, dat wil zeggen twintig jaren, waarin de patiënt een uitstekende gezondheid genoot en in staat was te lopen als ieder ander.

Men hoeft in dit geval niet te veronderstellen dat vernield zenuwweefsel hersteld was, maar alleen dat het effect van abnormale druk door geestelijke inspanning was overwonnen.

Een geval van voortdurend bloedverlies bij een vrouw die verscheidene jaren vergeefs verlichting had gezocht en in een ernstige staat van uitputting was geraakt, werd in twee of drie zittingen door mijn collega van Renterghem definitief genezen. Het verhaal vertoont een zekere gelijkenis met wat wordt verteld in Lucas VIII : 43.

Zulke 'wonder'-gevallen behoorden natuurlijk tot de uitzonderingen, maar ze waren toch talrijk genoeg om de grote reputatie van onze kliniek te verklaren, die tot op deze dag voortduurt. En het is zeer natuurlijk de oorzaak van het enorme succes van enkele nieuwe geneesmethoden te zoeken in dergelijke gebeurtenissen.

Er zijn in deze tijd altijd verscheidene gevallen waar verlichting tevergeefs gezocht is bij de gehele medische professie, waarbij alle therapeutische mogelijkheden uitgeput schijnen te zijn, de zogenaamde 'cruces medicorum', waarop tientallen van de geleerdste doktoren hun kunnen tevergeefs hebben beproefd, en die desalniettemin gemakkelijk te genezen zijn, indien slechts de juiste prikkeling voor de natuurlijke geneeskracht van het lichaam in werking wordt gezet. Zulke gevallen vormen de kans voor kwakzalvers, voor alle soorten patentgeneesmiddelen, voor magnetiseurs, gebedsgenezers en dergelijke. Deze werken alleen met een of andere nog niet goed te definiëren kracht, die we 'geloof' dan wel 'vertrouwen', 'verbeelding' of 'suggestie' kunnen noemen, en die we misschien het best kunnen aanduiden als 'psychisch' ter onderscheiding van chemische of physische middelen. Deze kracht was tot op heden door het beroep niet erkend als een aanvaardbare geneeswijze die methodisch toegepast zou kunnen worden. Toch was dit een verzuim en wel een zeer betreurenswaardig. De bijna algemene tegenzin van professionele doktoren om deze kracht te bestuderen, te testen en toe te passen wat ervan van waarde was, heeft geleid en zal blijven leiden tot de voortdurende toename van min of meer fanatieke en bijgelovige overtuigingen, die het recht opeisen alle ziekten te genezen, die vol trots hun verwonderlijke, zelfs zeer wonderbaarlijke genezingen tonen, en het blinde en verwaande medische beroep bespotten. Ik geloof dat het beroep, waartoe ik nog steeds behoor, hoewel ik slechts nu en dan praktijk uitoefen, de meest eervolle gedragslijn zou kiezen door een eerlijke erkenning.

De niet te ontkennen feiten zijn er al langer dan een eeuw, open voor onderzoek. Maar de medische professie heeft haar plicht verzaakt en koppig geweigerd er aandacht aan de besteden.

James Braid[7] was de eerste arts die de methoden van Mesmer[8] herhaalde, vijftig jaar na diens dood, en hij ontdekte direct de realiteit en het nut ervan. Hetgeen bewijst dat de waarheid gemakkelijk te vinden was, als men maar de moeite nam ernaar te zoeken.

Maar gedurende een halve eeuw deed geen enkele arts dit behalve James Braid. Zij waren allen bang hun reputatie te verliezen en voor het veto van de gevestigde medische en academische wereld.

En terecht zoals James Braid zelf ervoer. Hij werd geboycot en als een kwakzalver beschouwd als beloning voor zijn ruime opvattingen.

Hoe lang zal de medische wereld blijven ronddwalen in het dogmatisme, hoe lang zal zij vrij spel geven aan bijgeloof en onwetendheid door domme ontkenning en hooghartig bespotten van feiten, die voor elke leek duidelijk zijn? Het is in het geheel niet moeilijk de psychische geneesmethode belachelijk te maken.

Ik herinner mij een pamflet, in de eerste dagen na de oprichting van onze kliniek uitgegeven, gericht tegen onze methode, waarin ik voorgesteld werd te paard, rijdend achter de linies van ons toen niet altijd aan de winnende hand zijnde koloniale legertje, terwijl ik de gewonden, die neervielen, schreeuwend bevel gaf op te houden met bloeden, weer gaaf te zijn en zich onmiddellijk bij de aanvallende linies te voegen. Het is een merkwaardige eigenschap van de menselijke geest om, wanneer deze kennis neemt van de een of andere ongewone methode, wonderbaarlijke uitkomsten te verlangen of er anders helemaal geen geloof aan te hechten.

De publieke opinie beschikt over weinig zelfcontrole en is onzeker als een schichtig paard. Onze sporadische 'wondergevallen' werden aanvankelijk sterk overdreven en deden de grote massa onze spreekkamers binnenstromen. En daarna, toen wij er niet in konden slagen de hele dag wonderen te verrichten, begonnen onze tegenstanders — de orthodoxe collega's in de eerste plaats — het werkelijk goede dat wij misschien gedaan hadden te kleineren of geheel te ontkennen.

Enkele Duitse hoogleraren die opgevoed waren in de materialistische school van Haeckel[9], reageerden zeer heftig. Zij waren bang voor 'mystiek'. Het gehele universum was juist zó prettig verklaard in een mooi afgerond systeem, dat alles wat min of meer onverklaarbaar scheen niet kon worden toegestaan. Het moest wel heiligschennis en ketterij zijn. Ik herinner mij de verontwaardiging, waarmee een beroemde Duitse hoogleraar de psychotherapeutische methode afwees als volkomen beneden de waardigheid van een zichzelf respecterend arts. Omdat 'suggestie' toegepast kon worden door de 'domste schapenhoeder'. Het argument bleek evenveel waarde te hebben als dat hetwelk drie eeuwen geleden een dokter van goede reputatie verbood een chirurgische ingreep te verrichten.

Dat werd overgelaten aan de barbier, als zijnde een taak die te grof en te gemakkelijk was voor een geleerd man.

Wij, Dr. van Renterghem en ik, en diegenen van onze collega's, die onze methode overnamen, ontdekten al spoedig dat een grondige, nauwgezette en succesvolle psychotherapeutische praktijk misschien meer vakmanschap, meer geduld, meer oefening en ervaring eiste dan welke andere tak van de geneeskunst ook. Wanneer men ziet hoe een stoere zeeman, die door een ongeluk zijn arm verloren heeft en lijdt aan een traumatische neuralgie kreunend van pijn de spreekkamer binnenkomt, onmiddellijk in diepe slaap wordt gebracht door een kort bevel en wordt bevrijd van zijn marteling door enkele tot hem gesproken woorden en een paar 'strijkbewegingen' over de pijnlijke plek, zodat hij de kamer verlaat in uiterste verbazing en dankbaarheid, dan schijnt de hele kwestie wonderbaarlijkerwijs tamelijk gemakkelijk.

Zulke gevallen komen voor, maar de meeste zijn anders. Hysterische jonge vrouwen, die voortdurend giechelen, en die of wel totaal sceptisch, kritisch en niet overtuigd of vol van allerlei angsten en vooroordelen zijn, boosaardige leugenachtige kinderen, kleingeestige, weinig ontwikkelde mensen, die 'er helemaal niet in geloven', maar 'het alleen voor de aardigheid proberen', steeds maar klagende en huilerige hypochonders, die menen dat alles verloren moeite is — hetgeen inderdaad vaak het geval is — en de hele menigte van zenuwlijders, meestal zwaar onder de medicijnen, slachtoffers van een onnatuurlijk bestaan, hetwelk zij niet kunnen veranderen — zij allen hebben een bijna bovenmenselijke toewijding, zorg en geduld nodig. Vaak kwam de gedachte bij mij op dat de arts al zijn tijd en inspanning aan één patiënt tegelijk zou moeten wijden, en dan nog met de hulp van twee uitstekende verpleegsters, indien hij een patiënt goed zou willen behandelen en hem alle kansen tot herstel geven. Op deze wijze zou er een kans zijn voor velen die nu als hopeloos beschouwd worden. Maar evenzeer is het een absolute noodzaak dat de patiënt de dokter volkomen vertrouwt en respecteert. Bij geen enkele geneesmethode zijn de persoonlijke kwaliteiten van de arts zo belangrijk. In een van de allerergste gevallen van alcoholisme had ik succes, hoewel het geval als hopeloos beschouwd werd door onze grootste autoriteit op dat gebied, alleen omdat ik toevallig een betere greep had op het karakter van de patiënt en hem mijn overwicht kon doen voelen. Dit overwicht echter moet niet in absolute zin opgevat worden. Het is zeer vaak een kwestie van geluk.

We weten allen dat wij ons soms onderwerpen aan de persoonlijke invloed van een of ander karaktertype zonder dat wij het overwicht ervan werkelijk voelen. En aan de andere kant dat wij vaak geen werkelijke indruk van overwicht krijgen van diegenen, waarvan wij weten dat zij in alle opzichten ver boven ons staan. En het is dit eigenlijk niet te beredeneren 'prestige' of 'aplomb', dat een grote rol speelt in de geneeskunst, zelfs wanneer het volkomen onbewust wordt toegepast. Mijn collega van Renterghem en ik waren gewoon zeer dikwijls patiënten te wisselen, wanneer wij opmerkten dat in een bepaald geval de persoonlijke indruk van de ander sterker was dan de onze.

Dit brengt mij op wat beschouwd kan worden als het meest belangrijke bezwaar tegen de psychotherapeutische methode. Velen — en niet de slechtsten — maken bezwaar tegen een behandeling die een totale onderwerping van onze eigen wil aan die van een andere sterkere persoonlijkheid schijnt in te houden. Nu is dit bezwaar zeker niet geheel ongegrond, maar even zeker is het niet onoverkomelijk.

De manier waarop ik enkele Franse onderzoekers hun patiënten zag behandelen was mij werkelijk weerzinwekkend voorgekomen.

De arme ziekenhuispatiënten werden gebruikt als geschikt materiaal voor demonstraties aan studenten en bezoekers, die de macht van de suggestie wilden zien. Door voortdurende training werden zij zo volkomen slaafs, dat zij de geringste aanwijzing van de arts, hun meester, opvolgden met de directe gehoorzaamheid van dieren in een circus. Zij kregen allerlei visioenen, ondergingen persoonsveranderingen en speelden elke rol, die hen met een enkel woord werd aangegeven. De geneesheer ontkende gewoonlijk elke mogelijkheid, dat er op deze wijze enig gevaar ontstond of schade werd aangericht. Hij voelde zich zo volkomen meester van de situatie dat hij elk schadelijk gevolg kon uitsluiten en zowel geest als lichaam volkomen kon doen herstellen door de suggestie. Ik kon niet bewijzen dat er werkelijk schade werd aangericht, maar toch voelde ik een sterke tegenzin om zo'n toestand van volkomen slaafsheid bij een medemens op te roepen en ik hield dit standpunt vol tegenover de Franse artsen tijdens het congres over experimentele psychologie te Londen in 1894.

Wij onderscheidden drie phasen van hypnose, waarbij suggestie met succes kon worden toegepast. De eerste, de lichte hypnose; de tweede of kataleptische phase, waarbij de ledematen van de patiënt de stand behielden, die de hypnotiseur eraan gaf; en de derde phase van automatisme, genaamd somnambulisme, waarbij de aangegeven bewegingen automatisch voortgezet werden en elke herinnering aan hetgeen er gedurende de slaap gebeurd was, bij het ontwaken weer was verdwenen. De Nancy-school[10] hield vol, dat, om de meest effectieve behandeling te geven, elke patiënt zo mogelijk in de derde phase van somnambulisme gebracht zou moeten worden, waarbij zijn eigen wil voorkomen wordt onderdrukt en hij gaat handelen als een automaat, slechts beheerst door de wil van de arts.

Ik was het er mee eens, dat er gevallen waren, waarbij zo’n diepe hypnose zeer wenselijk was. En ook dat er geen moreel bezwaar kon zijn tegen een tijdelijke vervanging van een ziekelijke wil door de gezonde wil van een arts, die volgens de verlangens van de patiënten handelt, indien deze niet kunnen worden uitgevoerd door middel van hun eigen wilskracht. Maar tegelijkertijd pleitte ik zeer sterk voor het intact-blijven van de psyche van de patiënt en de versterking van zijn eigen wil. Het doel moet altijd zijn de patiënt te leren zichzelf te genezen en gezond te blijven zonder hulp. Al is de weldoende kracht van de dokter nog zo groot, zolang het geestelijk evenwicht van wie dan ook in de geest van een ander is gelocaliseerd kan men niet van een echte genezing spreken. Dus stopte ik bij mijn eigen patiënten met alle experimenten, die toen algemeen in gebruik waren, naar Frans voorbeeld, en probeerde de genezing te bewerkstelligen met zo min mogelijk slaap. En ik leerde de patiënten de suggestie voor zichzelf te herhalen, zoals ik hen die voorgedaan had. Kortom, het zonder mijn hulp te doen en zo gauw mogelijk zichzelf te helpen.

