Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

HET FREDERIK VAN EEDEN-GENOOTSCHAP

(goedgekeurd bij K. B. van 2 Mei 1935, no. 50) verenigt in de eerste plaats allen, wier geestesontwikkeling benvloed is door het veelzijdige levenswerk van Frederik van Eeden en die hieraan in­dachtig willen blijven; het tracht hen, tot hoe uiteenlopende gees­telijke sferen zij ook behoren, tot uitwisseling van gedachten en tot bewustzijn van het hen verbindende te brengen. - Het staat voorts in beginsel open voor ieder, die zich tot zijn doel en werkwijze aan­getrokken gevoelt. - Er worden tweemaal 's jaars bijeenkomsten gehouden, waarop in voordrachten de verschillende zijden van Van Eeden's wezen en werk worden belicht; een verzameling dier voor... drachten wordt met verdere publicaties aan de leden gezonden; het Frederik van Eeden-Museum in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam is gesticht en wordt beheerd door het Genootschap; voor een gedenkteken wordt door een Commissie uit het Genoot­schap geijverd. - De gewone contributie bedraagt f 5.-, welk be­drag op verlangen gereduceerd kan worden tot f 2.50 of f 1.-. Donateurs zijn zij, die jaarlijks f25.- of meer bijdragen. Men meldt zich als kandidaat-lid aan bij den secretaris: Kwartelstraat 4, Eindhoven.

 

Het bestuur: Jhr. Dr. Nico van Suchtelen, Mr. J. B. de la Faille, Dr. H. W. van Tricht (secretaris), Dr. P. J. Meertens, Dipl. Ing. Hans van Eeden, Waldie van Eck, Dr. Aug. Cuypers, Anton van Duin­kerken, Herman Heyenbrock.

 
 
 
 
 
Het Frederik van Eeden bestaat nog steeds. Hier vind je de Website.
Nieuwe leden zijn van harte welkom.
Verslag van een bijeenkomst in 2007: Lees HIER
 
 
 
 

Toespraak ter opening van de eerste bijeenkomst

gehouden op 11 November 1934 te 's-Gravenhage

door Dr. Nico van Suchtelen.

 

 

Dames en Heren.

 

Uw aanwezigheid hier ter plaatse bewijst dat u allen overtuigd zijt van de betekenis die Frederik van Eeden voor het culturele leven van ons volk gehad heeft en, al openbaart zich dat minder direct dan toen hij actief er aan deel nam, nog steeds heeft. Er zal verschil, groot verschil bestaan in uw wijze van waar­dering, bewondering, verering misschien voor deze zo merkwaardig veelzijdige en gecompliceerde persoonlijkheid; de een zal hem het meest liefhebben als dichter, de ander als dramaturg, weer een ander als essayist, een vierde als sociale hervormer, een vijfde als godzoeker, als wijsgerig of religieus denker. Maar allen zullen erkennen dat het begrip van zijn ganse persoonlijkheid niet van n enkel bijzonder standpunt of gezichtspunt uit valt te omvatten.

Men kent Van Eeden niet wanneer men met Ellen of Lioba heeft gedweept, maar verzuimd heeft een blik te slaan in zijn studies. De schrijver van De Broeders en nog minder van het Lied van Schijn en Wezen is niet zo dadelijk te herkennen in dien van Don Torribio. Kortom, het oeuvre van Van Eeden is zo verscheiden van vorm en inhoud, dat het inderdaad studie, of laat ik liever zeggen een zich liefdevol en geduldig verdiepen, vereist om er de ware betekenis van te doorgronden en er de samenvattende eenheid in weer te vinden. Zelfs diegenen die zijn zo talrijke letterkundige en wetenschappelijke geschriften min of meer grondig kennen, zullen bij de lezing van zijn Dagboeken, dunkt mij, nu en dan met verbazing hebben geconstateerd, dat de voorstelling die zij zich op grond van hun studie van hem hadden gevormd, onjuist, of althans onvolledig was. Ikzelf had in mijn jeugd, als jong student, het voorrecht op Walden een tijdlang in zijn onmiddellijke nabijheid te leven, in nauwe aanraking met al wat ook hm vervulde. Een persoonlijk contact dat voor mij, al besefte ik dat toen vaak niet ten volle, van onschatbare waarde is geweest. Dat mij behoedde voor blinde verering, maar gelukkig nog meer voor de verblinde verguizing die hem van vele kanten ten deel viel. Ik leerde hem kennen als groot kunstenaar, als altijd boeiend en stimulerend denker en bovenal als mens in de dagelijkse omgang, van wie men ondanks alles moest houden. Ik meende hem zo langzamerhand door en door te begrijpen. En toch liet de lezing van zijn Dagboeken in mij het weemoedige gevoel achter: deze eenzame onder eenzamen heeft mr geleden en wanhopiger geworsteld dan ik ooit heb vermoed.

