Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Frederik van Eeden en zijn dromen

 
 

Booze Droom

Ik heb, in droom, den ganschen nacht geschreid

kermend van smart—zooals een kind zou schreien,

dat men uit plaagzucht 't liefste speelgoed rooft.

 

Want in dien nacht,—dien langen, zwarten nacht—

lag er een duistre schaduw op mijn droomen,

op 't lichte beeld van al wat komen zou—

het lieve, bonte speelgoed van mijn ziel.

 

En als een groote, ruwe menschenhand

die sarrend weghield, wat ik niet kón missen,

zoo hield de nacht mijn lichte toekomst weg.

En snikkend in mijn radeloozen angst

zocht ik 't verloren speelgoed—heel den nacht.

 

Doch toen de koele, grauwe morgen kwam

was alles weer als vroeger,—en ik zag

dat er gespot was met mijn groote smart.

 

Wie is het, die durft spotten met mijn ziel

als waar 'k een klein kind?—Lang nog in mijn oogen

waren de tranen, in dien nacht geschreid.

Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.

 

 
 
 

Frederik van Eeden maakte er vanaf 1889 een gewoonte van om al zijn dromen te noteren in zijn zogenaamde 'Droomcahiers’. Hij begon er eigenlijk al mee, in zijn gewone dagboeken, in 1875; hij was toen net 15 jaar geworden.

 

Eerste notitie in zijn dagboek

7 april 1875

Papa heeft aanvallen van melancholie, zegt hij, maar ik geloof, dat ik vlagen van geluk heb. Dezen nacht heb ik gedroomd, geen dagelijksche dingen en toch als ik daaraan terug denk, word ik zoo onbegrensd gelukkig, zoo innig weemoedig verlangend naar iets beters, iets hoogers, dat ik soms wel in eens zou kunnen gaan huilen. Ik geloof, dat ik mijn grootste geluk heb in een droom. Dat zou de eenige reden zijn waarom ik aan een betere wereld zou hechten. Ik wilde zoo graag iemand hebben, aan wie ik mij uit kon storten en niemand is daar geschikt voor, misschien één, maar die is niet hier. Ik geloof, dat de booze geest van mijn bestaan toch achter die gelukzaligheid zit, ten minste de gevolgen zijn niet schitterend, maar donker en zwart als de nacht.

 

Eerste notitie in het eerste droomcahier

3 mei 1889

Ik droomde dat ik voor mijn spiegel stond, mij te kammen en dacht over de kans op onsterfelijkheid.

mijn gedachtengang was ongeveer zoo

Iederen morgen worden wij uit het droombewustzijn in het waken overgebracht en toch denken wij in elken droom weer dat dit nu waken is - en zijn wij 't echte waken vergeten.

Zoo kan 't mogelijk zijn dat wij het leven na dit leven kennen, gehad hebben en weer zullen krijgen en het toch heelemaal niet kunnen denken of voorstellen.

 't Is bijna ongeloofelijk hoe men zooiets droomen kan.

Want ik droomde dat ik wakker was - en ik dacht over het droombewustzijn als iets heel ver af dat veel verschilde met den toestand waarin ik was.

Toen kwam natuurlijk het ontwaken weer met dezelfde verrassing. ‘Was ik dan toch weer aan 't droomen’.

 't Lijkt op dien droom waarin ik met Martha aan 't strand stond te praten over de vraag of ik wakker was of niet.

Toen zei ik hardop onder 't wakkerworden ‘Dit is de werkelijkheid!’

Martha die de kamer juist inkwam, hoorde het.

 

 

Hij noemde dromen, waarin men droomt dat men wakker is ‘Lucide Dromen’. Sindsdien wordt deze terminologie alom gebruikt.

 
 

De droomverslagen en daarnaast de aantekeningen over hun vermoedelijke betekenis worden voor Van Eeden het materiaal voor verdere studie, een onderzoek waarvan de resultaten voorlopig werden vastgelegd in de roman de nachtbruid [1909] en in zijn voordracht voor de Society for Psychical Research,  A study of dreams [1913]

 

Op 17 december 1906 noteert Van Eeden bij het droomverslag van die nacht: ‘Langsamerhand, door nauwkeurige observatie en registratie, zal ik op 't spoor van de eenheid trachten te komen in deze merkwaardige verschijnselen. Dat is de beteekenis van dagboek en droomboek. Het kan geen oplossing geven, maar wel materiaal voor toekomstige wetenschap.’

A study of dreams zou voor Van Eeden het uitgangspunt moeten worden voor een uitgebreid werk over dromen. Blijkens dagboeknotities en correspondentie heeft hij tot aan het einde van zijn leven het voornemen gehad een dergelijk boek uit te geven. 

In het dagboek vinden we op 30 januari 1913: ‘A study of dreams voltooid. Ik ben nu stellig voorneemens er een groot boek van te maken.

5 december 1925

Vandaag stel ik mijn plan vast omtrent mijn laatste leevenswerk. Oover den droom. Ik heb materiaal in oovervloed en ik zal mij in verbinding stellen met mannen als Bergson, Freud, Wereszoski, Bjerre. Mijn artikel in de Proceedings [proceedings of the Soc. for Psychical Research, Vol. XXVI, 1913] vormt het uitgangspunt. Ik herlas het onlangs, verleeden week. En nu is mijn gedachte tot klaarheid geworden, na die tien jaar is mij alles duidelijk. De droom is een voorproef van het hiernamaals. Alles wat wij in den droom gewaarworden ontleenen wij aan het gewoone waakleeven. Dat zich onmiddellijk aan het droomleeven aansluit. Er is niets in den droom, dat niet verkreegen wordt in het waakleeven. Het is de oogst van ons waereldsch bestaan. Onder waakleeven [erwachtes Leben] versta ik het menschbestaan op aarde, in het lichaam. Het droomleeven is het leeven na het afsterven of buiten functie stellen van het lichaam. Dit geschiedt door het opgaan in God, dat is het hoogere droomleeven, het verheerlijkt bestaan in God. Het is zeer eenvoudig en toch zeer moeyelijk uit te drukken. Er zijn drie graden: het aardsche leeven, het oovergangsleeven of droomleeven en eindelijk het opgaan in God. Nu ik dit heb vastgesteld voel ik zeer dankbaar en gelukkig.