Ik combineerde de psychische behandeling met alle beschikbare physische, hygiënische en diëtistische middelen, openluchtbehandeling, eenvoudig dieet, gymnastiek, massage en koud water, dit alles volgens de methoden van de moderne wetenschap en de behoeften van het betreffende individu. Ik gaf zeer zelden medicamenten, hoewel ik er geen principieel bezwaar tegen had. Mijn collega Van Renterghem, die zeer veel afwist van chemische geneesmiddelen en een lijvig, waardevol werk[11] over farmacologie heeft geschreven, gaf vaak Burggraeve's[12] dosimetrische medicijnen, met redelijk goede resultaten. In het bijzonder bij huidziekten vind ik, dat het gebruik van chemische middelen altijd onvermijdelijk is.

Maar er is één klacht, als er ooit een specifieke klacht is, waarbij ik ze nooit voorgeschreven heb en ze bijna altijd schadelijk gevonden heb. Ik bedoel de nerveuze slapeloosheid, de insomnia. In de meeste gevallen is idiopathische insomnia het resultaat van slordig begonnen en gewetenloos voortgezette toediening van medicijnen en ik kan wel zeggen, dat ik in staat was, hen onder gunstige omstandigheden wat betreft verpleging en omgeving allen te genezen door onmiddellijk op te houden met alle geneesmiddelen en alleen psychische middelen toe te passen.

De tegenstand van onze medische collega's was zeer groot en wij voerden een harde strijd met hen. Ik demonstreerde verscheidene gevallen voor de Faculteit in Amsterdam, waaronder een zeer overtuigend geval van tabes dorsalis (locomotor ataxia), waarbij alle bezwaren, algemeen geuit tegen onze methode, werden weerlegd.

De patiënt was geen 'nerveus meisje', maar een stevig gebouwde man van middelbare leeftijd met een wetenschappelijke opleiding en een volkomen evenwichtige geest; zijn ziekte was niet functioneel, maar zonder twijfel organisch en gemakkelijk te diagnosticeren en de verbetering van alle symptomen, in het bijzonder zijn gang, was duidelijk en niet te ontkennen na systematische oefening onder hypnose. En toch zagen mijn geleerde collega's de kans te zeggen dat dit niet het resultaat kon zijn van suggestie, dat de verbetering net zo goed zonder suggestie zou zijn opgetreden, of indien niet, dat ze zeker niet blijvend zou zijn.

Dit bezwaar, dat de genezing zeker niet blijvend zou zijn, is zeer opmerkelijk, omdat het steeds te berde wordt gebracht tegen deze speciale psychische behandeling en zeer zelden tegen andere geneesmethoden.

En toch weet iedere arts, dat het zwakke punt van al zijn geneeswijzen is, dat het resultaat ervan niet blijvend is. Zelfs kinine, dat hooggeprezen panacee tegen malaria, verliest haar kracht bij herhaalde aanvallen.

De werkelijke situatie is deze, dat het lichaam soms in staat is, een algehele overwinning te behalen en de overhand te krijgen over een ziekte en soms slechts een tijdelijke wapenstilstand en dat de arts deze strijd iets kan vergemakkelijken. Geen van zijn medicijnen of geneesmethoden kan de aanvallende kracht rechtstreeks bevechten en verslaan. Zijn taak is het strijdende organisme bij te staan. Dit kan hij doen door gebruik van physische, psychische of chemische middelen, maar het uiteindelijke resultaat hangt af van de strijdende partijen, het organisme en de ziekte, en niet van zijn geneesmiddelen.

Onze grote moeilijkheid was, dat de bezwaren van onze vijandige collega's suggestief werkten op onze patiënten. Wanneer de huisarts, zoals een van onze patiënten overkwam, hem zegt: 'Wat U ook doet, laat U nooit hypnotiseren!' En bij de opmerking: 'Maar ik zal er toch niet dood aan gaan, dokter!' antwoordt: 'Neen! Maar misschien nog wel erger dan sterven', — dan is het zeker, dat de patiënt, zelfs indien hij de moed heeft deze angstaanjagende voorspelling te trotseren, dit zal doen met zeer angstige voorgevoelens.

De dreigende opmerking zal hem niet loslaten en als hij een gevoelige en suggestibele natuur heeft, zal zij onheil veroorzaken, alleen al door haar suggestieve kracht. Niet alleen zal hij elk ongunstig symptoom beschouwen als zijnde een gevolg van de behandeling, maar een nerveuze angst, een vreselijke beklemming zal hem voortdurend achtervolgen, en welk nut hij eventueel van onze hulp zou hebben ondervonden, zeker ongedaan maken. Want wij moeten nooit vergeten, dat zeer weinig mensen werkelijk weten, wat ze wel of niet geloven. De vaak gehoorde bewering: 'Het heeft voor mij geen zin, want ik geloof er helemaal niet in' is van zeer weinig waarde.

De meest ongelovige mensen, althans volgens hun eigen mening, blijken soms tot hun eigen verwondering en verbazing sterk te beïnvloeden te zijn. En terloopse opmerkingen, gemaakt zonder enige serieuze bedoeling, hebben soms een sterke en blijvende suggestieve invloed. In het bijzonder kinderen met hun tere en gemakkelijk-te-vormen-aard zijn zeer ontvankelijk voor suggestie, en weinig ouders realiseren zich, hoever hun macht kan gaan en hoe gering het middel kan zijn dat deze in werking kan zetten. Het klassieke

werk van Binet 'De la suggestibilité'[13] zou door elke ouder of leraar, die zijn taak ernstig opvat, bestudeerd moeten worden, evenals door advocaten en rechters.

Om een indruk te geven van de wonderbaarlijke en geheimzinnige ingewikkeldheid van suggestieve verschijnselen zal ik hier een ander experiment van Dr. Debove weergeven, later herhaald door Bernheim. Hij raakte het gezonde oog van een onontwikkelde vrouw aan, terwijl hij zei: 'Nu bent U blind aan dit oog'. Maar de vrouw deed haar ogen wijd open, keek rond en zei: 'Nee! Nee! Ik kan heel goed zien'. Maar toen haar gezichtsvermogen met een eenvoudig apparaat, bekend in de ophthalmologie, werd getest om gesimuleerde blindheid aan een oog te onderzoeken, werd aangetoond dat zij inderdaad volkomen blind was geworden aan dat oog, zonder het zich bewust te zijn. Nu kan niemand veronderstellen, dat een onontwikkelde vrouw door een vrijwillige inspanning van de verbeelding het gezichtsvermogen van een oog kon doen verdwijnen.

En toch bewees Bernheim, dat de gesuggereerde blindheid geheel denkbeeldig was. In werkelijkheid was het gezichtsvermogen intact. En toch wist deze vrouw in onbewuste gehoorzaamheid aan het bevel van de suggestie, hoe de rol te spelen van iemand, die aan een oog blind is, zodat de wetenschappelijke onderzoeker, die eraan gewend is, simulatie te ontdekken, er volledig door misleid moest worden.

Om dit ongelofelijke feit te verklaren, moeten wij een splijting van de persoonlijkheid aannemen. De ene is de gewone vrouw, die zich er niet van bewust is, dat er iets is veranderd aan haar gezichtsvermogen — de andere is haar onderbewustzijn, dat gehoorzaam de suggestie aanvaardt en aan één oog blind tracht te worden, en dit zo succesvol doet, dat één oog helemaal niet meer functioneert, hoewel het gezichtsorgaan intact blijft. De vrouw wordt, wat wij technisch 'zielsblind' noemen, aan één oog. Om deze gebeurtenis tot stand te brengen door middel van de wil is een onmogelijkheid. De slimste student zou het niet kunnen en zeker geen onontwikkelde vrouw, zonder dat zij erop voorbereid is.

Dit vreemde experiment toont aan dat, om het in een paar woorden te zeggen, het deel van ons wezen dat gehoorzaamt aan suggestie een veel intelligentere en sterkere kracht is dan onze gewone bewuste persoonlijkheid. En bovendien dat onze alledaagse opvattingen van 'verbeelding' en 'simulatie' veel te ruw en eenvoudig zijn om de feiten van de nieuwe psychologie te dekken. En ik ben ervan overtuigd dat, teneinde te bevestigen of te ontkennen wat het effect van suggestie kan zijn, en om tot iets als een verklaring te komen van de wonderbaarlijke genezingen van het lichaam, teweeggebracht door de geest, wij in de allereerste plaats meer moeten weten over de geheime kracht die in staat is te gehoorzamen aan zulke moeilijke bevelen, ongehinderd door het gewone bewustzijn.

En dit voorbeeld is er slechts een uit vele, en een van de eenvoudigste.

De verschijnselen van gesuggereerde hallucinaties, posthypnotische suggesties en meervoudige persoonlijkheid zijn nog ingewikkelder en verbijsterend geheimzinnig. Het vermaakte mij de ongelovigheid op te merken van sommige wetenschapsmensen tijdens mijn laatste bezoek aan Amerika, toen ik zei dat ik nog geen reden zag het bestaan te ontkennen van een soort fluïdum, dat van de handen van de dokter in het lichaam van de patiënt stroomde.

De vele vormen van straling in aanmerking genomen zoals die kort geleden zijn ontdekt en nooit eerder vermoed, zou het bestaan van niet slechts één maar wel duizend verschillende onbekende stralingen volkomen aanvaardbaar moeten zijn en zeker heel wat minder wonderbaarlijk, heel wat minder miraculeus of 'mystiek' dan vele onontkenbare feiten aan het licht gebracht door de moderne psychologie.

Ik meen, dat afgezien van de positieve resultaten waarvan wij mogen beweren ze bereikt te hebben door middel van de psychotherapeutische methode — de werkelijke verlichting bij menselijk lijden welke voordien buiten ons bereik lag — er negatieve resultaten zijn in de vorm het elimineren van vergissingen, welke niet minder waardevol zijn.

De macht van de suggestie kennende en de onvoorzichtige of niet consciëntieuze manier waarop suggestie vaak wordt toegepast, worden we veel kritischer in onze beoordeling van de waarde van alle andere geneesmethoden. Wij weten nu dat suggestie werkzaam kan zijn niet alleen door een grote bewuste wilsinspanning, maar ook door kleine wenken, stilzwijgend aangeven, verwachting of door een onbewuste wens. Deze wonderbaarlijke onderdanige geheimzinnige kracht, die de vrouw zielsblind maakte aan één oog, is mogelijk altijd aan het werk bij ons allen, waarbij bevelen worden uitgevoerd die soms onwillekeurig gegeven worden, onbewust zowel wat de gever als de ontvanger betreft.

Een zeer suggestibele persoonlijkheid kan echt duidelijke verlichting ervaren, eenvoudigweg omdat die onbewuste kracht gehoorzaamt aan de een of andere verwachting van de dokter, welke verwachting wordt opgevat als een bevel. Een kind kan beter of slechter groeien, niet alleen denkbeeldig maar in werkelijkheid, doordat het onbewust gelooft dat dit plezierig zal zijn voor de dokter of de ouders of wie dan ook met een sterke persoonlijke invloed erop.

Indien professor Koch,[14] toen hij zijn 'tuberculine' de wereld instuurde, op zijn hoede was geweest voor de tastbare resultaten van suggestie zou hij zichzelf een pijnlijk schandaal hebben bespaard, en duizenden zieken een ellendige teleurstelling. En indien de grote massa, zoals wij allen hopen dat het eens zal gebeuren, op school goed opgevoed zou worden in het onderscheiden van de voetangels en klemmen van bedriegelijke suggestie, zou er spoedig een eind komen aan de stroom van patentgeneesmiddelen.

Maar niet alleen de grote massa en de patentgeneesmiddelen wachten op de klaarheid die door de moderne psychologie en de wetenschap der suggestie kan gebracht worden — onze wetenschapsmensen, en ons medische beroep hebben dit eveneens dringend nodig.

De medische tijdschriften staan voortdurend vol met verslagen over nieuw ontdekte chemische preparaten, vervaardigd in een van de productieve Duitse chemische fabrieken, en tevergeefs zoeken wij in het verhaal van opmerkelijke resultaten in diverse gevallen, naar de zo essentiële experimentele omstandigheden, die een eventueel suggestief effect uitsluiten. Experimentele omstandigheden die zo gemakkelijk georganiseerd kunnen worden door inplaats van het medicament een of andere neutrale materie te geven zonder dat de patiënt het weet of het nieuwe geneesmiddel toe te dienen in de oude vorm zonder dit te vertellen — en welke desalniettemin bijna altijd verwaarloosd worden, tot schade van zieke en arts.

En hoe een diepgaande kennis van de suggestie en suggestieve methoden de oprechte geneesheer zou helpen in zijn strijd tegen kwakzalvers en kwakzalverij in alle vormen, hoef ik nauwelijks toe te lichten. Zeker is het een betere methode feiten uit te leggen in plaats van ze te ontkennen, indien men het publiek de ogen wil openen en wil inlichten, door hen te tonen hóe de kwakzalverij zijn successen behaalt en ze zelf na te doen, beter dan door spotten en schelden en de ogen af te wenden van wat iedereen zien kan.

Dr. Van Renterghem en ik leidden onze kliniek samen tot 1895 en publiceerden daarover twee verslagen[15] met uitgebreide casuïstiek.

Na dat jaar voelde ik dat het behandelen van zovele patiënten iedere dag weer mijn literaire werk waarvan ik voelde dat ik het moest nastreven, dreigde te verdringen. Sociologische vraagstukken trokken meer en meer mijn belangstelling en ik liet de kliniek in Amsterdam[16] over aan mijn waarde collega, die speciaal voor dit doel een nieuw gebouw liet optrekken en daarin het werk met onverminderd succes voortzette.