Maar, dames en heren, het is niet mijn taak u hier de persoonlijkheid van Van Eeden te schilderen of zelfs maar te schetsen, uit te weiden over de veelal nog onbegrepen veelzijdigheid van zijn wezen, u een inzicht te geven in de levensgang van deze strijdbare en tegelijk zo licht verwondbare ziel en de innerlijke conflicten waarmee hij dientengevolge voortdurend had te kampen. Dit alles is de taak van ons Genootschap. Van Eeden goed te leren begrijpen, zijn beeld voor het nageslacht te bewaren in zijn waarachtige gedaante, zijn werkelijke betekenis vast te leggen door een wel toegewijde. maar toch tevens strengkritische studie; het daarvoor benodigde materiaal te verenigen in een speciaal archief of museum; in op gezette tijden te houden bijeenkomsten onderwerpen te bespreken die de gemeenschappelijke belangstelling der vrienden van zijn werk levendig houden; ziedaar wat ons Genootschap zich voorstelt te doen.

 

Men vergunne mij thans een beknopt overzicht te geven van wat sinds de oprichting in Mei van dit jaar ten opzichte van deze verschillende punten reeds tot stand gekomen is.

De oprichting van het Genootschap was het gevolg ener combinatie van twee initiatieven. Een groep van personen had het plan opgevat voor het stichten van een studievereniging en het vormen van een archief, terwijl een andere groep zich ten doel stelde het oprichten van een waardig gedenkteken. Deze beide groepen nu hebben zich ter vergadering van 26 Mei van dit jaar verenigd tot ons Genootschap. Het voorlopige bestuur richtte zich door middel van de pers en per circulaire tot het publiek, met het gevolg dat tot dusver toetraden 80 leden en 5 donateurs. Een resultaat, dat dunkt mij zeer bevredigend genoemd mag worden. Toch zal dit aantal nog belangrijk moeten stijgen, alvorens het Genootschap kan overgaan tot het uitvoeren van enigszins kostbare plannen, zoals bijvoorbeeld het publiceren van een periodiek, waarin onuitgegeven werk van Van Eeden, studies over zijn persoon enz. zouden kunnen verschijnen. Ik hoop daarom van harte, dat reeds deze eerste bijeenkomst het ledental zal doen toenemen.

 

In de huishoudelijke vergadering van hedenmorgen werd het bestuur definitief gekozen. De statuten, door het voorlopige bestuur ontworpen, werden vastgesteld, zodat de koninklijke goedkeuring daarop kan worden aangevraagd.

De bijzondere commissie voor het gedenkteken heeft evenmin stil gezeten. Ook zij richtte zich op dezelfde wijze tot het publiek en ik verneem van den voorzitter dat ook zij tevreden is met de voorlopige resultaten.

 

Inzake het Van Eedenarchief en -museum kan Ik u tot mijn vreugde meedelen, dat de heer Herman Heijenbroek, stichter van het Goois Museum, het Genootschap gastvrijheid heeft aangeboden in het voormalige raadhuis van Hilversum, waarin het gemeentebestuur lokaliteiten voor zijn museum beschikbaar stelt. Wij zijn den heer Heijenbroek ten zeerste dankbaar voor deze toezegging, want wij stellen ons veel voor van het nut dat een dergelijk, goed en aantrekkelijk gehuisvest archief~museum kan hebben voor vereerders, en vooral bestudeerders van Van Eeden' s oeuvre. Er is reeds belangrijk materiaal aanwezig en ik geloof dat ik het Genootschap geluk mag wensen met de omstandigheid dat het catalogiseren, rangschikken en tentoonstellen daarvan werd toevertrouwd aan een bijzondere commissie, waarin naast Van Eeden's oudsten zoon een zo grondig Van Eeden~kenner als onze secretaris, de heer Van Tricht en een met archief~werk zo vertrouwd man als de heer Meertens zitting hebben.

 

Misschien heeft deze of gene, voor hij hierheen ging, zich afgevraagd: Waartoe eigenlijk deze nieuwe vereniging? We hebben een Van Gogh-genootschap, een Couperus-genootschap, een Van de Woestijne-genootschap, een Dante-vereniging en nog tal van andere verenigingen van dien aard. Ik hoop u echter door het voorgaande ervan te hebben overtuigd dat de stichting van ons Genootschap, evenmin als die van de zo juist genoemde andere, niet voortvloeit uit de bekende noodlottige zucht om voor een en hetzelfde doel een paar dozijn verschillende verenigingen op te richten, maar uit het zeer begrijpelijke feit dat de ene mens meer belang stelt in Vondel of Couperus dan in Van Gogh of Dante en dat men dus uit de aard der zaak behoefte heeft zich aan te sluiten bij een groep wier belangstelling dezelfde richting uitgaat, opdat men aldus door gemeenschappelijke studie zijn doel des te beter zal kunnen bereiken.