 

 

A STUDY OF DREAMS ( Engelstalig )

 
 

Inleiding tot de Nederlandse vertaling van A Study of Dreams - Over Dromen.

 

 

De voordracht van Frederik van Eeden in 1913 voor de Society for Psychical Research, a study of dreams, werd opgenomen in de Proceedings van de S.P.R., Vol. XXVI, 1912-13. De voordracht werd in 1956 vertaald en ingeleid door Hans van Eeden.

Over dromen verscheen in de Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap XVI, 1956

 

... mijn nieuwe plan - een boek over droomen.

Droomen verzameld uit mijn dagboeken en aanteekeningen, met toelichting van hun vermoedelijke beteekenis.

Dit is een stellige opgaaf, want niemand anders kan het doen en het moet tijdens mijn leeven gedaan worden...

Het Boek der Droomen [50 jaar ervaring, daarin opgenomen ‘A Study of Dreams’].

 

 

Tot de stellingen in het droomboek behooren deze:

  • De droomen zijn waargenoomen feiten, en van gelijken aard als die ná het sterven.
  • Zoowel de droomen als de waarneemingen na het sterven zijn daarin gelijk, dat ze plaats hebben zonder bemiddeling der zintuigen, dus zonder zien, zonder hooren, zonder ruiken, zonder tasten, zonder voelen.
  • De waarneemingen ná het sterven hebben eeven goed een samenhang, als vooraf.
  • Deeze samenhang omvat ook de waarneemingen vóór het sterven.

 

 

... Dan heb ik voorbereidselen voor het derde werk - uit mijn droomland.

... Dat droomboek vereischt heel wat meer werk en studie, maar tegen 1927 zal het toch wel goed op weg zijn.

 

 

Aldus Van Eeden in zijn dagboek op resp. 11 November 1925 en 4 en 16 Januari 1926. Helaas kon het plan toen al niet meer volvoerd  worden; hij bezat er de kracht niet meer toe. Daardoor werd ons het voorrecht ontnomen in min of meer geserreerd bestek bijeengebracht en uitgewerkt te vinden, datgene wat hem gedurende vrijwel zijn gehele leven zo intensief heeft bezig gehouden: het Bovenzinnelijke.

 

Weliswaar is er in zijn geschriften stof in overvloed te vinden om enig inzicht te verkrijgen in zijn ideeën en zijn opvattingen omtrent dit nog steeds zo geheimzinnige en fascinerende gebied, dat buiten de directe waarneming onzer zintuigen ligt. Maar daar dit materiaal over haast zijn gehele oeuvre, gepubliceerd en niet gepubliceerd, verstrooid ligt, kon een samenvatting door den auteur zelf niet anders dan hoogst welkom zijn geweest.

 

Dit heeft niet mogen zijn en ons blijft derhalve niets anders over dan naarstig speurwerk in al datgene wat zijn rusteloos zoekende geest ons op schrift heeft nagelaten.

 

Het begint reeds met de artikelen in de eerste twee Studie-bundels: het hypnotisme en de wonderen; ons dubbel-ik; de spiritistische verschijnselen enz. Verscheidene dezer opstellen waren trouwens al in De Nieuwe Gids verschenen. Dan bezitten wij in De Nachtbruid een als het ware practische toepassing zijner droom-ervaringen op de roman. Verder beschikken wij over het Dagboek en een aantal cahiers, waarin hij verscheidene honderden zijner dromen heeft opgetekend en gecommentarieerd en ten slotte staat ons ten dienste de study of dreams, de voordracht in 1913 gehouden voor de Society for Psychical Research, en opgenomen in de Proceedings van dit genootschap.

 

Deze study, die uiteraard in het Engels moest verschijnen en die tot nog toe alleen in de vakliteratuur toegankelijk was; waarin op levendige en dikwerf originele wijze de spreker voor een forum van wetenschappelijke beoefenaars der parapsychologie zijn stellingen ontwikkelde en toelichtte - deze studie nu is het, die in de onderhavige aflevering onzer Mededelingen in een Nederlandse vertaling het licht zal zien, waardoor zij, naar wij hopen, in breder kring die bekendheid zal gaan genieten, die haar alleszins toekomt.

 

Van Eeden zou toch Van Eeden niet geweest zijn, indien hij niet hier en daar eens flink tegen den draad inging. Evenmin als zijn vader, die er ook niet tegen op zag om, als het zo eens te pas kwam, een gewaagde stelling te poneren, evenmin zag hijzelf er een been in om met een koene bewering voor den dag te komen, die volkomen afweek van wat anderen als vaststaande feiten beschouwden. Zijn opvattingen omtrent het optreden en het wezen van ‘demonen’ zijn in dit verband kenschetsend. En niet alleen voor zijn ‘droomleven’ trouwens.

 

Hans van Eeden

 
 

Sigmund Freud

 

Frederik van Eeden correspondeerde met Freud over dromen en in het bijzonder over lucide dromen. Hieronder, een brief van Freud aan van Eeden

 

 

The following letter, would appear to be Freud's response to a request by van Eeden for several points of clarification regarding dreams, and in particular, lucid dreaming. The full text of the letter reads:

 

1 March 1914 Dr. Freud Vienna 1X Berggasse 19

 