[1] Verkroost, dra C. M., Frederik van Eeden en zijn medisch proefschrift

(Amsterdam, 1886); Medisch Contact, 1976, 31-754-57.

[2] In het manuscript staat St. Andial. Het ziekenhuis heette echter: Htipital Andral. Het is ca. 1920 afgebroken. Het Andral is wsch. bedoeld: Guillaume Andral (geb. 1769), die tijdens de Franse revolutie als militair chirurg in Parijs werkzaam was. Hij is lid van de familie Andral waaruit zeven generaties lang artsen voortgekomen zijn..

[3]  Stelling VII, zie inleiding.

[4] sciaticus-ischiadicus (manuscript heeft: sciaticus)

 

[5] Voel deze warmte

[6]  pleister, samengesteld met poeder van de Spaanse vlieg

[7] James Braid (1795-1870), Engels arts, ontdekte de hynose in 1841 doorstaren naar een punt (A. W. van Renterghem, in zijn artikel Liébeault en zijne school, Amsterdam, 1898).

[8] F. A. Mesmer (1734-1815), gebruikte de hynose als therapie. De mogelijkheid berustte volgens hem op magnetisme.

[9] Ernst Haeckel (1834-1919), promoveerde in 1857 tot doctor medicinae.

Hij studeerde verder zoologie in Italië (Napels en Messina). In 1865 werd hij te Jena benoemd tot hoogleraar in de zoologie en de filosofie. Tijdens zijn professoraat maakte hij grote reizen o.a. naar India. Hij was een van de vroegste aanhangers van Darwin. Op grond van zijn natuurwetenschappelijke studies kwam hij tot de levensbeschouwing van het monisme.

Een van de laatste werken uit de reeks van zijn publicaties, Die Natur als Kiinstlerin (Berlijn, 1913).

[10] Er bestond een controverse tussen Charcot en Liébeault. Charcot achtte meende dat iedereen, ook de gezonde mens, gevoelig was voor hypnose.

Door deze opvatting zag Liébeault veel meer mogelijkheden voor de toepassing der hypnose in de geneeskunst. Liébeault en de suggestionistische school, door A. W. van Renterghem (Goes, 1887).

[11] Compendium de médicine dosimétrique ou matière médicale par le Dr. Albert van Renterghem De Goès (Zélande).

Ouvrage couronné au Concours de 1885 de l'Institut libre de Médicine dosimétrique de Paris (Paris, 1886).

[12] A. Burggraeve (1806-1902) was van huis uit anatoom, maar zocht en vond i.v.m. de verzorging van de gewonden tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-71) een wijze van toediening van geneesmiddelen. Pinkhof geeft de volgende omschrijving van deze geneeswijze: dosimetrie is een wijze van toediening van geneesmiddelen, berustend op het beginsel, dat men tegelijkertijd slechts één chemisch zuiver geneesmiddel mag toedienen in

kleine doses, vaak herhaald, tot de gewenste werking optreedt. (Dr. H. Pinkhof - Vertalend en verklarend Woordenboek, 5e druk, De Erven F. Bohn, N.V., Haarlem 1963).

[13] Alfred Binet (1857-1911), Frans psychiater en ontwerper van de intelligentietest Binet-Simon. Het bedoelde werk verscheen in 1900 te Parijs.

[14] Robert Koch (1843-1910), Duits bacterioloog, ontdekte de tuberkelbacil, de oorzaak van de tuberculose. Als therapie stelde hij de tuberculine samen. Volgens Fr. van Eeden onderschatte Koch de macht van de suggestie.

[15] Twee rapporten: 1. Compte rendu des résultats obtenu dans la clinique de psychothérapie suggestive á Amsterdam (Brussel, 1889) en //. Psychothérapie, communication statistique, observations cliniques nouvelles

(Paris, 1894).

[16]  Van Breestraat 1 te Amsterdam. Eerste steenlegging April 1899; in 1900

kwam het gebouw gereed.

 
 

Het beginsel der psycho-therapie
door Dr. Frederik Van Eeden.

 

 

M.H.!

 

In navolging van Dr. Liébeault te Nancy hebben Dr. van Renterghem en ik te Amsterdam de Psycho-therapie als speciale geneesmethode gedurende vijf jaren toegepast.

In 1889 heeft mijn collega Dr. van Renterghem op het hypnologisch congres te Parijs een statistisch verslag uitgebracht van de resultaten onzer behandeling.

Thans is het mijn bedoeling u in 't kort mededeeling te doen van de meer theoretische inzichten waartoe de vijfjarige ondervinding mij heeft gebracht.

Het zijn zeer eenvoudige ideeën, waartoe het gezond verstand ons noodzakelijk brengt bij 't bestudeeren dezer zaak. Niettemin acht ik hun mededeeling, zelfs hier, niet overbodig, daar ik weet dat vele geleerden en medici over de Psycho-therapie niet die meening bezitten waartoe een speciaal en langdurig practisch onderzoek hen zou gebracht hebben.

 

Als algemeene naam voor de behandeling kozen wij in 1889: suggestieve Psycho-therapie.

Psycho-therapie noemden wij elke therapie die geneest door tusschenkomst der psychische functies van den lijder zelf. Het woord is van Hack Tuke.

Het woord ‘suggestief’ voegden wij er aan toe omdat de suggestie, in de door Bernheim omschreven beteekenis, in onze behandeling de grootste rol speelt.

De woorden ‘hypnotisme’ of ‘hypnose’ zijn opzettelijk vermeden. Wat mij betreft, ik wenschte wel dat deze woorden nooit in verband met de Psycho-therapie werden gebruikt. Want zeer veel vooroordeel, verwarring en dwaalbegrip is door het onverstandig gebruik dezer woorden ontstaan.

Dr. Hack Tuke heeft geschreven over den invloed van den geest op 't lichaam en toen de mogelijkheid aangegeven het lichaam door den geest te genezen.

 

Had men dit rijke en eenvoudige idee in zijn zuiverheid aanvaard en practisch uitvoerbaar gemaakt door Bernheim's suggestie-leer, dan waren wij thans veel verder. Dan zou de Psycho-therapie nooit eenigen redelijken tegenstand hebben ondervonden en als een natuurlijke en zeer rationeele zaak door de medici onbevangen zijn bestudeerd en verder uitgewerkt.

Maar tot schade voor de normale ontwikkeling dezer wetenschap zijn de onderzoekingen over 't hypnotisme, hoe belangrijk ook op zich zelf, tusschenbeide gekomen.

Het hypnotisme, gedragen door den naam van den eminenten Charcot, gepopulariseerd door publieke vertooningen, is eerder en krachtiger bij geleerden en publiek ingedrongen. De Psycho-therapie heeft het groote ongeluk gehad in haren nasleep te komen.

Niet als een nieuwe en belangrijke ontdekking der therapeutische wetenschap, niet als het zuivere, op zich zelf staande idee: dat het lichaam door toedoen van den geest te genezen is, kwam de Psycho-therapie in de wereld. Maar als een onderdeel, een gevolg van de leer van het hypnotisme. Daardoor vooral komt het dat deze nieuwe therapie met zooveel argwaan en vijandschap is ontvangen.

 

Want het hypnotisme, zooals Charcot het in de wetenschap lanceerde, werd erkend als van groot psychologisch en wetenschappelijk gewicht, maar het had zulk een vreemd, griezelig en abnormaal karakter, dat toen men hoorde dat er ook een geneeswijze van werd gemaakt, de medici dit beschouwden als het gewone exploiteeren van elke nieuwigheid tot kwakzalversdoeleinden.

Zeker ware het lot der Psycho-therapie veel gunstiger geweest wanneer het Dr. Liébeault gelukt was een tiental jaren eerder, dus vóór de hypnotisme-leer der Salpetrière ontstond, de hoogleeraren van Nancy op zijn eenvoudige kliniek te lokken.

Even rustig en onbenadeeld, als de massage, de hydro-therapie, de electro-therapie, had dan de suggestieve-therapie als de onschuldigste zaak ter wereld zijn weg gevonden. Op Liébeault's kliniek is het idee van schade of gevaar belachelijk. Maar de naam hypnotisme, begrepen volgens de leer der Salpetrière en de voorstellingen van Hansen en Donato, heeft het zoo klare en eenvoudige idee om de zieken door hun eigen geest, geleid door suggestie, gesteund door den slaap te genezen, van den aanvang af onzuiver en verdacht gemaakt.

 

Daarom heb ik reeds in den aanvang mijner praktijk zooveel mogelijk getracht de begrippen hypnotisme en Psycho-therapie uit elkander te houden.

Het hypnotisme is een onderdeel der psychologie, van uitsluitend theoretisch belang, en heeft met de therapie niet te maken. De slaap, die bij de Psycho-therapie te pas komt, als bevorderlijk voor de genezing en voor de kracht der suggestie, kan men kortheidshalve hypnose noemen, maar behoort niets anders te zijn dan een door suggestie te weeg gebrachte normale slaap, een suggestie-slaap.

Het uiteen houden dezer dingen is van 't grootste belang en voorkomt allerlei verwarringen en bezwaren. Over het hypnotisme, over somnambulisme, over de leer van Charcot, over dit alles heb ik dus niet te spreken. Het zijn kwesties buiten dit onderwerp.

 

Tot mijn onderwerp behoort alleen de macht die de geest over 't lichaam, de psychische op de physische functie heeft en de leer der suggestie. Dat men door suggestie ook slaap kan verwekken, en dat men dit, wanneer het nuttig is, ook behoort te doen en het zonder schade vermag te doen is iets dat voor elken psycholoog van zelf moet spreken.

 

Ik stel dus in 't kort de volgende bepalingen voorop.

  1. Onder Psycho-therapie versta ik elke geneesmethode waarbij de ziekte door psychische middelen, door tusschen-komst der psychische functien wordt bestreden.
  2. Onder suggestie in meest algemeenen zin versta ik elke impuls door den eenen geest aan den anderen medegedeeld. De suggestie staat dus onder de psychische middelen, waarmede men op den lijder invloed hebben kan, boven aan.
  3. Onder therapeutische hypnose versta ik een door suggestie teweeg gebrachte normale slaap.
  4. Onder hypnotisme versta ik een aantal abnormale toestanden, die hetzij spontaan en dus pathologisch, of wel kunstmatig en dus experimenteel zijn, maar met de therapie niet te maken hebben.

 

Wanneer men mij nu tegenwerpt dat de therapeutische hypnose, zooals vele onderzoekers die beschrijven, toch wel degelijk een abnormaal karakter draagt, dan stel ik mijne overtuiging daar tegenover dat dit nimmer zoo behoort te zijn en nimmer noodzakelijk is.

Ieder weet dat men door suggestie de meest abnormale toestanden teweeg kan brengen. Maar ik zeg dat zoodra de suggestie iets abnormaals teweeg brengt, dat zij dan verlaat het gebied der zuivere therapie en betreedt het gebied van het experiment.

 

Nu is het begrip normaal moeielijk algemeen te definieeren. Maar voor elk bizonder geval weet ieder toch zeer spoedig te zeggen of iets normaal of abnormaal moet genoemd worden. En het is mijn bedoeling dat de therapeutische suggestie in elk bizonder geval het normale zal zoeken.

De vraag is of dit mogelijk is. Mijn ervaring beantwoordt die vraag bevestigend. Er zijn maar twee verschijnselen die men abnormaal zou kunnen noemen, in den slaap, waarin ik dagelijks vele lijders breng. Dat is 1o. de anaesthesie, en 2o. de mogelijkheid om den slaper op uitwendige indrukken te doen reageeren zonder hem te doen ontwaken.

Beide verschijnselen zijn voor de genezing onontbeerlijk. De anaesthesie, hoewel ze dikwijls ontbreekt, is noodig en moet door suggestie verhoogd worden, wanneer men in den slaap een operatie wil doen.

Maar ook in normalen, diepen slaap is anaesthesie. In normalen slaap kunnen ledematen door het lichaam van den slaper zoo gedrukt worden dat door zenuw-pressie paralyse ontstaat. Iets wat wakend niet zonder pijn zou kunnen geschieden.

 

Evenzoo is het reageeren op uitwendige indrukken in den slaap niet bepaald abnormaal. Het komt, bij kinderen bijvoorbeeld, ook zonder suggestie, herhaaldelijk voor. En het is twijfelachtig of men door het bestendigen van deze eigenschap iets werkelijk abnormaals teweeg heeft gebracht. Men zou even goed kunnen zeggen dat de portier van een hotel die door gewoonte in zijn slaap op het schellen reageert en de deur opentrekt, of de moeder die geleerd heeft in haar slaap op het minste geluid van haar kind te reageeren, een abnormale eigenschap hebben gekregen - als dat de lijder die door gewoonte op den stem van zijn geneesheer reageert zonder te ontwaken, daarom in abnormalen toestand verkeert.

Maar de grens is hier moeielijk aan te geven en spoedig overschreden.

 

Wanneer men een patient leert, in zijn slaap veel te spreken, te schrijven, te wandelen, de oogen te openen - dan geef ik toe dat men hem abnormaal maakt. En direct voeg ik er aan toe, dat dit in de therapie ook vermeden moet worden. Het is immers duidelijk dat hierdoor de pathologische toestand van nachtelijk somnambulisme kan worden teweeg gebracht. En dit is mij inderdaad voorgekomen, en niet altijd zijn contra-suggesties in staat dit ongewenschte verschijnsel terstond tegen te gaan.

