Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Vrouwen in het leven van Frederik van Eeden

 
Hier laat ik u kennis maken met een aantal vrouwen die belangrijk waren in het leven van Frederik van Eeden. Dit doe ik met een foto en een klein stukje tekst over de band die betreffende peroon had met Frederik
 

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - U - V - W - Y - Z

Alfabetisch op voornaam

 
 

A

 

Annie Bosch
geboren 1895

 

In oktober 1917, kwam van Eeden, samen met zijn vriend de architect Jaap London terecht bij het medium Annie Bosch, een meisje met literaire aspiraties, dat hem in contact bracht met Multatuli, Hugo en Zola. De geest van Zola gaf London het 'Waereldmandaat' om een 'waereldhuis' te bouwen, een project waar hij met Van Eeden samen tijdenlang aan heeft gewerkt. De seances, waar Van Eeden en zijn vrouw dermate aan verslaafd raakten dat ze er fysiek en psychisch bijna aan onderdoor gingen, hadden veel weg van kerkdiensten en bleken er uiteindelijk op gericht om het echtpaar tot het katholicisme te bekeren. Annie Bosch, het medium, had er volgens Fontijn[1] behoorlijk de wind onder als spreekbuis van een paar overleden literaire grootheden uit de negentiende eeuw. Victor Hugo liet weten dat ze met het plan voor een 'wereldstad' naar de paus moesten gaan. Aan Van Eedens vrouw werd in maart 1919 meegedeeld dat ze haar kinderen geen dag langer de genade van het doopsel mocht onthouden.
Bron

 

Het medium Annie Bosch kreeg gaandeweg een grote invloed op hem. Zij moet een zeer intelligente vrouw zijn geweest. Fontijn: 'Eigenlijk is het hele ontwerp van de nieuwe wereldhoofdstad, de Lichtstad, haar ontwerp.' Zij dicteerde Van Eeden en de architect Jaap London 'uit de mond van Michelangelo' wat zij moesten doen. En ze begreep kennelijk feilloos wat Van Eeden wilde horen.

Annie Bosch was bovendien katholiek. Zij heeft een cruciale rol gespeeld bij Van Eedens bekering tot het katholicisme, een van die typische omslagen in zijn leven. Zij bestookte Van Eeden met hints en opdrachten ('laat je kinderen dopen') vanuit het hiernamaals, die hem langzaam maar zeker in de armen van de katholieke kerk dreven. Hij, de christus en profeet, had op een gegeven moment zelf een kerk nodig. Fontijn: 'Ik denk dat de dood van zijn zoon Paul en de verwarring die uit dat spiritisme volgt, de doorslag hebben gegeven. En natuurlijk is ook de Eerste Wereldoorlog een ongelooflijke ontluistering geweest voor zijn utopistisch mensbeeld. Deze combinatie van factoren heeft zijn persoonlijkheid gedesintegreerd. En er wàs al zo weinig stabiliteit.

Bron

 

 

Dagboek : 1917 – 16 oktober
Ik wandelde gister nacht oover de duistere hei naar Hilversum en bezocht den architect London, om kennis te maken met een medium, Annie Bosch. Ik kreeg van hun kring een zeer gunstigen indruk. Ze vormen den kring met hun drieën. London is de leider hier en Emilie Zola aan gene zijde. Ook Douwes Dekker kwam nu en dan. Ik zei dat ik al van 't vooren kon zeggen wat hij had meedegedeeld. Ik was er zeeker van dat hij bekeerd was en nu vroom, en vol godsvertrouwen. En zoo was het ook. Hij had een ‘Gebed van een Weetende’ geschreeven, dat een teegenhanger zou zijn van het gebed van een onweetende, en dat was werkelijk zeer diep en mooi.
Er waren allerlei punten van oovereenstemming met onzen kring. Het was ook begonnen met allerlei dwaasheid en frivoliteit maar door de leiding van London was het alles nu ernstig geworden en kwamen er geen frivole interrupties meer.



[1] Biograaf

 

B

 

 Betsy - E.M. van Hoogstraten-van Hoytema
(1849 – 1939)


Elisabeth ( Betsy – Ellen ) ‘Ellen’ was van 1889 tot 1899 Frederik van Eedens inspirerende geliefde; hij schreef voor en over haar: Ellen, Lioba en grote stukken van De Koele Meren. Zij gaf in 1907 Fragmenten van de briefwisseling met FvE uit en vernietigde de rest.
‘Ellen’ was aanvankelijk een patiënte van Fr. van Eeden. Hun verhouding was platonisch en problematisch.

Dagboek – 1889 – 4 september
Toen heeft zij alles willen eindigen, niet willen komen, - alleen de brieven kon ze niet meer missen. Maar dat wilde ik niet. Waartoe dat wegblijven? Ik hield dat voor haar ziekelijke neiging tot vernietigen van 't eenigst geluk dat ze had, voor zucht tot lijden, tot zelfkwellen, tot verloochenen, zooals vrouwen die hebben kunnen. En ik zei: kom! kom toch zoo vaak je kunt. ▫ En ik hield haar voor: Laat onze zinnen buiten spel. Wij zijn sensueele menschen, beiden. Laat dat er buiten. Dat zou alles bederven. ▫ Ik dacht: zij heeft groot gevaar geloopen, bij mij is ze veilig. ▫ Ik heb tot haar gezegd: Er zijn twee dingen die God ons oplegt: zelfvolmaking en menschvolmaking. Onze liefde moet zelfvolmaking zijn. Wij hebben beiden lieve kinderen, en zijn zelf geen kinderen meer.

Toen vroeg zij op een avond: Is dat waar? Men heeft mij gezegd dat een man niet werkelijk lief kon hebben zonder begeeren? Is dat zoo? ▫ Ik heb gelachen en gezegd: Wat weten die mannen van liefde. ▫ En voor mijn oogen had ik mijn jonge tijd toen ik ongelukkig werd door zulk een liefde. Maar ik wist het toen en had het gewild. Nu wist ik weer en wilde het weer. Maar ik dacht: wij zijn beiden niet jong meer, - dat is heel anders. ▫ En in mij voelde ik de oude, beproefde liefde voor mijn vrouw vast en onwankelbaar. ▫ In haar was groote trots. Zij bukte soms uit liefde - haar oogen smeekten om een teer woord, haar lippen om een kus. ▫ Maar als zij dit bespeurde door mij, als ik dat afweerde, ook als zij vreesde dat ik het zou afweren, dan werd zij fier als een god en bitter gekrenkt.