Dear Dr. van Eeden, It is of great and valuable interest to me that you will be writing an essay on my work and I am happy to give you the information you request, although I cannot add any more to what has already been written in my "Interpretation of Dreams." I secretly hope, however, that you have not read it properly and that I can induce you to re-examine a few points. To your First Question: My "Interpretation of Dreams" is not based on dreams by neurotics, but largely on my own dreams. The assertion that one does not judge nor appraise in a dream, nor speak, cannot contradict your experiences, for it is derived from the distinction between manifest and latent dreamthoughts-which is a fundamental one-yet one which is so rarely being taken seriously. Analysis shows, that all thought, judgment and suchlike stem from the latent dreamthoughts in which, of course, our entire psychic activity is reflected. One must not, however, confuse the dream with the latent dreamthoughts, like the Swiss do now. The dream is, correctly perceived, the result of dream-work, a process that converts the latent thoughts into the manifest content. This dreamwork does not know judging, appraising, dialogue-forming and suchlike. Wherever something like this occurs in a dream it has been taken over from the dreamthought either dark or distorted, and reshaped. Read again the relevant examples of my dreams in which manifest content as well as judgments and suchlike may appear just as in yours (Section Dreamwork). There is thus no contradiction between our experiences, but a misunderstanding, which is based on the fact that you neither accepted nor applied the premise, in every dream interpretation, of the distinction between manifest and latent dream content. To your Second Question: I think you are being unjust by saying: for me there is nothing else psychic than what is conscious. This can only be said as long as one has not taken any notice of the facts of dream analysis, observation of parapraxes, study of neurosis. Of course, every one of us knows only conscious processes in oneself and may conclude that those of some other person, unconscious to himself, are known to that person. But whoever analyzes must learn by necessity that he has erred in this quite natural premise, and that he can find psychic acts in himself that have remained unknown to his conscious awareness which he must, however because of certain consequences, deduce in the same way as reliable circumstantial evidence without a confession. Finally, analysis provides him with the means to raise to consciousness these, initially unconscious processes, similar to photography that makes visible otherwise invisible ultraviolet rays. I cannot understand, however, that the unconscious should mean a loosening of the relationship between our psychic life and our individual body. My unconscious thought is my individual property in the same way as my conscious one. At this point we are not threatened by a radical change. I now have two copies of your work. Jelgersma's talk surprised and pleased me. Thus the Interpretation of Dreams has been recognized in an academic setting in your little Holland of all places. It was in fact particularly on this point, that Bleuler did not follow me. Your visit has left us with the most pleasant memories. The ladies still often speak of you and your so informal and charming companion, and the boys regret not to have seen you, because of the change of your initial plans. My kindest regards to you together with the request to continue sentiments of friendship regardless of our theoretical disagreements.

 

Yours Faithfully Freud

 
 

Her en der bijeen gesprokkeld; over lucide dromen

 
 

Lucide droom

 

Een lucide droom is een droom waarbij de dromer zich bewust is van het feit dat hij droomt. Het begrip is geïntroduceerd door de Nederlandse psychiater en schrijver Frederik van Eeden in een artikel voor het tijdschrift Proceedings of the Society for Psychical Research (SPR) (volume 26, 1913) getiteld A Study of Dreams. Met 'lucide' verwees hij naar de heldere staat waarin de dromer zich bevindt.

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

 

DROMEN STUREN ALS FREDERIK VAN EEDEN

 

Tussen 1896 en 1913 schreef Frederik van Eeden niet alleen boeken als 'De kleine Johannes' en 'Van de koele meren des doods', maar zette hij ook meer dan vijfhonderd van zijn dromen op papier. In driehonderdvijftig van deze dromen was de schrijver zich volledig bewust van het feit dat hij aan het dromen was. Zijn herinnering van voor het slapen gaan was tijdens zo'n droom volledig intact gebleven en ook kon hij doen en laten wat hij wilde, zelfs de droom sturen.

 

Het soort dromen waar van Eeden over schreef zijn beslist niet ongewoon. Ze worden wel 'lucide dromen' genoemd en bijna iedereen heeft er wel eens een gehad. Bijvoorbeeld bij een nachtmerrie die zo eng is, dat de enige vluchtweg het besluit om wakker te worden is.

 

Niet alleen door hevige angst kan iemand beseffen dat hij droomt. Ook een absurde of onlogische inhoud van een droom maakt de kans groot dat iemand merkt dat wat hem overkomt niet echt is en dat hij eigenlijk gewoon in bed ligt te slapen.

 

Bron: Trouw

 

Lucide dromen.

 

De aanduiding "lucide dromen", of klare, heldere dromen, komt van de Nederlandse psycholoog Frederik van Eeden, die het begrip in 1913 introduceerde. Hij gebruikte het om een toestand aan te geven waarbij iemand die droomt al slapende zich zijn toestand volledig gewaar blijft. Een lucide droom is kortom alsof je wakker bent tijdens je slaap.

 

Eerder was al vastgesteld dat deze merkwaardige bewuste staat vaak voorkwam. Heel bekend is het voorbeeld van Hervé de Saint-Denis, een Franse droomduider die in de l9de eeuw groot gezag genoot. Saint-Denis liep zijn eigen dromen nauwgezet na, en maakte gedetailleerde tekeningen en beschrijvingen van wat er in zijn dromen zoal voorviel.

 

Maar het zouden de geschriften van Frederik van Eeden zijn waardoor, toen ze in 1969 in Engelse vertaling werden heruitgegeven onder de titel Allied States of Consciousness, de huidige belangstelling voor lucide dromen pas goed op gang kwam

 

BRON

 

De term lucide werd voor het eerst gebruikt door Frederik van Eeden, de Nederlandse schrijver die het boegbeeld was van de literaire stroming van de tachtigers. Hij hield in 1913 in Londen een toespraak voor de `Society for Physical Research' over het fenomeen, dat hij uitvoerig bestudeerd had. Hij baseerde zich daarbij op zijn eigen droomdagboek, waarin hij over een periode van zestien jaar meer dan vijfhonderd dromen genoteerd had (waarvan driehonderdvijfentwintig van het bewuste type). Van Eeden verdeelde alle dromen over negen categorieën, waarvan de vijfde soort de lucide dromen zijn. Over deze soort van dromen zegt hij:

 

"In deze dromen is de re-integratie der psychische functies zo volledig, dat de slapende zich zowel het waakleven als zijn eigen (ogenblikkelijke) toestand herinnert, dat hij een staat van volkomen bewustzijn bereikt en in de mogelijkheid verkeert zijn aandacht richting te geven en verschillende willekeurige handelingen te verrichten. En toch is de slaap, zoals ik met stelligheid kan vaststellen, ongestoord, diep en verkwikkend."