De verschillende ziekte-verschijnselen dwingen ons echter herhaaldelijk den slapende de handelingen van een wakende te laten doen. Men moet de stamelaars in den slaap laten spreken, de lijders aan schrijfkrampin den slaap laten schrijven, de lijders aan parese in den slaap laten bewegen, de ooglijders in den slaap laten zien. Want in den slaap werken de suggesties het sterkst en is het therapeutisch effect het grootst.

Maar men kan daarbij toch altijd zorgen binnen den norm te blijven en niet het beeld van somnambulisme, van wakend slapen te weeg te brengen. Het rapport van den slapende met de buitenwereld moet altijd zoo klein mogelijk blijven, dan wordt een feitelijk abnormalen toestand niet geschapen.

Eerst wanneer de slaper een zelfstandig actief psychisch leven in zijn slaap gaat leiden, wanneer hij in zijn slaap optreedt als een bewust handelend, zelfstandig persoon, en alle indrukken van buiten opneemt - wanneer de door den slaap gedesagregeerde geest zich op nieuw samenvoegt tot een andere bewustzijns-toestand, dan heeft men iets abnormaals, het somnambulisme. Dit nu behoort tot de pathologie of tot het experiment en moet in de therapie tot elken prijs vermeden worden.

 

Ik was van den aanvang af op dit punt zeer streng en ben er nog strenger op geworden. Want voor de toekomst dezer geneesmethode is dit van 't uiterste gewicht.

De grootste vijand van de Psycho-therapie is het Parijsche hypnotisme. Dit heeft de lijders bang gemaakt en de geneesheeren wantrouwend.

Vrees, wantrouwen en dwaalbegrip zijn belemmeringen die den psycho-therapeut meer moeite en verdriet veroorzaken dan eenig ander geneesheer. Ieder die zich op deze geneeswijze heeft toegelegd zal het met mij ondervonden hebben.

 

Niet alleen het publiek, ook onze collega's maken het ons moeielijk. Herhaalde malen komt het voor, dat geneesheeren hun patienten dringend waarschuwen: ‘wat je ook doet, laat je nooit hypnotiseeren.’

Of wel, wanneer een patient met eenig succes behandeld is, zeggen ze: ‘Wacht maar, het is toch maar schijn, later zal je het berouwen.’ Of: ‘Pas op, het is geen onschuldige zaak!’

Op het zeggen van een mijner patienten: ‘Dat hij er toch wel niet van dood zou gaan,’ - antwoordde een collega: ‘neen, maar erger dan dood.’

Een ander patient die nagenoeg hersteld was en dit aan een docter zeide, kreeg ten antwoord: ‘Dat kan je onmogelijk genezen hebben, je was ook zonder die behandeling wel beter geworden.’ En zoo voort. Dit zijn authentieke gezegden, die ik met velen zou kunnen vermeerderen.

 

Wanneer dit nu in chirurgische, gynaecologische of algemeene praxis gebeurt, dan kan men het niet-collegiaal noemen, maar het is vrij onschuldig, men haalt er de schouders over op.

Maar in de psycho-therapeutische praktijk is de beteekenis van zulke gezegden lang niet onschuldig. Het is voor den psycho-therapeut precies even onaangenaam en gevaarlijk, als het voor den chirurg zou zijn, wanneer men zijn messen en instrumenten zonder zijn voorkennis voor lijkopeningen en proeven op 't cadaver ging gebruiken.

Want zulke woorden, met het gezag van een geneesheer geuit, zijn suggesties die bij nerveuze en impressionable menschen jarenlang nawerken. En bij een zoo subtiele en delicate zaak als de psychische behandeling van zenuwlijders, is het eenmaal opgewekte wantrouwen absoluut belemmerend voor alle succes.

Men moet echter beginnen met toe te geven, dat deze vrees en dit wantrouwen niet geheel uit de lucht gegrepen zijn. Ja, als men nooit iets van suggestie had vernomen, dan door de kliniek van den goeden docter Liébeault, dan zou men het blind en dom vooroordeel kunnen noemen

 

Maar er zijn andere bronnen, waaruit ongelukkig meer geput is. Men kent de buitengewone gevallen der Salpetrière, men zag fotografiën van cataleptische, lethargische personen, men hoorde van het africhten op moorden, van de zeldzame experimenten der psychologen, men zag de afschuwelijke, mensch-vernederende vertooningen der openbaar optredende hypnotiseurs. Waarlijk, het ontstaan van vrees en wantrouwen moet ons niet verbazen, maar alleen aansporen zorgvuldig alle aanleiding er toe te vermijden.

Wij, therapeuten, wier hoofddoel is te genezen, moeten tegenover dit wantrouwen niet anders stellen als de strengste zuiverheid van bedoeling, de meest oprechte toeleg om te genezen en niets anders. Dan alleen kan de Psycho-therapie stand houden.

In hoever de hypnotische experimenten gevaarlijk zijn wil ik niet beslissen. Zeer bekwame onderzoekers, zooals Bernheim, beweren nadrukkelijk het tegendeel. Zonder twijfel is het meestal mogelijk door energieke contrasuggestie alle nadeelige gevolgen tot een minimum terug te brengen.

 

Maar ik heb een theoretisch bezwaar. Dikwijls herhaalde experimenten verhoogen de suggestibiliteit. En dit moet vermeden worden.

Verhoogde suggestibiliteit beteekent vermeerderde psychische ataxie. Zooals Forel het zoo juist heeft opgemerkt, verhoogt de slaap de vatbaarheid voor suggestie, omdat de slaap den geest atactisch maakt. Bij herhaalde suggesties kan deze ataxie ook overgaan in den wakenden toestand. En dit is ontegenzeggelijk een nadeel, een abnormaliteit.

Personen, zooals men ze in Bernheim's kliniek ziet, die in wakenden toestand elke suggestie bij 't eerste woord aannemen, zijn abnormaal. Ze mogen er geen direct nadeel van ondervinden, niemand onzer zou begeeren zoo te zijn. Niemand onzer begeert zoo suggestibel te zijn, dat hij prof. Bernheim direkt zou gelooven, als deze hem verzekerde, dat hij matroos was of soldaat. Dit is een kunstmatige desagregatie van den geest, die tot blijvenden toestand is geworden.

Ik voel mij niet gerechtigd bij een medemensch zulk een toestand teweeg te brengen.

Evenzoo is het met de splitsing der persoonlijkheid. Met een weinig educatie kan men het psychisch leven van een mensch in tweëen splitsen en hem tot een dubbel wezen maken. Dit mag oogenschijnlijk geheel onschadelijk zijn, het is een abnormaliteit die men bij niemand mag teweeg brengen, zonder zijn uitdrukkelijk verlangen.

Ik zelf heb in den aanvang ook dergelijke experimenten genomen, ook zonder noemenswaard praktisch nadeel. Maar ik heb opgemerkt, dat in den aanvang, in 't begin der educatie, er wel degelijk ongunstige storingen ontstonden. Ik heb een tienjarig meisje onder behandeling gehad, waarmee ik 't interessant experiment nam, haar in hypnose fransch te leeren, zonder dat zij er wakend van wist. Op een goeden dag bracht ik al haar fransche taal-kennis uit het slaapbewustzijn over in het waak-bewustzijn, zoodat zij op eenmaal tot haar eigen verbazing een weinig fransch verstond en ook sprak. Maar ik bemerkte dat zij elken dag, waarop ik haar in hypnose onderwezen had, vermoeider was dan anders en een hoogroode kleur vertoonde. Dit was een duidelijke aanwijzing voor mij om de proef niet voort te zetten.

 

Men kan een persoon gewennen aan deze proeven, maar het schijnt mij niet wenschelijk. Want men moet niet vergeten, dat een der voornaamste kenmerken van hysterie de psychische ataxie is. Zeker zal men door strikt therapeutische suggestie nimmer hysterie teweeg brengen, maar of men het niet door vaak herhaalde experimenten zou kunnen doen, dit durf ik niet te verzekeren.

Mijn vaste stelregel is dus, nimmer zonder uitdrukkelijk verlangen van den persoon zelf, een experiment te nemen. Nimmer een suggestie te geven, waarvan de uitwerking in strijd zou zijn met den normalen gang van het organisme.

Want voorop stel ik als therapeutisch beginsel; dat men gebruik moet maken van de bestaande vatbaarheid voor suggestie, maar die vatbaarheid zoo weinig mogelijk moet verhoogen.

 

Velen uwer zal dit een onmogelijkheid schijnen, maar ik zal trachten u uiteen te zetten hoe ik dit beginsel ten uitvoer breng.

Wie te Nancy de suggestieve therapie bestudeert, krijgt aanvankelijk den indruk, dat het een zeer eenvoudige en gemakkelijke zaak is. Men suggereert slaap, die dieper of lichter zal zijn al naar de vatbaarheid van 't individu, men suggereert de pijnen weg, men bestrijdt de morbide symptomen stuk voor stuk, suggereert eetlust, slaap, defaecatie dinrese - en men schijnt geen andere taktiek noodig te hebben dan energie en aplomb. Hoe stelliger de suggestie hoe beter resultaat. Helpt krachtige suggestie niet, dan moet men 't opgeven.

Maar eigen ervaring leert, dat de zaak lang zoo eenvoudig niet is. En vooral heb ik er op gewezen, reeds voor vier jaren, hoe groot het onderscheid is tusschen de behandeling van eenvoudige, onbeschaafde lieden en hooger ontwikkelden. Bij een armen-praktijk, of bij de bevolking van een hospitaal is de Psycho-therapie gemakkelijk en het succes groot. Men volgt een eenvoudig stelsel, men treedt met autoriteit op, men kommandeert, verspilt niet veel woorden, geeft geen uitleg en krijgt met weinig moeite verrassende resultaten.

 

Maar krijgt men met meer beschaafde patienten te doen, dan bemerkt men spoedig dat dit systeem niet meer opgaat. Deze zijn sceptischer en onafhankelijker. Een toon van gezag irriteert hen en schijnt hun ridicuul. Ze willen niet gekommandeerd zijn, en vooral: ze willen niet aannemen zonder te begrijpen. Gij kunt geen indruk op ze maken zonder hen eerst een klaar idee van de zaak te geven. Gelukt u dit niet en tracht ge uw zaak alleen te winnen door grooter aplomb en energieker suggestie, dan lachen zij u uit, verliezen hun vertrouwen in u, en geven 't spoedig op.

Dit is een enorme moeielijkheid - en juist voor de toekomst dezer geneesmethode van groot belang. Want men kan toch geen therapie alleen voor onbeschaafden en hospitaal-lijders inrichten. Het is een zeer redelijk gevoel in den mensch dat hij niet gekommandeerd wil wezen, dat hij zich verzet tegen een toon van gezag - en een zeer redelijke wensch dat hij wil begrijpen wat er met hem gebeurt, hoe hij genezen wordt.

Juist de verstandigsten, de edelsten onder onze medemenschen zouden wij dan niet kunnen helpen. En hoe talrijk zijn niet de kwalen, de nevrosen en psychosen waaraan juist deze lijden.

Algemeen hoor ik mijn collega's klagen dat zij zoo weinig bereiken bij de nevrosen der beschaafde klasse, de neuras-therieën en hypochondriën. Terwijl toch juist voor deze een psychische behandeling de eenige rationeele is.

 

De Psycho-therapie is impopulair onder den beschaafden stand. Niet alleen door de vrees voor gevaar, door den tegenstand der medici. Maar omdat zij de zaak niet recht begrijpen, en zonder recht begrip niet vertrouwen - en vooral omdat zij het beschouwen als een kwestie van gezag, en omdat zij, terecht, als onafhankelijke menschen niet willen gecommandeerd worden.

Zij hebben niet heelemaal ongelijk. Tot nu toe is de psycho-therapie, zooals die meestal wordt uitgeoefend, een zaak van gezag, van overwicht van den geneesheer op zijn patient.

En ik ben overtuigd dat als zij dit blijft, dat ze dan ook nimmer populair zal worden, ja geen stand zal kunnen houden. Ze zal dan kunnen gelden voor onbeschaafden, voor kinderen en gedweeë individuen - maar algemeen zal ze niet worden, en de uitbreiding die haar toekomt, door haar schoon grond-idee, zal ze niet krijgen.

Het sterkste principe is zeker dat, hetwelk rekening houdt met onze beste wenschen en verwachtingen. Wij moeten wenschen en verwachten dat de meerderheid der menschen beschaafd en onafhankelijk zal zijn. Op die verwachting moet zich de theorie der Psycho-therapie baseeren.

In theorie moet dus het systeem van gezag, van overwicht worden verlaten. Praktisch is dit natuurlijk nog niet altijd mogelijk. Maar het ideaal, waarheen onze bedoeling altijd moet gericht zijn, is het behoud van de meest strikte individueele onafhankelijkheid.

 

Het beschaafde publiek is tegen de psycho-therapie, omdat het daarin ziet een beperking van de vrijheid van den wil, hetzij voor goed, hetzij tijdelijk.

Het optreden van vele psycho-therapeuten is inderdaad een kommandeeren, een verminderen der onafhankelijkheid. De suggesties zijn bevelen. Het door velen beoogde verhoogen der suggestibiliteit is zonder twijfel een blijvend verzwakken van het individueele weerstandsvermogen.

Dit mag nu meestal onbeduidend en tijdelijk zijn, zelfs tijdelijk wenscht een onafhankelijk mensch het niet.

Daarom, als ideaal, als theoretisch beginsel, moet het gezag, het overwicht van den wil, uit de Psycho-therapie gebannen worden. Zonder dat is haar toekomst onzeker. Zonder dat wordt zij nimmer algemeen geaccepteerd.