Ik schreef eens: Tracht gelukkig te zijn met de liefde die ik geven kan en begeer niet meer. ▫ Zij verstond: heb niet langer begeerte naar mij - en zij was als vertrapt en verpletterd. Zij voelde alsof ik haar diep verachtte, en geheel miskende.

 
 
 

E

 

Eleonora Duse
Oktober 3, 1858 – April 21, 1924

Eleonora Duse (Oktober 3, 1858–April 21, 1924) was een Italiaanse actrice, vaak alleen maar gekend als Duse. Van Eeden schreef voor haar: Eponina ( niet gedrukt)

Dagboek:

1912 – 18 juni Venetië. ▫ De oovergang kon letterlijk niet grooter, niet scherper, niet opzettelijker zijn. Het is alsof mijn leiders het nu eindelijk niet meer noodig vinden hun bedoelingen te maskeeren, maar nu reegelrecht de zaken naar hun bedoeling in orde brengen. Uit de zwartste somberheid word ik plotseling, op de meest opvallende wijze hier in deze zonnige sprookjesstad verplaatst, in het gezelschap van de vrouw die meer dan iemand op de waereld aan mijn plannen en mijn missie verwant is - Eleonora Duse. 't Is of mij gezegd wordt, nu zullen we je eens duidelijk aan je taak herinneren. Op de meest onwaarschijnlijke manier komt deze episode uit de lucht vallen. De vreemde telegrammen, mijn antwoord dat ik alleen koomen kan als men mij geld stuurt. Mijn spijt dat ik niet toeschietelijker antwoordde. Mijn wantrouwen in de heele zaak. Toen de plotselinge zending van 400 francs, nu moest ik wel gaan! ▫ Toen nog steeds mijn ongeloof en wantrouwen. Ik verwachtte er niets van, een gevaarlijke krankzinnige, of een doodelijk zieke.

En toen gister avond de gondel die mij opwachtte aan 't station en de sprookjesachtige vaart door Venetië, middernacht, in de zwoele Juni-nacht, en het romantische verhaal van de verwikkeling der groote actrice waarin ik te hulp word geroepen - en dat volkoomen een kolfje naar mijn hand is, - een werk waar ik inderdaad precies voor bereekend ben, - geheel teegen al mijn sombere verwachtingen in.

Van morgen het bezoek aan de heerlijke bloementuin, met Duse, Cordula Poletti en Etha Fles. De ontmoeting met Duse was terstond een innige beroering, een elkaar volkoomen verstaan, een terugvinden van een oude bekende. We zagen de Carpaccio's - doch ik was door het zien van zooveel groot werk in andere landen wat verwend. Het Venetiaansch coloriet vind ik wat grof - en de psychologie wat hard.

En nu, na een lang gesprek met Duse, staat het ook vast voor me. Dit is de vrouw voor wie ik een stuk zal schrijven - ach! ach! geeve God dat het wordt zooals ik me denk!

En Mariatti zal het vertalen - en ze zal uit haar inactiviteit treeden en de waereld nog weer eens doen sidderen en weenen.

En te denken, dat ik jaren broed over dit stuk - en dat de naam Duse mij telkens voor den geest kwam als de eenige werkelijk nobele en groote actrice - en dat ik nu, bijna teegenstribbelend, voor haar word gebracht - en ik haar vind zoo goed als ik mij maar denken kon, en beeter. Vuurig, ernstig - verbitterd door de vulgariteit van de italiaansche theaterwaereld - moede van het leed dat de geniale, geweetenlooze d'Annunzio haar aandeed. Geen wonder nu mijn oude antipathie teegen dien man.

Hier nu nog van toeval spreeken, kan geen mensch meer invallen. Deeze wijzing niet te verstaan zou schaapachtig dom zijn.

 

Duse is een nobele imposante vrouw. Na Lady Welby de meest imposante vrouw die ik ken. Waardig in alles/ ook in kleeding. Eenvoudig en natuurlijk, geestig in haar spreeken, grenzenloos goedhartig en mild.

 
 
 

Ella Geldmacher
1882 – 1968

Correspondeerde me van Eeden sedert 1910 en was met hem bevriend sedert 1912. Zij vertaalde Pauls Ontwaken in 1916. Zij ontried hem heftig de overgang tot de R. K. Kerk. In 1926 bezocht Free haar nog in Homburg. Zij schreef ook voor hem in zijn Liber Amicorum, toen hij 70 werd.

Dagboek:  1911 zondag 22 oktober

In Wiesbaden wachtten mij de vurige blikken van Ella Geldmacher, de vrouw wier portret al twee jaar op mijn schoorsteen staat. Mijn eerste rede in Frankfurt had een diepe impressie gemaakt en nu zou ik haar zien. Het was geen teleurstelling, behalve het huis dat Duitsch en leelijk was. Zij is een impulsieve, histrionisch begaafde, liefhebbende vrouw, die sterk het nieuwe voelt. Ze deed me zeer denken, ook in uiterlijk, aan de arme mevrouw P. De man een kalme zakenman van een vrij gewoon Duitsch type, gladgeschoren gezicht met lorgnet. Hij drukt zich gemakkelijk uit, is vrij geestig en zeer muzikaal.

[…]

Mijn droomen waren in Frankfort zeer ongunstig. Ik vrees dat dit dezelfde beteekenis heeft als vroeger mijn ongunstige gewaarwordingen en droomen bij Else Otten, bij mevrouw P. en bij M.V.-namelijk dat Frau Ella Geldmacher in gevaarlijken toestand is, een prooi van demonen, een voorbeschikte voor waanzin.

 

G

 


Foto: Giza op de begrafenis van Frederik van Eeden.

Giza Ritschl
Gizella Suzanna Ritschl
Boedapest 1869 - Den Haag 1942

Giza kwam in 1896 als circusartieste naar Nederland.

Frederik van Eeden hielp haar bij de uitgave van heer eerste bundel 'Verzen' met gedichten die veel sporen vertoonden van haar Hongaarse afkomst en taal en literaire traditie. Zo zijn haar 112 gedichten in die eerste bundel heel kort:  

 

De maan hoog en licht.
De bomen van bladeren dicht.
Een vogel er in zingende,
Ik er onder van angst rillende.