"In den helderen droom is het besef van het bezit van een lichaam -met ogen, handen, een sprekenden mond enzovoort - volkomen duidelijk; en toch weet ik tegelijkertijd dat het physische lijf slaapt en een geheel andere houding inneemt. Bij het ontwaken vermengen zich beide sensaties, om het zo uit te drukken, en ik herinner mij even helder het handelen van het droomlijf als den toestand van rust van het physische lichaam."

 

BRON

 

In onze dromen creëren we onbewust een eigen subjectieve ervaringswereld, die we ten onrechte voor de werkelijkheid aanzien. Toch blijkt het soms mogelijk om tijdens een droom te beseffen dat we aan het dromen zijn. Deze merkwaardige toestand, waarbij we als het ware wakker zijn in onze droom, biedt ongekende mogelijkheden.

 

 

Op een nacht in 1913 stak de auteur Frederik van Eeden een sigaar op toen hij zich herinnerde dat hij deze gewoonte had afgezworen. Meteen daarna besefte hij echter dat hij aan het dromen was, zodat hij ongestraft nog een paar trekken kon nemen. Triomfantelijk stapte hij met de sigaar in zijn mond de kamer van een vriend binnen: 'Ik zei tot hem, zeer wel-ooverlegd en bedachtsaam: 'Zie je wat ik doe?' En toen hij me niet begreep, vervolgde ik: 'Ik rook. En toch heb ik mij voorgenoomen niet meer te rooken. Maar nu droom ik, en nu rook ik toch in den droom, en ik heb er al het plezier van.' Toen ik dit gezegd had, trok ik nog met vol ooverleg aan den sigaar en ik had genoegen omdat ik mijn voornemen niet had gebrooken en toch het plezier van rooken had.' Van Eeden was zich er in zijn droom van bewust dat hij aan het dromen was. Hij noemde zulke ervaringen heldere dromen en hield er in hetzelfde jaar een voordracht over voor een parapsychologische vereniging in Londen. Van Eeden vertelde zijn gehoor dat hij in de afgelopen vijftien jaar al 352 heldere dromen had genoteerd. Tijdens deze dromen had hij naar eigen zeggen een min of meer volledig zelfbesef. Hij kon zich zijn dagleven meestal goed herinneren, hij kon doelbewust handelen en hij kon de droomwereld zeer duidelijk waarnemen, terwijl hij tegelijkertijd wist dat hij nog steeds sliep. De heldere dromen traden bijna altijd in de vroege ochtend op, ze duurden vrij kort en gingen vaak gepaard met een groot geluksgevoel. De droom over de sigaar is niet karakteristiek voor de heldere dromen die Van Eeden rapporteerde. Gewoonlijk koos hij het luchtruim en vloog over fraaie landschappen onder zonnige, blauwe luchten. Ook zijn religieuze gevoelens kwamen daarbij naar boven, want hij voelde meestal een sterke behoefte om God te danken. De stadsgezichten die hij soms zag, boeiden hem minder. En tegen de wulpse droomvrouwen die hem probeerden te verleiden, stelde hij zich immer krachtig te weer.

 

Auteur: Rob Nanninga Bron: Bres, april/mei 1996

 

Heldere dromen.

 

Van Frederik van Eeden tot Stephen LaBerge

 

 

Ludo Noens in Bres 1990 – nr 239

 

Wat gebeurt er tijdens de paradoxale Remslaap? Ludo Noens geeft een overzicht van de verschillende droomtheorieën, speciaal die van FREDERIK VAN EEDEN, over de heldere droom met ‘goede herinnering, door oefening versterkt'. Na intensieve studie van Van Eedens Dromenboek beschrijft de auteur een eigen droom, die hem sterkt in zijn overtuiging van het bestaan van de heldere droom.

 

 

Zoals in de jaren vijftig in droomlaboratoria bleek droomt ieder mens onder normale omstandigheden elke nacht. De slaap zelf bestaat uit een vier- tot zevenmaal herhaalde vierdelige cyclus, waarvan de eerste fase geken­merkt wordt door fysiologische activiteiten die zeer sterk op die van de waaktoestand lijken. Merkwaardig genoeg is het juist tijdens deze eerste fase dat gedroomd wordt; men spreekt daarom ook van een paradoxale slaap.

De droomslaap noemt men ook de Remslaap, sinds onderzoekers hebben vastgesteld dat tij­dens het dromen de gesloten ogen heen en weer bewegen (rapid eye movement). Wat betekenen die onrustig rollende ogen? Heel eenvoudig, de dromer kijkt naar zijn droomtaferelen, precies zoals hij overdag rondkijkt. Zoals we zullen zien heeft dr. STEPHEN LABERGE, een onderzoe­ker van het Sleep Research Centre van de Stan­ford Universiteit (USA), dit begin jaren tachtig op een wel heel spectaculaire wijze bevestigd.

Voor de meesten van ons zijn dromen niet meer dan onsamenhangende, doorgaans direct op dagresten geënte visuele ervaringen, die wij ons bij het ontwaken nauwelijks, zoniet onmoge­lijk nog kunnen herinneren.

WILHELM STEKEL maakte echter in zijn Träume der Dichter (1912) gewag van afwijkende dro­men, die meer speciaal door dichterlijke natu­ren ervaren zouden worden (creatieve persoon­lijkheden met een rechterhersenhelftdominan­tie). Volgens Stekel ging het dan om 'zalige zweef- en vliegdromen door machtige berg­landschappen met een wonderbare flora, crimi­nele dromen, waarin bloedige instincten zich uitleven, kinderlijk narcisme en jaloezie, be­hoefte aan sympathie, grootheidswaan, het be­sef ener historische zending (...)'.  Deze catego­rie van dromen kenmerkt zich door een uiterste levendigheid en een intense en langdurige her­innering eraan na het ontwaken.