Wij moeten leeren suggereeren zonder gezag, en leeren suggestief genezen zonder verhooging der suggestibiliteit.

Want zooals ik zeide de vatbaarheid voor suggestie berust op desagregatie, op psychische ataxie, of een losser worden van het psychisch verband.

Blijvend verhoogde suggestibiliteit beduidt dus vermindering der psychische samenhang, en daarbij verzwakking van het individueel weerstandsvermogen.

Dit moet vermeden worden en het kan vermeden worden.

 

Ik heb ondervonden dat de Psycho-therapie het gemakkelijkst is bij patiënten die niets van de zaak begrijpen of bij hen die er alles van begrijpen wat er thans van begrepen wordt. Bij de onontwikkelden of bij de zeer intelligenten.

De eersten vertrouwen op uw meerder wijsheid, zonder overweging. Ze gelooven in u, en het vertrouwen maakt gezag overbodig. Ge zegt: ‘het zal zóó en zóó toegaan, en je zult beter worden door te doen wat ik zeg.’

En tot de zeer intelligenten spreekt ge als tot uzelven. Ge verklaart hem het begrip ideo-plastie , het begrip suggestie, ge toont hem de mogelijkheid om pathologische toestanden door psychische functiën, door ideëen, door willingen (volitions) te beheerschen en te genezen. Ge zegt dat ge hem niet zult dwingen, maar eenvoudig den weg wijzen. Dat het niet een overwicht is van uw wil, maar een inspanning van zijn eigen wil die de ziekte-verschijnselen zal doen verdwijnen. In een woord, gij verklaart en leidt, zonder dwang, zonder gezag, zonder bevel.

In beide gevallen is het mogelijk te suggereeren zonder gezag, zonder verhoogen der suggestibiliteit. En het laatste geval is de ideale, zuivere weg der Psycho-therapie.

In de praktijk echter stuit men op enorme bezwaren.

Zeldzaam zijn de zóó intelligenten. De meerderheid is half beschaafd. Is niet wijs genoeg en toch eigenwijs. Kan u niet begrijpen en wil toch niet geholpen worden zonder te begrijpen. Wil zich niet onderwerpen aan uw verstand en heeft toch geen verstand genoeg om u te volgen. Dit zijn de lastigsten, de onhandelbaarsten.

Hier moet ge niet enkel genezen, maar ook onderrichten. Ge moet begrijpelijk maken, een aannemelijke voorstelling geven, hun rechtmatig onafhankelijkheidsgevoel sparen en toch uw intellectueel overwicht gebruiken.

Maar niettemin blijft ook hier het ideaal: ontzie de individueele vrijheid, beveel niet maar bestuur, desagregeer niet maar centraliseer, verhoog de wilskracht en het weerstandsvermogen.

 

 

Centralisatie des psychische functies. Ziehier het tweede beginsel der Psycho-therapie.

De strekking van dit beginsel moet elk psycholoog duidelijk zijn. De psyche is een geheel van samenwerkende krachten evenals elk organisme. En voor de kracht en het weerstandsvermogen van elk organisme is orde en evenwicht en dus eenheid van bestuur en centralisatie onmisbaar.

Tevens zal het u duidelijk zijn dat de zetel van het bestuur moet liggen in de bewuste zielstoestanden, en het uitvoerend beheer moet zijn de bewuste willing (volition).

Door een eenvoudig voorbeeld zal ik u trachten duidelijk te maken wat ik praktisch onder centraliseeren versta.

Een patient lijdt aan hysterische of liever nerveuse, functioneele aphonie. De innervatie van de stembanden wordt door een gemoedsaandoening plotseling gestoord, en keert soms door dezelfde oorzaak plotseling terug. Nu kan men dit tijdelijk herstel op velerlei manieren teweegbrengen, door het drinken van een glas champagne, de aanwending van de faradische stroom, door een uitwendig pointe-de-feu - ook door een krachtige suggestie in hypnose, door te zeggen: ‘spreek, ik wil het je kunt spreken’. Van al deze middelen is de actieve kracht de suggestie. Nu weet ieder medicus dat al deze suggesties hun kracht verliezen - en dat men spoedig een variatie van de suggestie moet bedenken. Men moet een sterke magneet aanleggen, of spreken van een geheel nieuw, sterkwerkend medicament. Het vernuft kan zich uitputten in slinksche wegen om de suggestie in allerlei min of meer bedriegelijke vormen te kleeden, en toch zullen zij allen op hun beurt ons weer begeven. Nu is er maar een weg die tot recht herstel kan leiden en waarop geen variatie noodig is. Door namelijk den patient te doen begrijpen dat al de aangewendde middelen werkten door zijn eigen psyche, en dat ze allen te vervangen zijn door zijn eigen bewuste wil. Dat het noch de electriciteit, noch de magneet, noch de wil van den geneesheer - maar zijn eigen wil is die de genezing moet bewerken. Men moet de verschillende draden, waaraan men, buiten het begrip van den lijder om, getrokken heeft, in zijn eigen handen geven en hem leeren ze zelf naar willekeur aan te trekken. Op dezen weg kan men niet dwalen, dit medicament begeeft den lijder nooit en draagt hij altijd bij zich - het eenige wat hij nu nog noodig heeft, is geduld en hardnekkige oefening. Inderdaad is deze wijze van behandeling juist bij de aphonie in den laatsten tijd meer en meer in zwang gekomen.

En vele medici die van Psycho-therapie niet weten willen, hebben haar dus hiermede op zuivere wijze toegepast. Dit voorbeeld is dus niets nieuws.

Maar lang niet zoo algemeen is de overtuiging dat wat men hier deed bij dit enkele hysterische symptoom, als hoofdbeginsel kan dienen voor de behandeling van een menigte andere kwalen, voor de meeste neurosen, en zelfs voor vele organische ziekten.

Op deze zelfde wijze, door het leeren beheerschen van de ziekelijke verschijnselen, door de bewuste wil van den lijder zelf, is het mij gelukt zware vormen van neurasthenie en hypochondrie te verdrijven die weerstand hadden geboden aan alle andere geneeskundige behandeling.

Theoretisch kan men zeggen dat waar een chronische ziekte op deze wijze geneest, de kans op wederinstorting het geringst is. En in beginsel kan men zelfs beweren dat bij geen enkele ziekte deze factor geheel mag ontbreken, evenmin als voldoende voeding, reinheid en versche lucht.

 

Dit idee der psychische centralisatie zal niet bepaald tegenstand ontmoeten, maar men zal twijfelen aan zijn effectiviteit Men zal meenen dat het een volmaakt onbereikbaar ideaal is, meer dan heel enkele lijders op deze wijze te genezen.

Maar dan wijs ik op de door Bernheim zoo helder uiteengezette leer der suggestie.

De suggestie, of liever de vatbaarheid voor suggestie, de suggestibiliteit bestaat uit twee elementen. De ontvankelijkheid voor vreemde impuls, en het ideoplastisch vermogen. Men moet deze twee wel onderscheiden, ze zijn duidelijk onafhankelijk.

Sommige patienten zijn uiterst gedwee en impressionabel, ze aanvaarden elk opgedwongen idee, en gelooven en vertrouwen u geheel. Maar de invloed der ideën op de physiologische functiën is zeer gering. Ze realiseeren de suggesties niet, de ziekteverschijnselen wijken moeielijk. Het ideo-plastisch vermogen is gering.

Terwijl anderen daarentegen zeer moeielijk een suggestie aanvaarden, ongeloovig en onhandelbaar zijn - en niettemin onder den invloed der psyche, ook door auto-suggestiën, physiologische en pathologische processen gemakkelijk ge wijzigd worden. Hier is de ontvankelijkheid gering, het ideo-plastisch vermogen groot.

Dit vermogen nu is de basis der Psycho-therapie. Het kan veel verder reiken dan men vroeger vermoedde, en dan nu nog de meeste physiologen weten. Het is voor mij buiten alle twijfel dat organische ziekten zooals tabes dorsalis, arthritis urica, chronische en acute neuritis en vele anderen verbeterd kunnen worden door zuiver psychischen invloed. De uitvoerige ziektegeschiedenissen door Liébeault, Bernheim, Bérillon, Lloyd Tuckey, Kingsbury, Wetterstrand en onze eigen ervaring laat daaromtrent geen twijfel toe. Reeds de enkele observatie van Delboeuf die een luetische oogaandoening door suggestie verbeterde is zoo nauwkeurig en zoo wel geconstateerd dat men ze beslissend kan noemen. De betering van den algemeenen toestand bij phthisis pulmonum door psychische oorzaken durf ik onder de geconstateerde feiten rekenen.

Wanneer men nu dit ideo-plastisch vermogen en zijne kracht erkent, en men erkent de wenschelijkheid der centralisatie der psychische functies, dan is het rationeel en volstrekt geen ijdel streven, om te trachten dit vermogen te brengen onder invloed van den bewusten wil.

Ik zeg niet dat dit nu reeds in alle gevallen moet kunnen geschieden. Meer dan eenig ander moet de psycho-therapeut zijn methode voor elk bizonder geval naar de omstandigheden. Maar de richting van zijn streven moet zijn dáárheen, in alle gevallen.

Zijn toeleg moet zijn, niet de suggestibiliteit, maar wel het ideoplastisch vermogen te vergrooten en dit te brengen onder invloed van den bewusten wil.

Het ideaal is dus: geringe ontvankelijkheid voor vreemde impuls, zoo groot mogelijke centralisatie, zoo groot mogelijk ideoplastisch vermogen.

Maar zeer zelden kan men dit in de praktijk bereiken. Naar mijn ervaring is het ideoplastisch vermogen het grootst bij onontwikkelden, kinderen en hystericae - bij wie juist ook de ontvankelijkheid, de suggestibiliteit, meestal groot is, of de centralisatie zeer gering. Terwijl bovendien een laag staand intellect, het slecht begrijpen van de bedoeling, een groote belemmering is.

 

Maar onbereikbaar is het niet - en altijd is mogelijk het streven daarheen. Terwijl het krachtigste middel ter bereiking moet gezocht worden in de oefening, de educatie, de training.

Men zal mij tegenwerpen: als gij uw patiënten in slaap maakt, en hen in slaap behandelt, hoe kunt ge dan spreken van een bewuste wils-inspanning?

Hierop wil ik ten eerste antwoorden met een ervaring die ik heb opgedaan, en die zich aansluit bij het boven gezegde.

Die ervaring is dat bij chronische gevallen de genezing het duurzaamst bleek wanneer de slaap zeer licht was geweest. Dat bij patiënten die gemakkelijk in diepen slaap waren gebracht, met amnesie en anaesthesie, het door de suggestie herstelde psychisch evenwicht gemakkelijker weder verstoord werd, dan bij anderen bij wie de genezing gelukte met een zeer lichten slaap, met behoud van herinnering en gewoon bewustzijn, die dus den vorm had van een halfslaap of sluimer.

Zoodat ik in vele gevallen het er op toeleg niet meer te weeg te brengen dan zulk een sluimer, eigenlijk niet meer dan een zeer passief ter-neer-liggen met gesloten oogen, een soort innerlijke concentratie, om de psychische inspanning (effort) in grootste kracht te doen werkzaam zijn.

 

In andere gevallen, bij melancholie, asomnie, en toestanden van onrust en gejaagdheid is daarentegen juist de slaap onze voornaamste toeleg, hoe dieper hoe beter. Maar dan tracht men ook weder door oefening en taktvolle leiding dat in-slaap-gaan te brengen onder invloed van den bewusten wil, zoodat het de patiënten gelukt te gaan slapen omdat zij het willen. Bij alle neurosen en psycho-neurosen is de regeling van den rust een hoofdzaak. En verwonderlijk is het ook hier te zien wat men met een geduldige en hardnekkige training gedaan krijgt. Nimmer heb ik in deze vijf jaren een echt slaapmiddel toegediend, en ik ben er toe gekomen hun aanwending in chronische ziekten zonder uitzondering onnoodig en schadelijk te achten.

En eindelijk krijgt men het bij zeer intelligente patiënten wel gedaan dat zij zichzelven voor het in slaap gaan suggereeren, en dat de bewuste wilsinspanning voor den slaap gedaan, in den slaap hare werking doet.

 

Natuurlijk moet men er op voorbereid zijn dat vele patiënten, wanneer zij weder langen tijd op zichzelven moeten staan, dit vermogen tot wilsinspanning verliezen. Het is een subtiel en gecompliceerd proces dat belemmerd wordt door tallooze oorzaken, door slecht begrip, psychische depressie, wantrouwen, invloed van anderen. Het spreekt van zelf dat dan de leidende suggestie van den medicus weer onontbeerlijk wordt, om geheel instorting te voorkomen. Maar daarvoor zijn zij lijders en is hij geneesheer. En kent eenige therapie resultaten die nimmer wederinstorting te duchten hebben? Er is geen tegenwerping zoo dwaas als deze, dat de Psycho-therapie niet volkomen geneest, niet blijvend geneest. Want wanneer geneest de intern-geneesheer dezelfde ziekten dan wel blijvend? Welk chemisch geneesmiddel voorkomt onfeilbaar alle rechutes?

Ik keer het verwijt om. Ik zeg dat een lijder aan chronisch lijden, die door chemische middelen genezen heet, niet volkomen genezen is, want niets waarborgt mij dat zijn weerstandsvermogen verhoogd is. Integendeel, het gebruik van medicijnen zal hem eerder verwend en verzwakt hebben. Alleen wanneer door oefening zijn wilskracht is verhoogd, dan kan men zeggen dat hij iets gewonnen heeft en dat zijn kans om weder ziek te worden geringer is dan te voren.