Uit de bundel: Verzen (1901)

1906 16 november

Woensdag met Giza bij Carré met de van Haarlem's. Een prettige avond, en Giza is een flinke, karaktervolle vrouw. Ze zeide hoe gelukkig het leven van Variété-artisten eigenlijk is, ze zou er gaarne weer naar terug. Ik hoorde van het goedige echtpaar Van Haarlem ook veel interessants over het artisten leven. Mooie vlinder-dans van Ida Tuller. En ongeloofelijk kranige jongleurs met groote verzilverde flesschen, in avondtoilet.

Giza was boos op Verwey, en zeide naar hem toe te zullen gaan. Ze smeekte me niet uit de Beweging te gaan, ze vond mij de grootste onder mijn tijdgenooten en zonder mij kwam er niets van terecht. Ik zei: ‘dat moet je dan maar aan Verwey zeggen, ik kan het niet doen.’

‘Ja dat zal ik ook’ zei ze, ‘zeker!’

 

 

 

H

 

Op de foto:

To Frederik van Eeden, my beloved Poet
from Helen Woodruffe-Smith

Helen Smith

Van Eedens gastvrouw in Stamford (Conn.) tijdens zijn Amerikaanse reizen in 1909

1909 – 14 maart: Dit feest was al verleden jaar beraamd maar ik kwam niet toen, omdat ik meende dat de Witch of Stamford, Helen Smith, de millionairsdochter, ernstige teekenen van verliefdheid toonde. En nu liet ik mij overhalen om toch te komen, en Helen zorgde dat ik niet in twijfel kon blijven over haar gezindheid. Zooiets had mij in mijn jonge jaren moeten overkomen, wat een glorie. Het zachte, modeste Keesje van de Oudegracht, amant van een Amerikaansche millionaire. Het is vol doordringende humor. Maar het geval bezorgt mij geen moment onrust, en laat mij geheel kalm en in mijn wel-afgebakenden weg. Zij is een wonderlijke vrouw, wild en geestig, zorgeloos en goedhartig, maar eigenlijk geheel ongecultiveerd van geest, en ze heeft niets van het mooie, zuivere gemoedsleven, het innige en natuurlijke dat mij met mijn dierbare lieveling verbindt. Maar ik geloof dat ze 't vermoedt en daarom die grenzelooze vereering voor me voelt. Als een instinctief verlangen naar het diepere gemoedsleven.

 

17 maart: Ik ben beschaamd. Ik schaam mij over hetgeen ik de vorige dagen schreef. Het is een filister-achtige en kleine zienswijze die een nobele natuur niet durft vertrouwen. Helen Smith is een nobele natuur en ik heb haar onrecht gedaan. Het is alsof ik voortdurend door kleine, malicieuze invloeden belemmerd werd om haar in zuiver licht te zien. De Ely's, de Cole's, al die vlekkelooze burgerlui die mij voor haar waarschuwden en - met succes - van haar weg trachten te houden. Hoe kinderachtig schijnt mij dat alles nu. Ik dank God dat ik de moed en oorspronkelijkheid gehad heb, mijn eigen weg te gaan.

 

3 november: Ik heb dan nu zekerheid dat Helen een diep gedepraveerd[1] wezen en een verfijnde leugenaarster is. Wat ik te weten kwam zijn feitelijk gruwelen van moreele depravatie. Ze gaat soms zóó ver dat ze als prostituée fungeert en het aldus verdiende geld bewaart. Om de sensatie te hebben. ▫ En toch beminnelijk, goedhartig, innemend. En steeds laat ze er nieuwe mannen inloopen en het curieuze is dat ze nooit ernstige moeielijkheden heeft maar al haar gewezen minnaars als vrienden behoudt. ▫ Het waren allen ci-devants, gewezen favoris die ik bij haar ontmoette. Mrs Janus heeft geen woord te veel gezegd, en ik ben even grondig bedot als zooveel anderen. Mijn artistiek instinct heeft haar in Circe juist geteekend, of eigenlijk nog veel te mooi en normaal. ▫



[1] Zedelijk bedorven

 
 
 

Hélène Swarth

Amsterdam, 25 oktober 1859 - Velp, 20 juni 1941

Hélène Swarth was een Nederlands dichteres die gerekend wordt tot de Tachtigers. Haar gedichten werden warm ontvangen door Willem Kloos die haar 'het zingende hart van Holland' noemde en haar gedichten publiceerde in zijn tijdschrift De Nieuwe Gids.
Swarth was tot op hoge leeftijd productief. Haar werk is enigszins ongelijk, maar in haar beste gedichten toont zij zich de evenknie van de andere vooraanstaande Tachtigers. Door haar zuiverheid van uitdrukking bereikte zij een opvallende eenheid van vorm en inhoud, terwijl anderzijds haar grote zintuiglijke ontvankelijkheid aan haar beste werk een kosmisch-religieuze inslag geeft.

1921 - 12 september: Dit woord treft mij, als had ik een nieuwe diepe waarheid gezegd. ▫ De toekomstige eeuwigheid zal bestaan in herdenken, eeuwig, vreedig, rustig herdenken. Het begrip ‘herkauwen’ is er niet zoo ver van af. Hélène Swarth gebruikte dat woord eens in een vers, en ik bespotte haar. ▫ Maar misschien bespot zij mij later. Als wij aan 't herkauwend leeven toe zijn. In dit leeven grazen we. ▫ Dan denk ik ook dat er veele nuances van herkauwen zijn, of liever: dat ieder alleen te herkauwen krijgt wat hij gegraasd heeft. ▫ Dit is de eeuwige Gerechtigheid. De dood-eenvoudige, door en door simpele empirie van onze wijsheid. Ik voel, zoo moet het zijn, het kan niet anders. ▫ Alle emoties, indrukken, reëele gevoelens en gedachten, die zijn door ons opgenoomen en moeten nu verwerkt en geassimileerd worden. ▫ Welligt worden we geholpen door hooger weezens, maar daarvan weeten we weinig. De fout der Kerk is te véél te verklaren. Wij kunnen niet weeten, wat we niet ondervonden hebben.

 
 
 

Henriëtte Ortt
1857 – 1934

Dochter van J.J. Ortt, Hoofdinspecteur Waterstaat – Zus van Felix Ortt, wijsgeer en veganist  – Jeugdliefde van Frederik van Eeden; Hij schreef voor haar: ‘Van de Passielooze Lelie’. Zij huwde in 1921 met Prof. I. M. J. Valeton. Contact met van Eeden is levenslang blijven bestaan.  