Niet zelden gaat zo'n soort droom gepaard met een bijzonder karakteristieke bewustzijnstoe­stand: dan spreekt men van een zogenoemde heldere of lucide droom. Een onthutsend ver­schijnsel.

 

Machtige dromer

 

Op 3 mei 1889 begon de Nederlandse auteur­essayist, arts-psychiater FREDERIK VAN EEDEN (1860-1932) in een eerste van vier cahiers met het noteren van zijn dromen. Uit zijn gewone dagboeknotities (vanaf 1875) blijkt dat Van Ee­den al op vijf tienjarige leeftijd alle talenten be­zat om uit te groeien tot de 'machtige' dromer die hij allengs worden zou.

In 1913 hield hij voor de Society for Psychical Research (Brits parapsychologisch genoot­schap, opgericht in 1890) zijn voordracht A Study of Dreams, waarin hij aan de hand van zijn jarenlange droomervaringen een aantal conclusies trekt.

Van Eeden maakt gewag van negen droom­niveaus en vraagt speciale aandacht voor niveau E, dat hij de 'heldere droom' noemt (de beken­de droomonderzoekster CELIA GREEN spreekt in dit verband over lucid dreams).

Aansluitend op zijn droom van 6 oktober 1907 geeft hij in zijn derde droomcahier in een note­dop de karakteristieken van de heldere droom:

'heldere droomen met min of meer volledig zelfbesef en herinnering aan het dagleven, kortstondig, gepaard met geluksgevoel, gele­genheid gevend tot gebed en suggestie, en ge­woonlijk beginnend of aansluitend aan zweef­- en vlieggevoelens. Verkwikkende nawerking. Goede herinnering, door oefening versterkt. Bijna altijd tegen den morgen.'

Wat Van Eeden bedoelt is dat de heldere dro­mer zich volledig bewust is van het feit dat hij droomt. Vaag herinnert hij zich dat zijn li­chaam ergens ligt te slapen; hij kan zich zelfs precies voor de geest halen wat er gebeurde tij­dens zijn waakleven. De getrainde heldere dromer kan naar willekeur droomtaferelen laten verschijnen en verdwijnen. Bijzonder karakte­ristiek is het ervaren van grote ruimtelijkheid; de heldere dromer vliegt vaak over panorami­sche en kleurrijke natuurtaferelen. De ontroe­ring die hij dan beleeft kan zeer intens zijn en heeft soms iets weg van een mystieke ervaring. Maar heldere dromen kunnen zich ook in een meer huiselijke omgeving afspelen. Omdat de dromer wéét dat hij droomt, is hij dikwijls ver­baasd over de 'echtheid' van wat hij ziet. Hij kan zelfs de droomvoorwerpen in zijn omge­ving vastgrijpen en kritisch onderzoeken.

In zijn heldere dromen zag Van Eeden zich vaak geconfronteerd met bijzonder levendige, uitgestrekte landschappen vol schitterende ver­gezichten, met zonbeschenen bloemenpracht en een felblauw hemelgewelf. Meermalen deed hij dan bewust experimenten, zoals het in het blikveld krijgen van de zon (dat hem maar een paar keer lukte) of het bekijken van zijn handen en voeten.

 

 

Metaorganisme

 

 

Soms nam hij onorthodoxe proeven. 'Ik wist dat ik droomde, maar ik spande mij in tot observeren. Ik zag dat ik gekleed was, een donkere broek. Ik zweefde dicht boven den weg. Later over een water. Ik dacht "wat zal ik nu doen tot verdere observatie?" en ik zeide bijna hardop "vasthouden! houd het vast!" Ik wilde niet dat het gezicht verdween. Toen ging ik, om iets te doen, haastig urineren boven het water waarboven ik zweefde(...}' (2 april 1898).

De bijzondere aandacht die Van Eeden aan zijn eigen droomhanden en -voeten schonk, bracht hem ten slotte tot de overtuiging dat er inderdaad (zoals de occulte literatuur al eeuwenlang bevestigt) een astraal lichaam moet bestaan, dat normaliter een eenheid vormt met het waaklichaam, maar dat zich tijdens de slaap hieruit kan terugtrekken om tochtjes te ondernemen in de astrale wereld (volgens de occulte traditie een zeer plastisch zijnsniveau, waarvan de grondstof onzichtbare vormen aanneemt die door onze gedachten onbewust worden gedicteerd).

Ook de Amerikaanse onderzoeker ROBERT MULDOON en meer recentelijk ROBERT MONROE hebben in hun omstreden geschriften van zo'n astraal voertuig gewag gemaakt, meer speciaal in verband met persoonlijk ervaren uittredingen, waarbij zij zich bewust bleven van hun slapend fysiek lichaam, dat zij rustig op een afstand konden observeren.

Merkwaardig is in ieder geval dat mensen die een zogenoemde BDE-ervaring hebben gehad(bijna-doodervaring), vaak hardnekkig volhouden dat ook zij uit hun lichaam zijn getreden en later weidse landschappen en prachtige natuurtaferelen hebben gezien, precies wat Van Eeden waarnam tijdens zijn lucide dromen.

Van Eeden was bijzonder geïntrigeerd door de vraag naar het persoonlijk voortbestaan na de dood. Zijn dagboeken (1875-1927) en droomcahiers (1889-1923) getuigen van een intense zoektocht naar een 'bewijs' van zo'n voortleven. Zijn aanvankelijk vermoeden dat de 'lucide' droomsfeer verband moest houden met de situatie na de dood, werd na talloze experimenten, waarbij hij tijdens zijn nachtelijke escapades zowel levenden als overledenen opriep, een rotsvaste overtuiging.