Maar nogmaals herinner ik er aan dat het dwaas en onvruchtbaar zou zijn, bij alle patienten, zonder onderscheid, uit enkel theorie dit systeem door te zetten. Voor sommigen is het volkomen onuitvoerbaar, vele patienten hebben, zooals ieder medicus weet, een krachtig autoritair optreden absoluut noodig. Maar het moet altijd zijn de richting van ons streven, het nimmer uit het oog verloren ideaal. Dan alleen is het mogelijk dat de Psycho-therapie stand houdt en zich uitbreidt. Ja, ik durf voorspellen dat zij dan ook een geheele omkeer zal teweeg brengen in de kunst van genezen en een groote, onverwachte zegen zal blijken te zijn.

 

Er wordt ons ook wel eens tegengeworpen dat dit alles nu eigenlijk niet nieuw is, dat er altijd psychische middelen zijn gebruikt, en altijd het nut der individueele wilskracht is begrepen.

Zeker, het idee is niet nieuw. Zelfs was het vroeger, voor 50 jaar en langer meer in eere dan later, getuige de geschriften van Hufeland, von Feuchtersleben, Johannes Müller en anderen.

Maar ik zal u zeggen wat nieuw is. De consequente methode is nieuw, en de overtuiging is nieuw.

Als wetenschap en als praktijk is het dus wel nieuw. Want eerst de methode maakt een idee tot wetenschap, en eerst de overtuiging dat het helpen kan, maakt een idee tot praktijk.

De groote meerderheid der geneeskundigen vindt het wellicht een mooi idee, maar gelooft volstrekt niet aan de praktische waarde. Eenvoudig omdat zij niet bekend zijn met de ontdekkingen der nieuwere psychologie.

 

Door gebrekkige kennis der psychologie, en beter vertrouwd zijn met de physiologie, chemie en electriciteitsleer, steunt de geneeskunde van onzen tijd voornamelijk op mechanische, chemische en electrische hulpmiddelen en durft volstrekt niet vertrouwen op het vermogen van psychische functies.

Dit is een groote tekortkoming, want in het organisme spelen deze een uiterst belangrijke rol. Door ze te verwaarloozen, hun wezen en kracht te miskennen, geraakt de geneeskunde noodzakelijk op een dwaalweg. Ze zal den mensch nooit grondig verstaan en hem nooit grondig kunnen helpen. Haar hulp zal altijd iets tijdelijks, iets voorloopigs en onvolledigs hebben.

Laat mij hier de opmerking tusschenvoegen, dat ik niet bedoel dat de geneeskunde te materialistisch is.

De natuurwetenschap is de kennis der samenhang van de uitwendige verschijnselen, de fenomenale wereld, zooals wij die door de zintuigen waarnemen, de verschijnselen in tijd en uitgebreidheid. Zooals de filosofie de kennis is der gedachte, der spiritueele wereld.

 

De natuurwetenschap moet dus altijd materialistisch zijn, want ze bestudeert de fenomenale dingen, die wij materie of kracht noemen.

Het domme, verwerpelijke materialisme bestaat daarin, dat men de natuurwetenschap superieur rekent aan de filosofie, de materieele, fernomenale wereld superieur aan de spiritueele wereld. Dit materialisme is een negatie van de gedachte, de dwaze waan dat materie reëeler is dan denking, dat verschijnselen reëeler zijn dan de ziel, dat het object stelliger bestaat dan het subject, dat het papier en de inkt van een boek iets belangrijkers is dan zijn geestelijke inhoud.

Maar vele menschen meenen dat men door het ontdekken van nieuwe krachten en onbekende verschijnselen nader komt aan de spiritueele wereld. Dat materie, als ze maar zeer verdund werd en met zeer vreemde eigenschappen begaafd, eindelijk wel geest zal worden.

Dit meen ik niet. Al is de telepathie, de clairvoyance en geheel deze vreemde en nieuwe wetenschap vastgesteld en gedefinieerd, het blijven niettemin fenomenale en materiale dingen. Filosofie en ethica, de wereld der gedachte, de echte spiritueele wereld, de wereld van gevoel, verbeelding, rede en zedelijk schoon heeft deze dingen niet noodig tot zijn erkenning en eerbiediging.

 

Wanneer ik dus spreek van psychische functies in tegenstelling met physische of physiologische, dan bedoel ik eenvoudig die groep van hoogere krachtvormen, wier wezen ons nog zeer onvolledig bekend is, en die speciaal eigen schijnt te zijn aan levende materie. Dat deze krachtvormen in nauwer verband staan met onze innerlijke waarneming of reflexie doet niets af aan hun fenomenaal karakter.

Het verwaarloozen, het miskennen van dit belangrijk deel van ons organisme schijnt mij de grootste principiëele fout der moderne geneeskunde. En ik acht de nieuwe leer der Psycho-therapie de eerste en krachtdadige correctie dezer fout.

De leer van het Vitalisme, van de levenskracht is door onze physiologen verlaten. Na Virchow's ontdekking, dat het lichaam was een combinatie van samenwerkende cellen, scheen het even dwaas van een levenskracht te spreken als van een veldslag-kracht of van een staats-kracht. De bewegingen van een veldslag, de samenhang van een staat berust eenvoudig op de samenwerking van veel onafhankelijke deelen.

Dit is zeer juist. Maar de fout die men beging was deze, dat men de eigenschappen der levende cel voor zuiver physische en chemische eigenschappen hield en dat men die speciale functies der levende cel, die ik psychische functies noem, en die levende van doode materie onderscheidt, niet kende of verwaarloosde.

Dat dergelijke functies bestaan, en eigen zijn aan elke levende cel, in meerder of minder mate, is een conclusie waartoe de ontdekkingen der nieuwere psychologie ons noodzakelijk brengen. Zonder het aannemen van onbekende, speciaal aan levende materie eigene krachten, durf ik het voor onmogelijk te verklaren, deze ontdekkingen in redelijk verband te brengen, ja zelfs de leer der suggestie, der ideo-plastie, en de studie van de somnambulistische toestanden schijnen mij zonder zulk een hypothese volkomen onbegrijpelijk.

De fout die men beging kan ik vergelijken met de fout van iemand die de staatsorganisme wilde verklaren zonder rekening te houden met het feit dat de leden van den staat lezen en schrijven kunnen.

Men behoeft niet te gelooven aan een levenskracht, evenmin als aan een staatskracht. Maar om de organisatie van den staat te begrijpen moet men de eigenschappen van de deelen kennen. En de samenhang van het menschelijk organisme, zooals wij het thans hebben leeren kennen, is onverklaarbaar zonder het aannemen van bizondere krachten der deelen die ik psychische krachten noem, en die een even groote rol spelen als het lees- en schrijfvermogen van de leden in de samenwerking eener staat.

De geneeskundige, die het organisme wil in stand houden en niet rekening houdt met de macht der psychische functies, maar alles wil bewerkstelligen door chemische, electrische en mechanische middelen - zal precies doen als iemand die een staat wil hervormen, zonder de macht te kennen van het geschreven woord, en dus meent dat het noodig is al zijn ideeën mondeling aan elk der leden mee te deelen.

En toch - het is altijd het grond-idee der geneeskunde gebleven, dat alle therapie moest bestaan in het ondersteunen der natunrlijke genezing, in het brengen onder gunstige voorwaarden. Men heeft altijd gesproken van een ‘vis medicatrix naturae’. Dit begrip, hoe vaag ook, bleek onmisbaar.

Nu is het woord natuur volkomen onbepaalbaar.

En die onloochenbare vis medicatrix, is niet een vis naturae maar wel degelijk een vis corporis. Het is tot nog toe volstrekt niet geheel doorgrondde vermogen van elk welsamenhangend organisme om schadelijke invloeden af te weren, en defecten te herstellen. Het herstel-vermogen, het weerstands-vermogen. 

 

En nu zou ik de moderne geneeskundigen wel willen vragen of zij op dit vermogen dan de bekende physiologische wet niet van toepassing achten, dat elke functie van een organisme verzwakt door inactiviteit?

En als zij dit wel doen, dan zou ik hen op hun geweten af willen vragen: wat zij dan wel gedaan hebben om dit allernuttigst vermogen voor achteruitgang te behoeden?

Vooral geldt dit voor de interne geneeskunde, en vooral voor de behandeling van chronische ziekten.

Zijn niet alle medicamenten er op berekend, niet om dit vermogen te versterken en in werking te brengen, maar om het te ondersteunen, te hulp te komen, en zooveel mogelijk te vervangen, als het kan overbodig te maken?

Is het niet glashelder dat men dit kostbare vermogen daardoor onvermijdelijk op den duur verzwakt?

Met enkele uitzondering berust het geheele systeem der chemische medicatie op beschermen, verwennen en stimuleeren.

Men verwent het organisme door alle schadelijke invloeden angstvallig te vermijden, en de normale weerstand zooveel mogelijk door abnormale middelen te hulp te komen.

 

Als men dien weerstand verhoogt, dan doet men het tijdelijk door abnormale stimulantia, door het invoeren van vreemde stoffen in het lichaam. Welke abnormale prikkeling, zooals de ervaring dagelijks leert, onvermijdelijk gevolgd wordt door een reactie, een inzinking, een achteruitgang der normale weerstandskracht.

Dat men dit doet bij acute ziekten, in tijdelijke momenten van dreigend gevaar, is redelijk en natuurlijk. Maar dat men het doet bij herhaling, bij voortduring, bij de chronische ziekten, moet noodwendig leiden tot verzwakking van het individu, tot achteruitgang van het geslacht.

Juist bij dergelijke ziekten doet zich dan ook het verschijnsel voor, dat herhaaldelijk kwakzalvers en onbevoegden het publiek tot zich weten te trekken en door een eenvoudig stelsel van harding, oefening en suggestie onder een of anderen vorm, genezingen bereiken waartoe de officieele geneeskunde niet in staat was.

 

Het gaat niet aan de genezingen der kwakzalvers en der eerlijke leeken, zooals pastor Kneipp, eenvoudig te negeeren. Terecht versmaadt de geneeskunde de suggestie in den vorm van ophef en reclame, maar zij moet erkennen dat dit psychische middelen zijn van groote kracht, waarvoor zij geen aequivalent bezit.

Dit aequivalent moet gevonden worden in de Psycho-therapie.

De geneeskunde mag niet kortzichtig zijn en zich niet tevreden stellen den lijder, door werking van abnormale stimulantia voor 't oogenblik te verbeteren. Haar toeleg moet zijn, zijn weerstandsvermogen, zijn vis medicatrix te vergrooten. En zoo zij stimuleert, moet de stimulans een normale en blijvende kunnen zijn.

 

Nu ken ik maar ééne wijze van stimuleeren, die men normaal en duurzaam kan noemen. Dat is het oefenen en versterken van de macht der psyche, en het centraliseeren daarvan in den bewusten wil.

Daarmee moet gepaard gaan het systeem der harding, dat niet anders is dan oefening van de weerstandskracht, door het gestadig leeren overwinnen van schadelijke invloeden in stijgende grootte.

Als men nagaat welk nieuw geneesmiddel der laatste eeuwen ongetwijfeld de meeste invloed heeft gehad en het geweldigst heeft gewerkt, dan komt men stellig tot de vaccinatie. En is het niet hoogst waarschijnlijk, dat men hier te doen heeft met een medicatie die het organisme door het invoeren van een zwak vergift leert de schadelijke werking er van te weerstaan en te overwinnen en het aldus sterker maakt. En zoekt men niet ook volgens dit principe het geneesmiddel tegen rabies en tuberculoze.

Terwijl als men daarmee vergelijkt de medicatie van malaria door chinine, waarbij waarschijnlijk niet anders plaats grijpt dan het tijdelijk door een abnormale prikkel stimuleeren van de weerstandskracht der bloedcellen, daar van een dooden der bacteriën wel geen sprake kan zijn, springt dan het enorme voordeel der eerste niet in 't oog?

 

Want geen chinine kan den malaria-lijder voor goed genezen en voor recitief behoeden, en de malaria heerscht even algemeen als ooit, terwijl de pokken-epidemiën verbazend zijn afgenomen.

Ik hoop nu dat niemand mij van de dwaasheid zal verdenken vaccinatie of chinine te willen vervangen door versterking van den wil. Zoo'n doordraver op theoriën ben ik niet.

Maar laat ik u toch opmerken, dat het toch niet zóó erg absurd is als 't velen lijken zal. In het werk van Hack Tuke wordt de mogelijkheid om epidemische ziekten door psychische middelen, door wilskracht te ontgaan, volstrekt niet als ridicuul verworpen. En het is mijn collega van Renterghem gelukt een sterke, manifeste aanval van febris intermittens door suggestie te coupeeren.

En men zal mij toch toegeven dat deze therapie, de zelf-genezing door den bewusten wil, een zeer wenschelijke zou zijn - en dat wanneer de verwezenlijking van dit ideaal ook maar een schijn van mogelijkheid vertoont, zij het ook in verre verten, dat het onze plicht is daarnaar zooveel het kan te streven.

 

Ik waag het niet uwe aandacht langer met mijn inzichten bezig te houden. Ik kan u niet meer geven dan korte, vluchtige aanduidingen - voorloopige suggesties.