1878 - 16 september
Van morgen begon ik tegen Henri te vertellen dat ze hier zoo weinig begrip hadden van hetgeen een jongen als mij toekwam, van de eischen van het studentenleven enz, mama hoorde er zoo iets van en dacht, dat ik uit een soort van hulpeloosheid aan Henri mijn nood ging klagen. ▫ Nu was het mij totaal onmogelijk om haar aan 't verstand te brengen dat het volstrekt geen noodklacht was en dat ik gewoon over alles met Henri praatte; dat Henri alles weet wat ik weet en dat ik dan toch volstrekt niet het gevoel heb alsof ik iets aan ‘een vreemde’ heb oververteld. ▫
21 september
Henrietje! pietsioentje! lief lief kindje! ik zou niet weten waarom ik sip zou moeten kijken als ik je zie. Je was Donderdag wat raar, maar dat kon ik me zoo levendig begrijpen, mama kan soms zoo vervelend met iemand omspringen, dat ondervind ik zelf ook. Maar ik weet zeker dat ze het alleen doet uit overdreven liefde voor mij. Ik tracht haar honderdmaal aan 't verstand te brengen hoe verkeerd ze denkt en doet, maar het helpt niet. Ze denkt altijd en zegt het mij ook, dat jij me voor den gek houdt, dat je heel lief doet maar er niets van meent, dat je mij ongelukkig zult maken enz. enz. En als ik dan (natuurlijk) nijdig word en zeg dat ze er niet het minste begrip van heeft en dat niet alleen jou maar ook mij schandelijk beleedigt, dan haalt ze haar schouders op en zet een gezicht of ze zeggen wil: de arme stumper weet niet beter, hij is al heelemaal betooverd. ▫ Wat moet ik daar nu aan doen? ▫ Je moet er je maar niet aan storen, even als ik. Ze meent het misschien goed en daarom kan ik niet boos op haar blijven
26 december
Henri! mijn lieve, lieve Henri! wees toch niet zoo onbeteekenend als de rest. Je hebt meer verstand, je hebt meer behoefte aan hooger ontwikkeling, aan verheffing boven die alledaagsche sleur van kerkgaan, bijbellezen en het daarbij laten. Sta toch op je zelven, wees uit één stuk maar heb geen mengelmoes van gedachten die je door anderen zijn ingegeven. Weet wat je gelooft, duidelijk, helder. Schift en oordeel zelf, geloof niets wat je niet met eigen woorden kunt verdedigen en blijf niet hangen aan een onbestemd, droomerig gevoel dat misschien, even als een droom oogenblikkelijk genot geeft maar geen denkend mensch tot steun kan dienen. Wees krachtig, sta op je zelven.

1879 - 15 april
O Henri, Henri! ▫ Neen, ik kan niet meer zoo spreken, ik schrijf niet meer voor Henri, zij zal het wel nooit meer lezen. ▫ Moet het weg, weg uit mijn hoofd, uit mijn leven? Die zonneschijn, die warmte/ die liefde? ▫ Die lieve, lieve oogen, die vriendelijke stem - moet ik Henri verliezen? ▫ Die mij kracht geeft om goed te blijven, die mijn geloof versterkt in reinheid en braafheid, die mij oprecht doet zijn, mijn poëzie, mijn geluk, moet ik het zelf wegwerpen, vernietigen?
28 april
Ik zal maar wat schrijven, ik heb er behoefte aan. Ik hoop, dat ik er niet door zal veranderen/ dat ik mijzelven zal blijven beheerschen zooals ik nu doe. ▫ Toen ik het laatst schreef, dacht ik al dat ik ongelukkig was. Nu ik dit overlees bemerk ik dat ik heimelijk mij gelukkiger gevoelde dan te voren. Dat staat uitgedrukt in de woorden ‘Zij heeft mij krachtig lief.’ ▫ Dan kan men nog wat het hoofd bieden, met die overtuiging in 't hart. ▫ Maar als die overtuiging gebroken wordt door de kalme, koele verklaring/ ‘Neen, Frederik, ik geloof dat ik je dikwijls genoeg gezegd heb dat ik je nooit, nooit tot man zou willen hebben.’ als die woorden zoo stellig, zoo beslist worden uitgesproken, dan wordt de taak te zwaar, dan wordt het volhouden een dwaasheid. ▫ Ik heb niet dadelijk toegegeven. Ik heb in mijn wanhoop nog geworsteld, ‘ik wil, ik moet/ ik zal volhouden en overwinnen.’ Ik heb gewenscht dat het bij het oude zou blijven en ik vatte het voornemen op, haar meer en meer tot mij te trekken, als ik eenmaal knap en groot ben ... niet waar! als ik ... als ik ... ▫ Maar er werd nogmaals bevestigd, bezworen - Wensch niet dat ik uit medelijden minder stellig spreek. Al was je ouder dan ik, knap, gevestigd, religieus, ik zou je niet tot man willen hebben.’ ▫ Ik gevoelde bittere woorden bij mij opkomen. Voor 't eerst, voor 't eerst in mijn leven tegen haar, mijn heilige.

1922 10 november
Ik lunchte bij Henriette Valeton, wij wandelden door 't bosch van Apeldoorn. Ik moest weer veel denken aan de oude tijd. Ik was niet bitter meer. Maar zij was niet als ik - maar heel effentjes herkende ik mijn oude liefde in haar.
Hoe anders is 't nu!
Vannacht weemoedig. Tranen digtbij.

 

 
 
 

Henriëtte Roland Holst 
Henriette Goverdine Anna Roland Holst-van der Schalk (Noordwijk, 24 december 1869 – Amsterdam, 21 november 1952)

Zij was een Nederlands dichteres en socialiste. (Soms wordt haar naam gespeld als Henriëtte, maar haar geboorteakte spelt haar naam zonder trema en ook zelf gebruikte zij dat trema niet.) Haar roepnaam was Jet, en bij velen stond ze bekend als 'tante Jet'.  Haar neef is Adriaan Roland Holst (1888-1976), 'de Prins der Nederlandse dichters'