Van Eedens roman De Nachtbruid en zijn dichtwerk Het lied van Schijn en Wezen zijn hiervan een gedeeltelijke neerslag. Bovendien meende hij in de serene doodsstrijd van zijn zoon PAUL (februari 1913) een concrete bevestiging te zien van deze overtuiging: '(...) Hij vouwde nog de handen welbewust en zorgvuldig, hij sloot den mond waarvan de kaak neerhing, hij opende de oogen wijd, wijd. Hij prevelde in gebed en zo ging hij over. Hij ging niet slapen, hij werd wakker, hij ontwaakte (...) (Dagboek, 23 februari 1913). En op de datum van 5 december 1925 staat er dan ondubbelzinnig: '(...) En nu is mijn gedachte tot klaarheid geworden, na tien jaar is mij alles duidelijk. De droom is een voorproef van het hiernamaals.'

 

Medium

 

Van Eeden voerde in zijn heldere dromen enkele experimenten uit met de hulp van ene mevrouw THOMPSON, een Brits medium dat hij tijdens een seance in Londen had leren kennen (Van Eeden was in die dagen een kritisch spiritist; in 1922 zou hij zich bekeren tot het katholicisme). Weer in Nederland probeert hij via zijn heldere dromen in contact te komen met Nelly, de controlegeest van mevr. Thompson. Op 15 januari 1900 schrijft hij in zijn droomca­hier: '(...) Daar kreeg ik besef van mijn toestand, en begon aan mijn afspraak te den­ken: Ik riep eerst "Elsie, Elsie", toen beden­kend dat het verkeerd was "Nelly, Nelly!" Er kwam echter niemand. Toen werd ik ongerust dat ze niet komen zou en riep "Nelly, je moet komen, en je moet aan Walden denken, dat is waar ik woon.'"

'Op 18 januari 1900', schrijft dr. W.H.C. TENHAEFF, 'vroeg Piddington (een bestuurslid van de SPR), bij gelegenheid van een zitting met mevrouw Thompson, aan Nelly of zij Van Eeden bezocht had. "Nelly" antwoordde met neen, doch voegde eraan toe dat de geest van een klein meisje - Elsie Line geheten - haar ge­zegd had dat de "oude bakkebaard in het bed" om haar ("Nelly") riep, doch "dat zij er 'Elsie' maar op had afgestuurd".'

 

Van Eedens dromen inspireerden hem tot een droomtheorie die in belangrijke mate afwijkt van de toenmalige psychoanalytische benade­ring van de Freudiaanse school. Volgens FREUD zijn dromen producten uit het persoonlijk on­bewuste, symbolische uitingen van onderdruk­te gevoelens die in de sfeer van de libido liggen. Hoewel Van Eeden moest toegeven dat symbo­len vaak voorkwamen in zijn dromen, kon hij er niet toe komen deze laatste alle te reduceren tot broeierige fantasma's. De droom is volgens hem in meer of mindere mate een re-integratie van de ziel (psyche), na haar ontbinding tijdens de slaap. In de lucide droom zou dan de meest volledige re-integratie van de ziel tot stand ko­men, waardoor de dromer zelfbewust wordt, in staat tot denken, beslissen, handelen en het zich herinneren van de waakwereld.

Aanvankelijk had Van Eeden geen goed woord over voor Freud en zijn psychoanalyse: 'Voor mijzelf geloof ik even weinig aan het "onbe­wuste" als aan Sinterklaas'; in A Study of Dreams), in zijn dagboek spreekt hij zich zelfs hier en daar uit in beledigende termen. Maar na een persoonlijke ontmoeting met Freud en diens familie in 1913 (tijdens een congres in München met C.G. JUNG als voorzitter) is hij be­reid zijn oordeel te matigen en later noemt hij de psychoanalyse zelfs een baanbrekende disci­pline, in het bijzonder wat betreft de neuroseleer.

In feite sluiten Van Eedens conclusies over de droom nog het meest aan bij de theorie van het collectieve onbewuste van de Zwitserse psy­chiater C.G. Jung. Maar het blijft vreemd dat noch Freud, noch Jung in hun publicaties enige aandacht van betekenis heeft geschonken aan het toch verbluffende verschijnsel van de lucide droom.

 

Natte dromen

 

Wat Freud en zijn volgelingen nog het meest de wenkbrauwen deed fronsen, was Van Eedens interpretatie van zijn 'natte' en gruweldromen. Van Eedens bracht dit soort dromen onder in niveau C en F (demonendromen) en in mindere mate in niveau G (het desoriënterend verschijn­sel van vals ontwaken) van zijn droomclassifi­catie. Hij was namelijk van mening dat de ver­antwoordelijkheid voor zijn lubrieke dromen niet bij hemzelf lag, maar bij 'intelligente we­zens van een zeer laagzedelijke orde' (A Study of Dreams).

Zelfstandige, demonische wezens dus, die de 'astrale' wereld bevolken, wat sterk herinnert aan de zogenoemde 'elementairen' of 'elemen­talen' uit de theosofische literatuur, de plaag­- en kwelgeesten uit de folklore en de hallucinan­te gedrochten in de werken van Bosch en diens nabootsers.

Plagen, kwellen en misleiden, dat deden ook Van Eedens droomdemonen; blijkens zijn droomcahiers werd hij vaak belaagd door boosaardige schepselen, die de meest bizarre en angstaanjagende vormen aannamen. Telkens weer diende hij zich te verweren (eens zelfs met een droomzweep!).

Doorgaans kwam Van Eeden als overwinnaar uit de strijd, soms gaf hij zich machteloos over aan wulpse verlokkingen. Het is een grote ge­ruststelling te vernemen dat hij in de regel na zo'n nachtelijke gruwel- of lascieve orgie, fris van lijf en helder van geest ontwaakte!

Zijn lucide dromen een 'voorproef van het hiernamaals?' Wie zal het zeggen? Feit is dat zo'n heldere droom de betrokkene dikwijls tot extatische en mystieke hoogten voert. Een staat die herinneringen oproept aan o.a. het Deva­chan van de oude Indiërs: een individuele para­dijselijke schijnwereld, waarin de afgestorvene korte tijd verblijft alvorens te reïncarneren. Het gevoel van 'echtheid' in een lucide droom is zo authentiek dat onvermijdelijk de oeroude vraag opkomt in hoeverre ook het waakleven in feite niet meer is dan een, zij het dan collectie­ve, droom.