 

Overigens, dames en heren, zou ik willen besluiten met hieraan nadrukkelijk toe te voegen dat de studie, waarmede ons Genootschap zich bezig houdt, een betekenis heeft, of althans behoort te verkrijgen, die buiten en boven de persoon van den dichter en denker wiens naam het draagt uitgaat. Een zoo veelzijdige persoonlijkheid als van Eeden zelf was, brengt daardoor ook ons, voortdurend in contact met heel het geestelijke leven van zijn tijd, van nze tijd, van deze tijd. Door ons te verdiepen in wat Van Eeden vervulde en bewoog verdiepen wij ons tevens in heel de werkelijkheid die ons omringt.

De Werkelijkheid. Ik bedoel nu niet het filosofisch begrip van wat wezenlijk bestaat en waarde heeft, die werkelijkheid die Van Eeden steeds als goddelijk en volstrekt schoon heeft erkend of heeft willen erkennen. Maar ik bedoel de ons omringende wereld, de bestaande toestanden, kortom wat men zo gemeenlijk de kille of barre realiteit noemt, die voor Van Eeden eigenlijk doorlopend het karakter had van een satanische schijnwereld.

"Onvoldaan met de werkelijkheid (met dze werkelijkheid dan) zijn de besten der mensen altijd geweest."

Dit is de eerste zinsnede van de hoogst belangwekkende dissertatie "Frederik van Eeden, denker en strijder", waarop onze secretaris, de heer Van Tricht, onlangs tot doctor in de letteren en wijsbegeerte promoveerde. De jonge geleerde, wien ik zo dadelijk het woord hoop te geven, had geen beter woorden kunnen kiezen om ons onmiddellijk het kernprobleem van den dichter in het algemeen, maar van Van Eeden wel heel in het bijzonder, voor ogen te stellen. De werkelijkheid is de staag malende molen, die onverstoorbaar en genadeloos zijn wieken rondzwaait, en de dichter is de Don Quichote die met zijn edele verontwaardiging optornt tegen het geweld van den dommen reus. En ook Van Eeden heeft de meelijdende of kwaadaardige glimlach moeten verdragen van hen die hem alleen maar als een Don Quichote zagen; erger, hij heeft zichzelf vaak genoeg als Don Quichote gevoeld.

Men vergeve mij deze ietwat afgezaagde vergelijking. Ik gebruik haar alleen om er aan te kunnen toevoegen, dat Van Eeden niet in die zin een Don Quichote was dat hij werkelijk windmolens voor reuzen zou hebben aangezien, met andere woorden dat hij de door hem verfoeide werkelijkheid verkrd zag. Want Van Eeden bezat niet alleen de grote opmerkingsgave van den kunstenaar, maar tegelijk de nuchtere zin voor feiten van den empirischen, kritischen man~der~wetenschap, en dit realiteitsbesef belette den mystisch en romanticus - die hij toch k en in hoge mate was - het bestaande te verdoezelen en uit de weg te gaan. Hij zag doorgaans het kwaad wr het was en zals het was en drom kon zijn fel temperament niet laten er tegen te strijden. Een strijd waarin hij slechts in zoverre een Don Quichote was, dat zijn middelen in vergelijking met de dommekracht van het kwaad vaak belachelijk zwak en ontoereikend waren. Maar is dit, vraag ik u, niet het noodlot van bijna iederen idealist die zich verstout ook praktisch te willen ingrijpen in de loop van het maatschappelijk leven? Alleen domheid en geweld beschikken steeds over de vereiste macht om zich te doen gelden. Van Eeden streed tegen de laagheid van de mens; waarbij hij, zijn Dagboeken getuigen het, zichzelf niet uitschakelde. Hij droomde van een soort van ridderlijke tafelronde, een verbond van edelen, een kring van koningsmensen, die ons uit de slavernij dier laagheid zouden moeten verlossen, en u weet, dat een korte tijd zulk een kring inderdaad heeft bestaan. De werkelijkheid van de oorlog verlamde deze kleine ridderschap en de werkelijkheid n de oorlog maakte zelfs n dier graalridders, den edelen Rathenau, tot slachtoffer van die systematische moord, die sindsdien in sommige gedeelten van Europa, zowel in rele als geestelijke zin, epidemisch of zo men liever wil, staatsbedrijf is geworden. Dze werkelijkheid, waartegen Van Eeden en de zijnen zich zo wanhopig verzetten, staat ng voor ons in heel haar plompe, afzichtelijke barbaarsheid, haar huichelachtige laaghartigheid, haar onnoemelijke gemeenheid, als een eeuwige bedreiging voor de geest. En ook daarom, toehoorders, is het niet zonder zin dat wij een genootschap hebben gesticht ter bestudering van een figuur, wiens ganse leven en werken n rusteloze strijd was tegen het lage en gemene, in hemzelf en in de wereld rond hem. Zulk een studie zal niet licht verlopen in dorre uitpluizerij van teksten en woorden, maar ons steeds doen voeling houden met die levende Geest, die in Van Eeden, in onszelf en in heel de wereld worstelt om zijn verlossing.

 

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:27