Rond 1890 maakt Henriette kennis met Albert Verwey (met Willem Kloos behoorde hij tot de voormannen van de Beweging van Tachtig (“Tachtigers”) en tot de oprichters van De Nieuwe Gids. In 1892 maakt ze kennis met de kunstschilder Jan Toorop. Ze draagt aan Toorop en Verwey haar eerste sonnetten op: aan Toorop onder andere “’k Ben nu geen vrouw; ik ben nu enkel dichter” en aan Verwey onder andere “Ik wil niet meer als vroeger tot U gaan”. In deze gedichten etaleert ze haar intense behoefte kunstenaar, meer precies: dichter(es) te worden.
Eén van de sonnetten aan Toorop wordt in 1892 gepubliceerd. In 1893 verschijnen zes van haar sonnetten in De Nieuwe Gids. Haar roem is onmiddellijk gevestigd. Kloos schrijft haar: "Laat mij maar dadelijk zeggen, dat u de grootste dichter is, die op ’t ogenblik leeft”.
Henriette maakt in diezelfde tijd voor het eerst kennis met het werk van Herman Gorter.
Op 28 juni 1892 komen haar vader en haar jongere zuster om het leven door een ongeluk. Kort daarna wordt ze ten huize van Albert Verwey voorgesteld aan de beeldend kunstenaar Richard Roland Holst (Rik). Rik kende ook Herman Gorter goed. Het duurt niet lang of ook Henriette maakt kennis met Gorter.
Gorter is in die tijd al een gevestigd dichter. Hij had in 1889 zijn Mei gepubliceerd. Hij raadt haar aan Plato, Dante en Spinoza te lezen.
In 1894 verschijnen van Henriette 25 sonnetten in het eerste nummer van het Tweemaandelijks Tijdschrift van Verwey. In 1896 verschijnt de bundel Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven. De vormgeving van de bundel is verzorgd door Rik.
Bron: Wikepedia
Lees meer bij DBNL

Van Eeden over haar in ‘Literaire Beschouwingen’
Het is niet te verwachten dat een dichter zal toegeeven dat het hem aan een der dichterlijke hoofdeigenschappen, aan brandende Liefde, ontbreekt. Wat hij als liefde in zich voelt lijkt hem sterk en machtig genoeg en wat daar, in anderen, booven uit gaat, moet hij wel hol, ijl en rhetorisch vinden.

Maar de luisterende meenigte, al laat ze zich dikwijls door schijnkracht en holle klanken misleiden, onderscheidt toch in 't eind altijd het geluid van echte liefdesontroering, en dan blijft ze dankbaar en trouw.

In de geestdrift en de verheevenheid van Henriette Roland Holst is een élement van vuurige liefde, dat bij Verwey niet te vinden is.

Zij vergeet zichzelf, uit meedegevoel voor de lijden­den, - het leed der waereld beschaduwt steeds haar geluk, zij gevoelt zich veel te innig aan de menschheid verbonden om vreede te vinden in het leeven van een letterkundige, zooals dat van Verwey.

Dat klinkt uit haar verzen, dat blijkt uit den opzet van al haar werk, ook al kent men niet haar leevens­daden. Zij heeft het heete bloed in zich van de groote dichterstrijders, Shelley, Schiller, Hugo -- wier kompas niet gerigt was op schoonheid van klank en zuiverheid van expressie - maar op éthische schoonheid, op het heil der meedemenschen, op een waardig en dichterlijk daden-leeven.

Dat ontdekt de meenigte eerder nog dan de literator en de kritikus. En Henriette Holst zal het ondervinden dat ons volk dankbaar is en trouw, door de eer die men aan haren naam zal bewijzen.

 

J

 

Julia Culp
(Groningen, 6 oktober 1880 - Amsterdam, 13 oktober 1970), de "Nederlandse nachtegaal", was in de jaren 1901-1919 een wereldberoemde mezzosopraan.

Julia Culp was een van de grootste zangeressen van Lieder (vooral Brahms, Wolf, Schumann en Schubert). Ze beschikte over een volmaakte ademtechniek en was beroemd om haar subtiele frasering en intelligente tekstinterpretatie, aldus de Encarta/Winkler Prins-encyclopedie

1906 - 20 december
's Avonds was ik bij Julia Culp. Royaards was er ook. Er werd veel wijn gedronken. Julia zong een paar mooie liederen, Brahms, Feldeinsamkeit. Dat roerde mij. ▫ Maar de avond, de conversatie-toon, de Duitsche grofheid van den man en zijn vriend, die min of meer schuine aardigheden en ongegeneerde manieren - alles stond mij tegen. ▫ En naar huis gaand, hoorde ik steeds mijn lieve vrouw zingen: ‘Liebster Herr Jesu’/ Aapjes zachte, dierbare stem. En die was mij zooveel dierbaarder dan Julia's prachtgeluid en bekwaamheid. ▫

1910 - 29 juli
Ik laat Julia Culp een kuur doen om haar voor de winter-campagne op te knappen. Zij bood mij aan in haar villa te Zehlendorf te logeeren als ik weer naar Berlijn ga.

10 oktober
Eergister kwam Merten* thuis. Het huis is nu vol, en ik hoorde veel zingen en sprak veel met Juul en Merten. ▫ Ik heb me verbaasd dat een vrouw eigenlijk zoo grof en onedel in haar karakter, zoo zonder gevoel voor het voorname en fiere, toch mij kon tot tranen roeren door haar zang. ▫ Juul is grof, sensueel, oppervlakkig-goedhartig, eerzuchtig, egoïst, roekeloos - en toch sleept ze duizenden mee en wordt geëerd en bewonderd. Door een krachtig geluid, een muziekale techniek, een goed geheugen, een dramatisch voordracht-vermogen. ▫ Arme Juul, het wordt een treurig leven, als ze ouder wordt. ▫ De sfeer hier is lang niet zuiver. Hoe gelukkig reken ik me, met mijn rein lief gezin, - mijn diep-eenvoudige en zuiver-voelende vrouw. Hoe zeldsaam vond ik zulke omgeving.
Eigenaardig is de overeenkomst van veel dingen uit mijn Paleis van Circe met wat ik hier weer zie. De vrouw, die niemand zou achten of verdragen, als ze arm, leelijk of talentloos was - nu geëerd, gevierd, bewonderd, met toewijding gediend, door mannen aangebeden, hetzij om een mooie stem, hetzij om geld of schoonheid, - terwijl al die vereerders en toegewijden eigenlijk veel hooger in karakter staan.