Wie geen ervaring heeft met lucide dromen is vlug geneigd alles op één hoop te gooien en ook in dit soort dromen niet meer te zien dan het product van een mentale overbelasting of een ongestelde maag. Wie wél ervaring heeft met heldere dromen wéét dat ze een realiteit verte­genwoordigen die in volkomen discrepantie staat met het waakleven, maar er niettemin qua werkelijkheidsbeleving nagenoeg volkomen identiek aan zijn.

Dat het bewustzijn tijdens een lucide droom hetzelfde is als dat van het waak leven - mét het integrale geheugen - bewijzen de zonderlinge experimenten van STEPHEN LABERGE in zijn droomlaboratorium in Stanford. LaBerge is in het bijzonder geïnteresseerd in lucide dromen. Zijn tests met slapende proefpersonen toonden aan dat een lucide dromer even alert is als iemand die wakker is. Hij maakte met zijn proefpersoon een afspraak om tijdens diens heldere droom met zijn droomogen op en neer en van links naar rechts te rollen, een vooraf bepaald aantal keren. De slapende proefper­soon, getraind met snel in een lucide droom te belanden, herinnerde zich de afspraak met La­Berge en ging met zijn droomogen draaien. De­ze afgemeten seinen werden overgenomen door diens fysieke ogen en door LaBerge als correct geregistreerd. De proefpersoon was met elek­troden aan allerlei technische apparatuur be­vestigd. Zijn EEG toonde tijdens het experi­ment aan dat hij wel degelijk echt droomde en niet zo maar deed alsof! Met deze methode zou het in de toekomst mogelijk moeten wor­den via een morsesysteem wakenden recht­streeks te laten delen in de fantastische avontu­ren van de dromer!

 

Van Eeden achterna

 

Na een week intensieve studie van het Dromen­boek van Van Eeden kreeg ik persoonlijk, na lange tijd, opnieuw een heldere droom. Het lijkt me interessant deze droom te beschrijven, omdat ik hierin ten volle besefte dat ik overdag Van Eedens dagboek aan het doornemen was. Het begon met een gewone, tamelijk levendige droom, waarin ik 's avonds door straten liep, op weg naar een bioscoop.

Ik werd mij plots bewust dat ik verdwaald was. Het was nu dag. De straten kwamen mij nog bekend voor, maar ze hadden een eigenaardige gedaanteverandering ondergaan. Ik kwam in de buurt waar ik woon (bijna op de hoek van een kruispunt) en moest vaststellen dat er aan de straten werd gewerkt; ze waren veel breder geworden. In de verte zag ik een fietser komen aanrijden die plotseling slipte en viel.

Hoewel de positie niet helemaal klopte, herken­de ik een bepaald huis als het mijne. Maar het was helemaal veranderd, vervallen, met onbe­kende stenen trapjes die naar de voordeur leid­den.

Ik kreeg een sterk gevoel van ruimtelijkheid (karakteristiek voor een aankomende lucide droom). De aard van de straten en de huizen deed mij plots beseffen dat ik in de toekomst geprojecteerd was. Volgde een gevoel van ver­latenheid, onomkeerbaarheid en verwarring, hoewel ik ook bedacht dat ik hier vlug nieuwe vrienden zou kunnen maken.

Met het opkomend onbehagen vermeerderde allengs de intensiteit van mijn zelfbesef. 'Of misschien droom ik maar,' dacht ik plots. Er leek mij een efficiënte manier om mij hiervan te vergewissen. En hoewel ik er toch van over­tuigd was dat dit allemaal echt was (zoals een gewone dromer zijn droom ervaart), duwde ik mij af van de grond om te zien of ik kon vlie­gen. En werkelijk, ik bleef hangen in de lucht! Toen overviel mij het VOLLE zelfbesef; het drong tot me door dat ik droomde en ik klapte triomfantelijk en uitbundig in de handen. '0 dank, dank!' riep ik enthousiast. Ik ervoer het als een soort genade. En het ruimtebesef werd nog groter. 'Zoals Frederik van Eeden!' schreeuwde ik kinderlijk verrukt, 'zoals Frede­rik van Eeden!' Ik nam mijn hoofd tussen de handen en voelde mijn slapen bonzen, hoedde mij ervoor verder te stijgen uit vrees voor kwa­lijke gevolgen.

'Ik moet dit onthouden,' zei ik. 'Ik moet dit beslist aan Kristine vertellen (overdag had ik mijn vrouw passages uit het Dromenboek laten lezen)!' Daarop volgde een vage bedenking over de manier waarop ik haar nu over mijn toestand zou kunnen inlichten.

Toen zag ik plots mijn zuster onder me lopen. Ze riep: 'Wat zeg je?' Ik riep terug: 'Ik moet dit aan Kristine vertellen!'...

...Abrupt ontwaken in mijn bed, de ogen wijd open. Desoriënterend besef van twee parallelle werkelijkheden die even reëel en tastbaar schij­nen. Ik richt mij op, mijn vrouw wordt wak­ker, ik vertel haar meteen mijn lucide droom. Dan naar het toilet, licht aan, ik bekijk mezelf in de spiegel. Ik ben verbaasd, blij, maar de verbijsterende helderheid van de zojuist opge­loste droom werkt ook enigszins beangstigend. Even lijkt het alsof ook dit een droom is, alsof de vastheid van déze werkelijkheid ook maar schijn is. Ik probeer het onbehaaglijke gevoel van mij af te schudden.

Buiten treedt de ochtendschemer in, in de tuin fluiten de merels. Het is vijf uur. 'Het uur waarin de zwaluw begint te tsjilpen', schrijft van Eeden, DANTE citerend, 'en onze geest door het stoffelijke lijf het minst gebonden is'...