Maar ik meen er op te mogen wijzen, dat ik deze theoriën reeds jaren, naar mijn beste vermogen in praktijk heb gebracht. En dat ik niettegenstaande te ongunstigste omstandigheden, de vooroordeelen van de leeken; de tegenwerking van medici, en de rechte verzameling van moeielijk en hopelooze gevallen, echte cruces medicorum, die tot mij kwamen als hun laatste toevlucht, toch mijn praktijk een voorspoedige en dankbare kan noemen.

En dat mijn ondervinding mij de overtuiging heeft gegeven, dat Psycho-therapie, in deze richting door meer en beter geesten verder gebracht, een groote vooruitgang zal blijken in de kunst van genezen.

 

 

 
 

 

ONS DUBBEL-IK.

 

 

De psychologie is op 't oogenblik in het interessantste tijdperk van haar ontwikkeling. Als in 't leven van een kind is iedere dag vol belangrijke nieuwigheden. Ieder stelt belang in haar, zooals ieder belang stelt in de geschiedenis van een jong volk. Physica, Chemie zijn al betrekkelijk oude, volwassen wetenschappen. Zij staan als groote boomen waarvan ieder ten naastenbij den vorm kent - wel groeien de duizende takken en bladeren aldoor in stilte voort, maar de groote vormen veranderen onmerkbaar en langzaam - en slechts vakmannen blijven belangstellen in hun groei. Maar de psychologie is een jonge plant, waarvan nog niemand recht weet hoe zij worden zal en waaraan iedere verandering een verrassing en een openbaring is. Men heeft, geloof ik, een tijd lang in de illusie geleefd dat als de exacte wetenschappen maar rustig voortgroeiden, men van zelf tot de psychologie zou komen. Men heeft gehoopt dat een en dezelfde stam, wortelend in mathesis, steunend op mechanica en zich vertakkend in physica, chemie en physiologie eindelijk ook wel bloemen van psychologie zou voortbrengen.

 

Men stelde zich deze wetenschappen voor als alleen onderscheiden door een meerderen of minderen graad van complicatie, en daar men steeds van het eenvoudige tot het meer ingewikkelde voortging, was er geen reden waarom men het onmogelijk zou achten, ons zieleleven, het toppunt van ingewikkeldheid, op deze manier te bereiken. Van de graviteits-wet uitgaande, zou men komen tot de chemische eigenschappen der anorganische stoffen, van de anorganische langs den weg van Diatomeeën en Amoeben tot de georganiseerde, van eiwit tot protoplasma, van protoplasma tot hersencellen, van hersencellen tot liefde, haat, poëzie en godsdienst. Psychologie was niets anders dan hersenphysiologie. Waarschijnlijk heeft deze illusie de ontwikkeling der psychologische wetenschap vertraagd. De bouwmeesters onzer menschenwijsheid, moesten het, met dit schema in 't hoofd, voorbarig achten nu reeds aan de psychologie te beginnen - het haperde nog overal - de fondamenten waren nog nauwelijks in orde - wie zou nu den weerhaan al op den toren plaatsen?

 

En steeds werden de chemische formulen ingewikkelder, de namen langer, de elementair-analysen menigvuldiger, de microscopische preparaten fraaier - als in rustelooze jacht naar het eene allerhoogste, ons zieleleven. En als men toch een enkele maal over psychologie spreken moest, dan geschiedde dat voorloopig zoo anatomisch en physiologisch mogelijk. Men spreekt van hersencentra, van zenuwbanen, van reflexen, van prikkels - men anticipeert op den tijd dat men vreugde en droefenis met behulp van een projectie-apparaat in de college-zaal zal kunnen demonstreeren, dat men een mensch onder 't microscoop kan zien denken. Dat het nog onberekenbaar lang zal duren eer men zoover is, - dat men zich nog in 't geheel niet kan voorstellen, hoe men zoover moet komen - dat doet er alles niet toe. De praktische moeielijkheid der zaak zal niemand als bezwaar aanvoeren. Men kon zich voor vijftig jaren ook niet voorstellen, hoe men moest komen tot hetgeen thans lang bereikt is. Maar het denkbeeld om door de physiologie tot psychologie te komen is een illusie, omdat het onbestaanbaar is. Het is geen accidenteele, maar een principieele onmogelijkheid. Men kon zich even goed ten doel stellen den zin van een geschrift te ontcijferen, door er een elementair-analyse van te maken, door de verhoudingen van de grootte en het aantal der letters te berekenen, door microscopisch de zwarte en witte papiervezels te onderzoeken. Al zet men dit eeuwen lang voort, met onbegrensde nauwkeurigheid, ik geloof niet dat men er komen zal. Het is raadzamer het boek te lezen. Deze vergelijking is juister en kan verder worden voortgezet dan men in 't eerst zou denken.

 

 Het witte papier met de zwarte figuren kan op twee wijzen gezien worden - en wel met of zonder kennis van de symbolische beteekenis der op bepaalde wijze aaneen gevoegde letters. Die kennis is nimmer te verkrijgen alleen door het bestudeeren van papier en letters. Zoo heeft ook het mechanisme van onze hersenen, van ons geheele lichaam een symbolische beteekenis. De geheele toestel van spieren, beenderen, bloed en zenuwen, die wij zoo nauwkeurig onderzochten, is voor ons het zintuigelijk waarneembare symbool van den mensch, - zooals wij die op een geheel andere wijze hebben leeren kennen. De inrichting van een mensch is heel interessant - maar zou voor ons niet interessanter zijn dan die van een horloge of locomotief - als wij haar niet anders waarnamen dan door zien en tasten. Wij zouden er niet meer van begrijpen dan hetgeen iemand die niet lezen kan van een boek begrijpt. Maar wij kunnen lezen, wij kennen de symbolische beteekenis van ons lichaam. Op twee geheel verschillende wijzen nemen wij den mensch waar - door uitwendige, zintuigelijke - en door innerlijke gewaarwording.

 

Wat een mensch is, weten wij het best door ons zelven, door onze eigen bewustheid. En als wij een menschelijk lichaam onderzoeken, vinden wij daarin een voorstelling, een illustratie, een symbool van ons eigen ik. Wij kunnen aandachtig de hersenstructuur bestudeeren en zeggen: als wij denken, gebeurt er dit en dat, - maar wat denken is, weten wij beter door onszelven. Wij zouden precies kunnen weten wat er gebeurt als iemand pijn heeft, wat er verandert in zijn zenuw-elementen, - het anatomisch en physiologisch substraat van pijn kunnen vinden - maar iemand die zelf nooit pijn gehad heeft, zal daar nog niet voldoende uit leeren wat pijn is. Zoo zal men altijd blijven onderscheiden een psychologisch begrip 'pijn' en een physiologisch symbool daarvan: de veranderingen in de zenuwelementen. Het is dus duidelijk dat physiologie en psychologie nimmer in elkander kunnen overgaan, - omdat het ongelijksoortige dingen zijn. Psychische en physische waarnemingen vormen twee stroomen die altijd paralel blijven loopen. Hoe ingewikkeld de physiologie wordt, ze blijft altijd physiologie - en misschien van haar begin tot het einde wordt ze vergezeld van een psychisch correlatief. Men moet aannemen dat het éénzelfde ding is, dat wij aldus op twee wijzen gewaar worden. Wij zijn gedwongen b.v. denken voor identisch met bepaalde werkingen der hersencellen te houden.

 

Wij kunnen het nooit zeker weten, maar hun onveranderlijk samengaan brengt er ons toe. Het komt er echter op aan dit ééne ding zoo goed mogelijk te begrijpen. En het is nu een zeer algemeene dwaling, dat men psychische dingen beter kan begrijpen in hun physiologisch beeld dan als innerlijk bewuste gewaarwording. Als er werkelijk éen identieke oorzaak is voor pijn als zielstoestand en pijn als zenuwverandering, - dan komen wij zonder twijfel veel dichter bij dat ééne, door ons eigen bewustzijn dan door de fijnst mogelijke zintuigelijke waarneming. Zoo blijft een boek eenzelfde ding, of men het lezen kan of niet. Maar wie het leest, heeft er meer aan dan wie het chemisch onderzoekt. Daarom zijn de anatomische bijzonderheden over hersencentra en zenuwfunctiën waarmede psychologische studiën meestal vermengd worden, dikwijls volkomen overtollig en meer geschikt om de geleerdheid van den schrijver dan het betoog zelve duidelijk te maken. Slechts in de allereenvoudigste psychologische begrippen kunnen zij dienen als schema ter toelichting, - ongeveer zooals landkaartjes dienen bij een reisbeschrijving: omtrent den waren aard van het beschrevene leeren zij ons niets.

 

Even onafhankelijk als de metafysici kunnen de psychologen voortgaan met hun onderzoek van ons geestelijk bestaan, zonder dat zij behoeven te wachten totdat de onderzoekers der sensueele waarnemingen klaar zijn met hun microscopie, hun analysen en vivisectiën. De meerderheid der geleerden laat psychologie, zooals ik haar hier bedoel, nl. de studie van den psychischen kant van ons bestaan, voor een goed deel over aan filosofen en artisten. Zeker zijn er voor psychische studie meer artistieke en filosofische kwaliteiten noodig dan voor physische. Onder de grootste psychologen van onzen tijd behoort Spencer, die filosoof en Taine, die een uitstekend artist is. Maar niettemin behoort de psychologie tot de wetenschappen van algemeen en van praktisch belang, en is met name voor geneeskundigen onmisbaar. Maar men is in de physische wetenschappen altijd gewoon te experimenteeren, en het scheen dat men bij de psychische studie zich tot observeeren en combineeren moest bepalen. Dit is echter sinds lang anders bewezen. De proeven van Donders, Schiff, Wundt e.a. over den duur der psychische verrichtingen, die van de Society for psychical Research over telepathie, spiritisme en hypnotisme en die van de nieuwe fransche onderzoekers over de suggestie zijn allen niet minder exact en doeltreffend en vereischen niet minder vindingrijkheid en vernuft dan chemische en physische experimenten.

 

 Vooral met hypnose en suggestie is in den laatsten tijd zeer veel geexperimenteerd en deze experimenten zijn zoo vreemd en brengen zooveel verandering in onze voorstelling van het psychische leven, dat een groepeering der feiten moeilijk en een eenigzins volledig systeem vooreerst onbereikbaar schijnt. Mij daarom geheel onthoudende van theoretische beschouwingen wil ik nu slechts een enkele observatie mededeelen, naar mij voorkomt van groot belang. Deze observatie is gedaan door Bernheim en Liégeois te Nancy, en zal uitvoerig beschreven worden in een door Liégeois eerlang uit te geven werk. Ik zelf heb haar eenige malen herhaald en mij van haar juistheid overtuigd. De lezers van dit tijdschrift weten wat gesuggereerde hallucinatiën zijn. Men kan tot een gehypnotiseerde zeggen: 'bij 't ontwaken ziet ge dit of dat' - en hij zal de opgegeven voorwerpen of personen, - die alleen in zijn illusie bestaan, - zien, hooren en tasten. Hij zal het hem gesuggereerde beeld niet van een reëel ding kunnen onderscheiden, al is hij volkomen wakker, al neemt hij zijn omgeving overigens zeer goed waar, zelfs al weet hij dat een voorwerp dat hij ziet niet anders is dan een suggestie, een opgedrongen schijnbeeld.

 

Een intelligent, volkomen gezond persoon kreeg van Bernheim de suggestie dat zij bij 't ontwaken een roos in haar hand zou zien. Zij zag inderdaad de roos, toen zij wakker was en bleef die zien niettegenstaande Berheim haar verzekerde dat zij in 't geheel geen roos in de hand had en dat het een suggestie was die hij haar gedurende den slaap gegeven had. Zij beweerde de roos zoo volkomen duidelijk te zien, te voelen en te ruiken dat zij onmogelijk het onderscheid tusschen dit beeld en een echte roos zou kunnen bespeuren. Een inspanning van haar wil was niet in staat de hallucinatie te doen verdwijnen. Zij bleef geruimen tijd volkomen kalm en geheel wakker het verschijnsel observeeren, totdat een vernieuwde suggestie van Bernheim het beeld deed verbleeken en langzaam vervliegen. Nu kan men echter de suggestie ook anders om laten werken. Men kan maken dat iets reeëls niet gezien wordt. Men zegt dan: 'bij het ontwaken zal dit of dat voorwerp, er niet meer zijn, gij zult het niet zien, niet hooren, niet voelen' en voor den gehypnotiseerde zal na 't ontwaken het bedoelde voorwerp niet meer bestaan. Hoe men het hem voor oogen houdt, hij ziet het niet, hij bemerkt er niets van en de leegte die daardoor voor hem ontstaat, vult hij aan met behulp zijner fantaisie. Als b.v. een schilderij aan den wand op die wijze voor hem onzichtbaar is gemaakt, zal hij op de plaats waar het hangt, de figuren van het behangsel zien, in overeenstemming met het overige gedeelte van den wand. Een werkelijk achter het schilderij verborgen voorwerp ziet hij niet, als hij ten minste niet wist of begreep dat het er zou moeten zijn. Dit verschijnsel is door Bernheim 'negatieve hallucinatie' genoemd.