* Echtgenoot van J. Culp

 

 

L

 

1922 in atelier

Lizzy Ansingh
(1875-1959)

Schilderes, vooral van portretten en ‘poppenstukken’, een van de ‘Amsterdamse Juffers’, zij schilderde FvE in 1919.
Ansingh was een dochter van de apotheker Edzard Willem Ansingh en Clara Theresia Schwartze. Ze was de kleindochter van de kunstschilder Johann Georg Schwartze en het nichtje van de schilderes Thérèse Schwartze, van wie ze haar eerste tekenlessen kreeg. Ze woonde zestien jaar in huis bij deze tante, die haar aanmoedigde en haar in contact bracht met vele toenmalige schilders, onder andere Franse impressionisten en de Nederlandse kunstenaars George Hendrik Breitner, Piet Mondriaan en Simon Maris.

 

1919 – 3 juli Ik poseerde twee morgens voor Lizzy Ansingh. Zij is een geestige en oprechte vrouw en die uuren dat ik daar zit te soezen zijn niet onaangenaam.

23 juli Lizzy voltooide mijn portret en ik zag de demonische expressie in een oog. Ik zei ‘dat rechter oog is zacht, maar dat linker ziet er gevaarlijk uit.’ Toen zei Lizzy ‘'t is ook gevaarlijk!’ En toen had ik bij 't weggaan het gevoel van een moordenaar die zooeeven met volle recht ter dood veroordeeld is. Dat gevoel van een demon in je, dat is als een adder die woont in je ingewand. Ik wilde die sfeer ontvluchten, maar wat baat het, de demon gaat mee.

 

1920 – 2 juni  Ik was maandag bij Lizzy Ansingh, zij heeft een geestige conversatie

 

1921 – 11 mei Ik was in Amsterdam bij Lizzy Ansingh/ daar waren Jacqueline Royaards en Nelly Bodenheim. De atmosfeer was er niet gunstig. Ik kwam er opgewekt, maar ging somber heen.

Met Hans de Haan discussie oover haar ongeloof. ▫ Ik voel dan zóó verbaasd, oover zulk een gemoedstoestand als de hare, dat ik in 't geheel niet argumenteeren kan. ▫ Beiden, Lizzy en Hans de Haan, zijn onder ongunstige demonische invloeden.

 

M

 

 

 

 

 

Martha 1908

 

 

Martha van Vloten

geboren: 18 februari 1856 - overleden: 10 juni 1943

 

Op 15 april 1886 trad Frederik van Eeden in het huwelijk met Martha van Vloten, met wie hij twee zoons kreeg, Hans en Paul. Dit huwelijk werd ontbonden op 29 juli 1907.

Martha een van de dochters van Johannes van Vloten

Johannes van Vloten was gehuwd met Elisabeth van Gennep (1824 - 1906) en kreeg vier zonen en drie dochters. De drie dochters zouden later met bekende Nederlandse kunstenaars uit de kring van de “Tachtigers” trouwen.

Hij was een Nederlands wetenschapper, die zich onder andere bezig hield met taal- en letterkunde, (kunst- en literatuur-)geschiedenis, theologie en filosofie. Hij staat bekend als herontdekker van Spinoza's werk en vrijdenker in diens traditie, met een grote betrokkenheid bij allerlei maatschappelijke kwesties.

De Tachtigers, de Nederlandse literaire beweging, waar de kunstenaars Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verweij de laatste decennia  van de negentiende eeuw deel van uit maakten zijn bij velen bekend. Hun vrouwen, Martha, Betsy en Kitty van Vloten daarentegen veel minder. Kitty trouwde met dichter schrijver Verweij aan wie zij haar leven wijdde. Martha ging een bijzonder moeilijke relatie aan met Van Eeden, die uiteindelijk stuk liep op de vele buitenechtelijke uitstapjes die hij maakte en Betsy trouwde met de schilder Witsen, maar ook dat huwelijk hield geen stand. De drie talentvolle zussen bleven altijd in de schaduw van hun mannen staan ondanks hun vrije opvoeding door hun vader, Spinoza-kenner Johannes van Vloten.
Tussen Frederik en Martha bleef levenslang een duurzame, vriendschappelijke relatie bestaan. Hij werd zich later bewust van de pijn die hij Martha had aangedaan door deze scheiding, en drukte daarover vaak zijn spijt uit in zijn dagboeken.

Voor Martha van Vloten schreef A Roland Holst


Klein eeuwig oord waar in een kring van bomen
het water van de ziel werd waargenomen:
glanzende oase in deze woestenij,
waar wij, gedrevenen, konden bekomen.

In plaats van dagboekfragmenten van FVE, over Martha,  plaats ik hier de afscheidswoorden van haar zoon, Hans, bij haar teraardebestelling in 1943.  In die korte tekst wordt een duidelijk beeld geschetst van de moedige, liefhebbende en geliefde vrouw die Martha was.

 

 

TEN AFSCHEID. - 8 JUNI 1943.

 

Moedertje,

als je vroeger - en het lijkt nu wel erg lang geleden! - met je twee jongetjes door het toen nog kleine Bussum liep en dan ook wel eens langs den banketbakker kwam, kon het gebeuren dat er zich een paar schooiertjes verdrongen voor die smakelijke uitstalling en zich in gedachten te buiten gingen aan al dat heerlijks, dat daar, helaas onbereikbaar, geëtaleerd lag. Dan bedacht je je geen oogenblik, maar ging, mèt de schoffies, kordaat den winkel binnen en trakteerde ze op taartjes. Je eigen zoontjes vonden dat misschien wel een

beetje gênant -, wat de banketbakker zelf van het geval dacht, och, dat weet ik ook zoo precies niet, maar jij trok je daar in elk geval niets van aan. Er viel een beetje geluk te geven, dus dat gebeurde. En zie - zoo was je geheele, lange, dappere leven. Ieder, die tot je kwam trakteerde je op "taartjes": niemand liet je van je heengaan zonder hem blij en gelukkig gemaakt te hebben. Ieder kreeg wat van je mee, ieder had wat noodig, want bij jou vergeleken waren wij toch eigenlijk maar arme schooiers en jij was zoo rijk. zoo onmetelijk rijk. . . ..

Toen we je weg brachten en op mij de plicht rustte de trouwe vrienden, die opgekomen waren om je nog eens voor het laatst vaarwel te zeggen, te bedanken voor hun aanwezigheid en voor "de eer en de belangstelling aan de overledene bewezen" deed ik dat graag, omdat ik wist dat er hier geen sprake was van "beleefdheid" of van een "verplichting", maar omdat het de uiting was van een behoefte nog eenmaal te toonen, wàt je voor hen was geweest. En. ook uit hun naam, heb ik jou toen bedankt voor de belangstelling die jij in ons altijd had getoond en voor de eer die je ons had bewezen door ons toe te staan met jou te mogen verkeeren.