Ik wil het graag geloven.

 

Literatuur

1. W. Stekel, Die Träume der Dichter. Wiesbaden, 1912.

2. A Study of Dreams, integraal opgenomen in Dromen­boek van Frederik van Eeden, naar de handschriften uit­gegeven en ingeleid door Dick Schlüter, met medewer­king van Reiny Jobse; Uitg. Bert Bakker, 1979. Alle ver­dere citaten van Van Eeden zijn afkomstig uit deze uit­gave.

3. C. Green, Lucide Dromen. Meppel, 1970.

4. Dr. W.R.C. Tenhaeff, Het Spiritisme. Uitg. Leopold, 1972.

5. Dr. Stephen LaBerge, 'Stanford University Sleep Re­search Centre' , Creatief dromen, Elmar b.v., Rijswijk, 1986.

 
 
 
 

 

Droomleven.

 

Dat de wereld van de droom "de schemerende voorhof van 't génerzijds" is, spreekt Van Eeden voor 't eerst uit in Het Antwoord[1]. Hij had door oefening het ver­mogen verworven, om tijdens dromen van een bepaald ka­rakter zijn zelfbesef te herwinnen en dan wilshandelingen uit te voeren, die hij zich vóór het inslapen had voorgeno­men. In deze z.g. "heldere droomen" ontmoette hij gestorve­nen, waarbij zich, ook later in de herinnering, een evidentie­gevoel aan hem opdrong, aan het dagleven volkomen gelijk­waardig. In sommige gevallen toonde de gestorvene dan later door een medium zich de ontmoeting te herinneren.

 

Beslissend voor de hoge waarde die Van Eeden aan deze dromen ging hechten, was het experiment te Londen in Janu­ari 1900 met een Engels medium, aan wier gestorven doch­ter, "Nelly", die door haar sprak, hij voor zijn vertrek naar Nederland beloofde, haar tijdens een heldere droom te zullen roepen. Dat zij enkele weken later - zitting van 18 Januari - het roepen zeide gehoord te hebben was min­der verbluffend dan haar bericht, dat haar geest-vriendin "Elsie" het óók gehoord had. Van Eeden had zich nl. in de droom versproken en eerst "Elsie" geroepen, wat hij als onverklaarbaar feit in zijn dromenboek genoteerd had op 15 Januari, dus vóór de seance van 18 Januari. 

 

Die vergis­sing, waar noch "Nelly", noch het medium op verdacht kon zijn, bereikte dus de overzijde der Noordzee op bovenna­tuurlijke wijze; telepathisch contact tussen hemzelf en het medium zou op die afstand, terwijl hij al weken in Holland terug was, al merkwaardig genoeg zijn, maar voor Van Eeden, die op de séances van het bestaan van "Nelly" over­tuigd was, had het voorval veel grotere waarde: het beves­tigde in hoge mate zijn geloof in de uitnemende betekenis van zijn heldere dromen[2] en in het bestaan van een werke­lijkheid buiten de driedimensionale van het dagleven.

 

Er volgden meer soortgelijke ervaringen, en jaren later – 22 April 1913 - toen hij over zijn droomleven las voor de S.P.R., beschikte hij over een dagboek met 500 dromen, waarvan 352 "heldere". Hij concludeert: "The dream is a more or less complete reintegration of the psyche, a reinte­gration in a different sphere, in a psychical, non-spatial mode of existence. This reintegration may go so far as to effect full recollection of day-life, reflection and voluntary action on reflection."[3] Hij toont zich overtuigd, dat hij zich tijdens een heldere droom in een psychische, niet-ruimtelijke (in De Nachtbruid ook: ander-ruimtelijke) sfeer beweegt met een lichaam dat hij als een onstoffelijke verdubbeling van het physieke voelt, het "droomlijf" of "astraallijf".

 

Welke gewichtige conclusies hij hieraan vastknoopte, had hij al vijf jaar vroeger uiteengezet in De Nachtbruid, waarvan de romanvorm hem vrijheid liet om de grens tussen weten­schappelijke overtuiging, hypothese en vermoeden uit te wissen.  Daar zien wij wat hij op zijn heldere dromen bouw­de: hij geloofde door een nieuw soort ervaringen die kennis te verkrijgen, die men tot dusverre ervaring-overschrijdend genoemd had. Dat zou betekenen: verlossing uit de gevan­genis van de zinnelijke waarneming, verbreking van schijn, nadering tot het Wezen.

 

Het zou de suggestie van ’t materie-realisme eindelijk vernietigen, het inzicht onvergelijkelijk verruimen: dit "Heldere Zien" zou alle kennis, intuïtieve en rationele, in zich besluiten. Het was de vervulling van de bede waarmee Van Eeden zijn Lied van Schijn en Wezen had ingeleid: "das auge gib unserem auge, das auge auszu schauen aus den leibern            " Maar het bleek, dat "de vaagheid en onvastheid van het lichaamloos leeven" een kwelling zou worden. En bovendien moesten de gedachten van een zo onverbiddelijk consequent peinzer als Frederik van Eeden, van het gegeven kentheoretisch uit­gangspunt uitgaande, onherroepelijk gevangen raken in de cirkelgang van het solipsisme[4] .

 

Uit: Frederik van Eeden, denker en strijder
Dr. H.W. van Tricht – 1934

 



[1] Van de Passielooze Lelie – derde periode

[2] Vermoedens in deze richting noteerde hij al 9 Nov. 1891 in een cahier met excerpten: zijn dromen zouden reële ge­lijktijdige gebeurtenissen betreffen die hem niet bekend waren

[3] A study of dreams

[4] filosofische leer dat alleen ons eigen ik en zijn bewustzijnsdaden bestaan

 
 
Linken
* Droomnet - een interview met een Van Eeden-kenner

* Artikel uit het Droomjournaal Lente 2002, uitgave van de Vereniging van de Studie van Dromen (PDF)

* Dromenboek bij DBNL
* Droomvermeldingen in de dagboeken

 

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:28