 

Evengoed als voorwerpen kan men menschen op die wijze onzichtbaar maken. Ik zeg tot den slapende: 'bij uw ontwaken ben ik niet meer in de kamer, gij zult niets van mij bespeuren, mij niet hooren, niet zien, niet voelen.' (Voor het welslagen der proef is het noodzakelijk met nadruk de drie wijzen van zintuigelijk waarnemen op te noemen). Ik kan dan als de gehypnotiseerde ontwaakt is, vlak voor hem gaan staan, in 't volle licht, en hij zal mij niet zien, - zijn blik ziet op volkomen natuurlijke wijze achter mij, zooals door de beste acteur niet opzettelijk nagebootst zou kunnen worden. Ik spreek tot hem, vraag hem waarom of hij doet alsof hij mij niet ziet, - en hij antwoordt niet, - zijn er andere personen in 't vertrek, dan spreekt hij tot hen, soms door mijn woorden heen en vraagt waar ik ben. Tot zoover zou iemand, die, sceptiesch gezind, deze proef bijwoont, nog kunnen aannemen dat het een schijnvertooning is, dat de persoon waarmede men experimenteert, uit goeden wil zich houdt alsof hij mij werkelijk niet zag. Maar ik kan veel verder gaan. Ik kan hem in den arm knijpen, met een speld prikken, zonder dat hij het minste teeken van pijn geeft.

 

Nauwelijks doet echter een ander der aanwezigen hetzelfde of de pijn wordt terstond geaccuseerd. Ik kan hem ammonia laten ruiken, met een veertje den neus kriebelen, zonder dat een enkele spier van 't gelaat vertrekt, verschijnselen die geheel buiten de macht van willekeurige simulatie vallen. En toch is hier simulatie in 't spel. Maar simulatie van een geheel andere soort dan die men gewoonlijk bedoelt en met bedrog gelijkstelt. De proef-persoon hoort, ziet en voelt mij inderdaad, zooals uit de volgende waarneming blijkt. Ik stel dat ik mij voor hem weggesuggereerd heb. Hij beweegt zich door 't vertrek en spreekt met anderen, schijnbaar volkomen onbewust van mijn aanwezigheid. Nu ga ik echter dicht bij hem staan en zeg op zachten toon, op denzelfden toon waarop ik in den slaap de suggestie heb gedaan: 'Ge hebt dorst, schenk u een glas water in', - na eenige oogenblikken weifelen ziet men hem het bevel volvoeren, kalm en natuurlijk, alsof het idee hem spontaan in 't hoofd was gekomen. Op de vraag van een der andere aanwezigen, waarom hij dit glas inschenkt, antwoord hij gewoon: 'Wel! natuurlijk omdat ik dorst heb.' Ik vervolg nu de suggestie op denzelfden toon, en zeg: 'Ik zal de kamer even verlaten, tot zoolang zult gij niets van mij bespeuren, maar zoodra ik weer binnenkom zult ge mij zien.' - Ik ga heen zonder dat het opengaan der deur door hem wordt opgemerkt, nauwelijks echter kom ik weer binnen of hij gaat op mij toe en vraagt mij eenigzins verbaasd, waar ik zoolang geweest ben en hoe het komt dat hij wakker is geworden in mijn afwezigheid. Dit is de bedoelde observatie in eenvoudigsten vorm. Men kan die op allerlei wijzen varieeren, - de uitkomst is steeds dat na een dergelijke suggestie, de persoon mijn aanwezigheid, mijn bestaan, alles wat van mij komt of met mij in betrekking staat op de meest absolute wijze negeert, met onderdrukking van zinnelijke gewaarwording in zoo volkomen mate, als dit nimmer door den bewusten wil kan geschieden.

 

En dat niettemin zulk een persoon met mij in relatie staat, mijn bevelen getrouw en precies opvolgt, met logisch overleg aan mijn verlangen voldoet, zonder dat zijn gewoon, wakend bewustzijn daarmede in 't minst gemoeid schijnt te zijn. Zonder dus iets verder in beschouwingen te gaan, dan waar de feiten ons onmiddellijk brengen, kan men zeggen dat er op deze wijze een splitsing in het menschelijk bewustzijn is tot stand gebracht. De persoon die op die wijze gesuggereerd is, ziet en ziet niet tegelijk, is hoerende doof, neemt waar en weet niet dat hij waarneemt. Zijn gewone ikheid, de ikheid die leeft van dag tot dag, de ikheid die men gewoon is als het eenige bewustzijn te vertrouwen, bemerkt niets van een gedeelte der omringende dingen, een andere ikheid die wij nog weinig kennen, die machtiger is dan de eerste, die pijn en reflexbewegingen kan onderdrukken, die redeneeren en gehoorzamen kan, die andere neemt waar scherp en getrouw, houdt wacht bij de zintuigen en laat alleen die indrukken door tot het gewone bewustzijn die hij weet dat volgens het consigne doorgelaten mogen worden. Het zal ieder die met den hypnotischen toestand bekend is, terstond duidelijk zijn dat deze tweede ikheid dezelfde is die gedurende de hypnose en ook gedurende den gewonen slaap waarneemt, antwoordt en bevelen gehoorzaamt.

 

In mijn vorig opstel over hypnose en suggestie 1) heb ik, de meeste fransche schrijvers navolgend, gesproken van 'het onbewuste.' Deze term is onjuist, een persoonlijkheid die met overleg handelt, die logisch antwoordt, die zich alles herinnert wat er is voorgevallen, zoowel wakend als slapend, dus meer nog dan de gewone wakende persoonlijkheid, kan niet onbewust genoemd worden. Men moet het een tweede persoonlijkheid noemen, een dubbel-ik. Uit de vroeger beschreven hypnotische waarnemingen waren enkele eigenschappen van dit dubbel-ik reeds bekend. Men wist dat het altijd, ook in diepen slaap, bleef observeeren, en wel zeer scherp, dat het een veel grooter macht had over de organische verrichtingen, dat het de uitgebreidste herinnering bevat, ook van het wakende leven. Uit dit laatste kon men reeds afleiden, dat het dubbel-ik niet een speciaal bewustzijn van den slaap was, maar ook actief was gedurende het waken. Dit is nu door de hier vermelde observatie bewezen. Bij den persoon die, volkomen wakker, niet weet dat hij mij hoort, en toch mijn gesproken bevelen terstond opvolgt, ziet men de beide ikheden duidelijk gescheiden, gelijktijdig nevens elkander bestaan, het wakend ik en het dubbel ik.

 

1) Zie de Februari-aflevering van dit tijdschrift, 1888.

 

De splitsing, hier teweeggebracht, is kunstmatig, maar men stelle zich niet voor dat zij alleen bij abnornale menschen mogelijk is. Zij is mij gelukt bij lichamelijk en geestelijk normale menschen - en men mag aannemen, dat de eigenschap die haar mogelijk maakt, de suggestibiliteit, een algemeene eigenschap is, gewoonlijk het grootst in de jeugd. Hieruit volgt de waarschijnlijkheid, dat bij elken normalen mensch de personaliteit niet enkelvoudig, maar een complex is van twee hoofdgroepen, waarvan de tweede, het bedoelde dubbel-ik, waarschijnlijk de grootste, nog maar zeer onvolledig is bekend. De beteekenis van dit dubbel-ik in ons zieleleven moet zeer uitgebreid zijn. Het is zonder twijfel de bewaarder van al onze herinneringen, ook van de post-hypnotische suggesties die het na dagen, na maanden nog plotseling aan het andere ik opdringt, de schepper van droomen en hallucinatiën, datgene wat ons uit den diepsten slaap wekt door een bekend geluid of juist op den tijd, waarop men zich bij 't inslapen voornam te ontwaken, - en groot moet ook de rol zijn die het bij sommige vormen van waanzin speelt. Het eerste wat thans onderzocht kan worden, is de wijze waarop de beide bewustzijns-toestanden met elkander samenhangen, en hoe zij op elkander werken. Daarover hoop ik weldra eenige onderzoekingen te publiceeren. Het spreekt van zelve dat proeven als de bovenvermelde met groote voorzichtigheid en slechts bij uitzondering behooren verricht te worden. Elke suggestie die niet rechtsstreeks gunstig is, die niet meegaat men den natuurlijken gang van het organisme is strikt genomen schadelijk. Evenwel wanneer men ze een enkele maal, met medeweten en instemming van intelligente proefpersonen doet, en ze later door gepaste tegensuggestiën weder neutraliseert, dan zijn ongunstige gevolgen niet te vreezen. En stellig is hun wetenschappelijke waarde eminent genoeg om ze zelfs voor den meest scrupuleuzen filantroop te wettigen.

 

25 Sept '88.

 
 

Nog iets over Dr. Liébeault.

 

Tijdens het afdrukken van het artikel van Dr. van Renterghem, ontving ik de eerste aflevering van het tweede tijdschrift, dat zich uitsluitend met het hypnotisme bezighoudt, de ‘Revue des Sciences Hypnotiques’. Daarin komt over Liébeault en Dr. Aug. Voisin het volgende voor:

 

M. le Dr. Aug. Voisin est peut-être de tous les médicins de nos hôpitaux celui qui, négligeant le plus complètement le point de vue spéculatif et le coté anecdotique et curieux de l'hypnotisme en a étudie avec le plus de soin les ressources thérapeutiques. C'est donc lui qui nous fournira tout d'abord quelques unes des applications les plus remarquables de l'hypnotisme. La haute situation qu'il occupe à la Salpetrière et la rigueur scientifique de ces observations leur donnent, d'ailleurs, une valeur exceptionelle. Sa modestie n'est pas moins grande que sa science, et la communication que nous reproduisons aujourd'hui a encore cet avantage de certifier spontanément l'antériorité des observations de M. le docteur Liébeault, alors que tant d'autres ont puisé a pleines mains, sans même le nommer, dans la multitude des faits cliniques que cet illustre praticien avait provoqués ou observés vingt ans avant que l'école de la Salpêtrière ne s'en occupât.’

 

Wanneer iemand die men twintig jaar lang voor half wijs, voor ‘toqué’ heeft gehouden, nu op eenmaal met den titel ‘illustre praticien’ wordt begroet, dan is er wel iets bijzonders gebeurd. Dan heeft de waarheid weer een van haar dienaren een triomf gegund. Men moet dankbaar zijn dat die man nog leeft. Het had kunnen gebeuren dat medelijdende verwanten den armen gek Liébeault met een zucht van verlichting ten grave droegen, - om eerst een langen tijd later te bemerken dat zij een profeet in hun midden hadden gehad.

 

Alle medici passen de suggestie toe. Het ‘vertrouwen’ dat de halve genezing is, broodkruimpillen, drankjes met suikerwater, - de menigte obsolete drogerijen, die nog onder het motto ‘ut aliquid detur’ door honderden worden gebruikt, - de werking van al deze dingen berust op suggestie. De electrische behandeling is voor een goed deel suggestie, - de handelwijze van homeopathen, magnetiseurs en wonderdokters, - in alles zit één zelfde werkzaam bestanddeel: - suggestie. Suggestie is het werkzame alkaloid dat uit deze simplicia kan getrokken worden. Liébeault heeft het er uit afgezonderd en op energieke en welberekende wijze toegediend.

 

De wijze waarop men tot nu toe suggereerde met mica panis, schoon water enz., is zeer onbeholpen en omslachtig. Het gaat langs allerlei omwegen en mist zeer vaak het doel. Men moest noodzakelijk de patienten bedriegen. Dit behoeft nu niet. Men kan een ontwikkeld patient wakend gerust zeggen dat men slechts op zijn verbeelding zal werken - in diepe hypnose zal de suggestie niet minder heilzaam zijn. Daarom is Liébeault's behandeling ook eerlijker dan de broodpillen-methode.

 

Men kan het voorstellen alsof de medici tot nog toe suggereerden als een musicus die een piano wil bespelen uit de verte, door met allerlei voorwerpen naar de toetsen te gooien, - terwijl Liébeault op het denkbeeld kwam te zeggen: ‘als wij eens naar het instrument toegingen, heeren, en er met de handen op speelden, zou dat niet beter gaan?’

 

Inderdaad is het beter gegaan. En het zal den medicus die tevens bekwaam hypnotiseur is, nimmer overkomen dat hij, zooals nu vaak gebeurt, zijn ongeneeselijk verklaarde patienten geheel hersteld van kwakzalver of wonderdokter thuis krijgt - met de boodschap dat die geleerde heeren er toch ook niet alles van weten, en dat de dokter bij den kwakzalver wel eens een lesje mocht komen nemen.

 

Ik vermoed wel, dat vele der thans practiseerende geneesheeren Liébeault tot hun einde toe als een kwakzalver zullen beschouwen. Want al klemmen de feiten, er zijn altijd genoeg hoofden die ook door feiten als ijzeren tangen niet worden omgedraaid.

 

Inderdaad heeft men bij het aanschouwen en nog meer bij het veroorzaken van hypnotische genezingen een gevoel alsof de wetenschap ten ondersteboven moet. Het begrip: idéoplastie - waarmee men den invloed van een psychischen toestand op het physieke lichaam bedoelt, - het feit dat men organische functies, bloedsomloop, klierafscheiding, door een energiek gesproken woord kan beheerschen - dit alles is zoo extra-bizar, zoo geheel buiten onze gewone wijze van denken - dat de physiologie zich hals over kop moet haasten om de reeds twintig jaren oude ontdekkingen van den ‘illustre praticien’ te achterhalen.

 

Dit laat ‘le bon père Liébeault’ rustig aan zijn Parijsche mededingers over. Hij kan tevreden zijn met zijn werk. Niet alleen omdat hij honderden reeds geholpen heeft - maar omdat door zijn toewijding het hypnotisme, - hoe gevaarlijk ook in handen van onkundigen, - met kennis en bekwaamheid toegepast, een zegen voor duizenden kan worden.

 

 

 

Bussum, 28 Juli 1887

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:23