HANS.

 

Bron: Mededelingen IX - mei 1946 - Themanummer over Martha van Vloten

 

N

 

 

 

 

 

Neeltje in haar laatste levensjaar.

Neeltje van Eeden-van Warmelo
1833-1919

Moeder van Frederik van Eeden. Haar vader, Gerard van Warmelo, was dominee en zelf zoon van een dominee en een sociaal bewogen man, betrokken bij de armenzorg.
Haar moeder was de dochter van een Vlaardings predikant en haar lievelingsbroer, Nicolaas, was ook dominee.  
Zij was gehuwd met de botanicus Frederik Willem van Eeden en kreeg twee zoons: Johan (1857)  en Frederik (1860).
Heel vaak meldt van Eeden, in zijn jeugddagboeken, dat er onenigheid bestaat tussen zijn beide ouders. Soms lijkt hij aan de kant van zijn vader te staan – op zijn wandelingen met hem in de vrije natuur,  maar met zijn moeder blijkt hij een heel goede band te hebben, hij is haar oogappel. Zij is het ook die hem vaak bijspringt met geld om zijn plannen te verwezenlijken. Verschillen zijn er zeker op godsdienstig gebied.
Neeltje kwam uit een familie van predikanten en dominees, vader van Eeden verdiepte zich in atheïsme en materialistische filosofie en hij had een afkeer van de ‘lagere klasse’.  Frederik probeerde een schakel te zijn om deze tegenovergestelde ideeën van zijn ouders te verenigen.  Ik dien ze bijeen te houden”, schrijft hij in zijn dagboek.

 

 

1875 - Vrijdag, 26 Maart

 's Avonds thuis weer ongenoegen. Mama was niet heel wel en kreeg met ieder twist, met mij ook. De anderen trokken toen voor mij partij, wat al te erg en Mama meende het zoo goed. Altijd wordt er dan gepraat, van het kan niet langer zoo duren, daar moet wat gebeuren en dan begint Johan vreeselijk uit te varen, totdat Papa eindelijk berouw krijgt, hetgeen hij echter niet weten wil. Ik ben nog met ieder vriend en dien ze bijeen te houden.

 

1919 – 13 oktober

Heeden morgen is mijn lieve, dierbare moeder heengegaan, na zestig jaren voor mij gezorgd en met mij saamgeleefd te hebben. Gisteren herkende zij mij nog. Ook van morgen nog eeven. Zij glimlacht dan en drukte mijn hand. Om zes uur werd ik geroepen, daar het eind nabij was. En na een korte agonie ging zij kalm en vreedig oover. Nu is haar gelaat streng en vreede-vol, het gelaat van een rechtvaardige en door God beveiligde.

Ikzelf was niet rustig. Ik moest mij schamen, na zooveel goeds en een zoo lang innig samenleeven, moest ik dankbaar en gerust zijn. Maar de somberheid verdween niet vóór het einde bereikt was. Toen kwam Truida binnen en dat was een heerlijke verkwikking. Haar lief vertrouwd gezicht bij mijn angsten en onrust. ▫ Zij bracht ook den invloed van Paul mee en nu ben ik veel kalmer, na hartelijk uitgeschreid te hebben bij moeders lijk.

Ik heb veel voor haar gebeeden, en mijn jongetjes deeden het ook. Eeven vóór het laatste oogenblik zag ze mij nog aan. En ik moest denken: ‘hoe lang nog, eer je ook zoo ligt?’ en toen: ‘was het alreeds zoover.’ ▫ En nu: ‘het is alles goed!’

Heb ik niet steeds en gestadig gedaan wat ik kon om haar leeven gelukkig te maken? Heeft zij mij niet beloond met een onwankelbaar trouwe liefde? ▫ Dankbaarheid, innige dank sprak ik uit teegen haar. En moet ik ook niet dankbaar zijn dat het mij gelukken kon haar ouden dag zoo gelukkig, zoo vreedig en fleurig moogelijk te maken? ▫ Was het kleine huisje niet een plek waar ieder graag kwam, omdat moeder er was, altijd opgeruimd, altijd blijmoedig en dankbaar?

 

1923 – 6 juni

Het was geen gelukkig huwelijk - hoewel ze beiden groote kwaliteiten hadden. ▫ De fijnheid, weekheid en poëzie werd bij hem ooverschaduwd door de eerzucht en de stille koppigheid van mijn moeder. ▫ Dat bemerkte ik niet, zooals mijn broeder Johan het bemerkte. Eerst veel later begreep ik dat. Toen, na Vaders dood, werd mijn moeder zachter en geheel aan mij onderworpen. In mij werd haar liefde en haar eerzucht bevreedigd. Toen bleef ik haar afgod, tot aan haar dood. Maar mijn vader deed ik geen recht. Mijn broeder zag het en vandaar de spanning van vijandelijke karakters. Johan teegen mijn moeder, ik teegen vader.

8 juni

Als voortzetter van mijn Vaders geslacht en Weezen ben ik toch wel verder gekoomen. Ik begrijp hem nu zoo goed, ook in zijn liefde tot mijn moeder. Die was wel oprecht, maar toch wat zakelijk, wat droog. En zij heeft hem niet kunnen bevrijden. Hij gaf haar ook niet wat ze behoefde. Ze wilde meer, en ze vond eerst in mij wat ze onbewust wenschte. Maar ze miste een fijne cultuur, door het burgerlijke huishouden waarin ze opgroeide. En zoo vond ook mijn vader niet wat hij zocht. ▫ Het is alsof ik nu die beiden nog moet helpen. Ik zal voor hen bidden.

 

T

 

 

 

Truida met Hugo en Evert

 

Truida Everts
1873-1952

 

In 1899 kwam de zangeres Geertruida Everts als koloniste op Walden wonen. Zij en Van Eeden hadden sinds 1901 een verhouding, die voor vele vrienden en Waldenbewoners moeilijk verteerbaar was. In 1907 zou hij met haar trouwen. Zij kregen samen twee kinderen, Hugo en Evert.

 

 

Truida Everts, de oudste uit een gezin van vier kinderen, was zeventien jaar jonger dan Martha van Vloten. Toen zij zich op zesentwintigjarige leef­tijd, in 1899, op Walden aanmeldde, was zij wees. Haar moeder had zij ver­loren toen zij zes jaar oud was, haar vader, directeur van de Kasvereniging in Amsterdam, had zij in 1895 op drieëntwintigjarige leeftijd verloren.2 In de loop van 1900 liet Truida door de architect Willem Bauer op Walden een huisje bouwen en ging daar wonen. Door haar zwakke gezondheid en ten­ger postuur was ze niet geschikt voor het werk op Walden. Van Eeden had aanvankelijk alle moeite gedaan haar oom, die voogd was, ervan te overtui­gen dat Truida beter weg kon blijven. Ze was toch gekomen, meer om Van Eeden zelf dan om zijn idealen. Haar taken op Walden waren vooral huis­houdelijk van aard: het distribueren van benodigdheden onder de kolonis­ten en verder het assisteren van de wasvrouwen, een of twee keer per week. Het was haar allemaal tegengevallen en dat liet ze ook merken. In 1900 ver­dween ze een tijdje, nadat Van Eeden tegen haar was uitgevallen. Truida was gekwetst geweest. Op 29 oktober 1900 had Van Eeden haar vervolgens een brief geschreven waarin hij ondanks de aanhef 'Lieve Truida' gepro­beerd had om hard tegen haar te zijn. Truida was echter teruggekomen op Walden. Helemaal op haar gemak voelde ze zich daar niet. De eerstko­mende jaren zouden er herhaaldelijk kleine wrijvingen zijn tussen haar en andere kolonisten, die natuurlijk de grootste moeite hadden met haar voor­keurspositie.

Vanaf het eerste moment dat hun liefde een feit was, speelde Van Eeden met de gedachte bij Truida te gaan inwonen, zodra zijn kinderen, die nu in de puberteit waren, hun eigen weg zouden gaan. Tot die tijd moest hij zich bij de dubbelzinnige situatie neerleggen dat hij enerzijds naar buiten toe de rol speelde van de toegewijde echtgenoot en zorgzame vader en anderzijds heimelijk de vurige minnaar was van een jonge vrouw. Hij wilde graag blij­ven genieten van de omgang met de kinderen, van het huislijke leven, maar ook verlangde hij naar de intieme uurtjes met Truida, zijn lieve aapje, zoals hij haar bij voorkeur noemde. Hij, die zo oprecht wilde zijn door te luisteren naar de stem van zijn hart, was toch, of hij het wilde of niet, onoprecht.

Bron: Trots Verbrijzeld – Jan Fontijn – p 18

 

1901 – 11 maart

Dit is nu 't feit dat als Truida Everts morgen Walden verlaat voor Amerika ik met haar meega, en als Walden verkocht zou worden bleef ik met haar in haar huisje. Hoe weinig kent de mensch zichzelve. ▫ Mijn leven is een volkomen verschiet van geluk. Ik ga, zoolang ik leef, niet meer van haar weg, en het leven kan mij niets lievers geven dan haar bijzijn. Ik denk niet meer over reizen, omdat zij te zwak is voor reizen. ▫ Ik doe al het geforceerde, kunstmatige, onoprechte weg uit mijn wezen. Dit is mijn zedelijkheid, wat men ook onzedelijk moge noemen. Mijn ongeschreven wet.

 

1907 – 1 februari

Ik zal wel niet weer rustig worden voordat het wonder gebeurd is dat mij uit mijn benarden toestand redt. Ik heb mij, door mijn woord van zeven jaar geleden, verbonden, en ik voel mij ook verbonden, - maar deze verbintenis voel ik mij nu belemmeren, in de volvoering van mijn werk. Deze weifelingen, dat heen en weer gaan, is afschuwelijk en geheel tegen mijn natuur en neiging. Wat ik wil, weet ik zeer goed, en als dat wordt aangetast voel ik ook geen weifeling. Maar het evenwicht te vinden tusschen een Maatschappij, die zoo verbazend ver van mijn individueele gevoelens af staat, en mijzelven, dat is ontzachlijk moeielijk. ▫ Dachten, voelden alle menschen - en daaronder begrijp ik ook Truida en Martha - als ik, dan was er geen moeielijkheid. Dan zouden deze hartskwesties hoegenaamd geen levenskwesties worden, geen maatschappelijke kwesties. Ik zou ieder gunnen wat hem aangenaam was, en wat zijn hart verlangde. Zoolang 't niet ingreep in mijn levenskring. Maar ik moet hier uiterlijkheden handhaven, en men wil mij geheel of niet. De vrijheid zooals ik die in mijn hart voel en ken, die schijnt allen vreemd. Dat is mijn onheil

 

V

 

Victoria Lady Welby
1837–1912

Lady Victoria Welby   was een prominent Brits filosofe en taaltheoreticus. Zij is bekend geworden als grondlegger van de significa: een semiotische bestudering van taal en menselijke verstandhouding. Dit werk is in 1897 door Frederik van Eeden in Nederland geïntroduceerd.

Met haar bleef van Eeden tot haar dood in 1912 bevriend. Zij hadden onderhielden een drukke briefwisseling, ook over persoonlijke zaken. Op 1 april 1912 schrijft hij in zijn dagboek: “ Ik verlies bijna het liefste wat ik op de wereld had, mijn geestelijke moeder.”

1906 – 7 februari

Lady Welby en ik spraken over het Kwade. Haar denkbeeld is dat het kwade is als afstooting tegenover aantrekking. Het kwade moet terugstooten en als zoodanig is het goed. Voorstelling van het kwade dat al zijn best doet om af te stooten en toch gezocht wordt.

Lady W. sprak mij over ‘the Mother-sense’. Het voedster-gevoel voor ons nageslacht en ons ras. En de verwaarloozing van de krachten van de vrouw die altijd, vooral op ouder leeftijd, de voorlichtster is geweest (Sibylle). En ik verbond dat met mijn voornemen om een beeld te geven van een groote, sterke vrouw/ de echte menschen-moeder, in wie dat instinkt krachtig en levendig is.

23 februari

▫ Het afscheid was treffend. Lady W. ‘my English mother’ was bedroefd en kuste mij op het voorhoofd. Ik had een spannende tocht omdat ik maar een paar minuten had voor den trein. De reis volkomen rustig, de zee vlak.

1912 - maandag 1 april

Vrijdag, toen ik zoo diep ellendig was is Lady Welby gestorven. Zij stierf om twee uur. Daarna kwam ook bij mij weer de zielsrust en de troost. Zij heeft haar taak gedaan en is afgeroepen. Ik verlies bijna het liefste wat ik op de waereld had, mijn geestelijke moeder. De waereld verliest.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:20