Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Opmerkelijke dagboekfragmenten

 
1876 - 29 maart

't Is heerlijk, warm weer en ik zit nu (Woensdagmorgen) voor 't open raam te soezen. Ik heb allerhande grootsche ideeŽn van beroemd te worden en te schrijven, enz. Maar als ik bij de (altijd verlichte) menschen met mijn principes aankom, dan weten ze dat allang, of ze gelooven mij niet. Mijn idee is, dat de wereld nooit begonnen is, het heelal namelijk. Dat stof en kracht nooit begonnen is en nooit zal eindigen, dat de menschen een samenstel zijn van met leven begaafde stof, dat die stof na den dood uiteenvalt, maar de levenskracht behoudt en planten en dieren, of wat anders vormt. Dat het bewustzijn van den mensch, na den dood ge­heel ophoudt (dat is wel niet prettig, maar dat kan ik niet helpen) maar misschien is het moge­lijk, dat alle stof een soort leven leidt, dat de aarde leeft en alles leeft en dan leven wij ook na onzen dood. Voorstellingen van God, maak ik mij zelden, als iets God is, dan is alles God, dan is alle stof God en dan zijn wij kleine, zelfstandige uitspruit­sels van God. Maar altijd is het een stomme, oude God in ons na onzen dood weer opneemt en voort­durend nieuwe kinderen doet geboren worden. Dan bemoeit hij zich in alle geval volstrekt niet met ons gescharrel en geploeter, dan volgt hij zijn eigen weten en gaat zijn gang en laat ons maar loopen, zooals het loopen wil. Maar toch vrees ik, dat een ander bewustzijn, zooals het onze, niet bestaat. 't Gaat altijd overal zoo regelmatig en natuurlijk, ik heb nog nooit iets gezien, dat boven­natuurlijk was.

.
1876 - juli 1876

En mijn philosophie wordt droevig. Wat doen de menschen hier toch, ze ploeteren en knoeien rond tusschen dingen, waar ze niets van begrijpen en zijn juist verstandig genoeg om dat in te zien en dat is hun ongeluk. Een mensch hoort hier niet, zijn verstand gaat te ver voor zijn be­vattingsvermogen, zijn verstand past niet bij zijn wijsheid en daardoor verdraait en verknoeit hij zooveel! Wat ben ik wijs! Hoe verstandig en juist zijn mijn woorden en ik zelf? . . .. Er zijn zeilen, groote, stevige zeilen, maar er is geen roer en het schip is wrak. O mij ! Had ik woorden, had ik kracht, had ik talenten om dien stroom van gedachten, van gewaarwordingen, van wenschen, uit te kunnen drukken, die soms woelt en stormt door mijn hoofd. Wat wil ik, wat ben ik, ik, ongelukkig, arm mensch. Kon ik maar weten, kon ik begrijpen! Ik zie, ik ondervind en weet niet wat en begrijp het niet! Ik wou, dat ik er uit was, roep ik telkens en begrijp mijzelf niet. Opgewonden ben ik, ja opgewonden, maar waardoor! Waarover?' Ik hoor muziek en de tranen komen mij in de oogen, ik bal de vuisten, stampvoet en vraag: Wat is dat? Wat is dat? Ik zie omhoog, ik zie sterren, duizenden, onmetelijke bollen en weer zucht ik en vraag: Wat is dat toch? Soms zit ik met mijn hoofd op de handen en zoo. Mijn God! Is daarvoor een mensch hier? Alleen om zijn ongeluk te beseffen, alleen om te zien, dat hij niets kan, niets weet, dat hij in een besloten ruimte rondwandelt en geen uitweg kan vinden voor zijn voortstrevenden geest. Moet dat mijn on­geluk zijn, dat ik alleen hier moet staan en duizend malen vragen, wat is dat? Niemand kan het mij zeggen, niemand kan mij helpen, mij troosten. Kan ik mijn opgewonden geest niet beheerschen, mijn ellende niet verminderen en er niet in be­rusten?  Ach, ik probeer het en ik wend mij niet om, of daar komt het weer langzaam en akelig, het bewustzijn, de overtuiging, dat ik ongelukkig ben en de reden niet kan noemen. Kun je het waarachtig niet? - Helaas, helaas niet - Kees(1), je bent gek! - Juist mijnheer, finaal!

 

(1) Kees was het koosnaampje van Free, als kind en jongen.

.
1878 - dinsdag 10 september

Mag ik eens een vertoog over liefde houden.

Liefde is geen godheid, geen op zich zelf staand iets, het is geen demon die buiten de menschen om deze beheerscht en deze laat handelen naar zijn goedvinden, het is een eigenschap, een uiting van den mensch.

Hartstocht is een demon, een echte; een vreesselijke, onweerstaanbare macht die den mensch, die de kracht niet heeft hem van zich af te houden, meesleurt zonder zijn wil. Die in hem werkt zonder dat hij zich het bewust is, die zijn geest benevelt en zijn zelfstandigheid vernietigt. Dat is geen liefde.

Liefde is geen verlangen, geen vurige begeerte naar iets dat zij niet bezit. Dat is hartstocht. Hartstocht verdwijnt als zij het voorwerp van haar verlangen heeft. Liefde wil niets als het geluk van dat voorwerp en heeft geen onbevredigde wenschen noodig om te kunnen blijven bestaan. ▫ Mogelijk zijn er voor hartstocht diepere drijfveeren. Hartstocht ontstaat misschien door de zucht naar onsterfelijkheid, naar roem/ naar geluk. Waarachtige liefde heeft geen drijfveeren, die ontstaat uit zich zelven. Waarachtige liefde denkt niet om haar eigen geluk, haar eigen verheerlijking. En toch maakt zij dengene die haar bezit gelukkiger dan hartstocht.

De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mensch het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.

De ziel kan ik het niet noemen, het geweten ... ja! dat is het eigenlijk wel. Het is dat wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.

Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is - maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent - maar Ďkeer tot uzelven iní en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.

Die innerlijke mensch moet liefhebben, dat is ware liefde. Die ikheid moet gevoelen dat het geluk van een ander wezen hooger plaats bij haar inneemt dan haar eigen geluk. Die ikheid moet zich in staat gevoelen zich geheel, zonder eenige terughouding te openbaren aan een ander ik, en zij moet de kracht beseffen om alles voor dien ander te kunnen doen, te kunnen dragen. ▫ Die liefde die dan ontstaat beheerscht niet, ze wordt beheerscht. En de mensch die liefheeft, laat zich niet door zijn liefde leiden, maar leidt haar. ▫ Die liefde uit zich dikwijls niet in woorden, dikwijls blijft het een lijdelijke, zwijgende vereering en is volkomen tevreden in het bewustzijn dat haar voorwerp gelukkig is.

Dit is misschien goed en edel, maar edeler is het toch zich niet passief maar actief te toonen, naar wederliefde te streven en zoo te handelen dat men die liefde ook verdient. ▫ Dan verlangt de liefde wel naar iets, ook naar iets dat zij niet bezit, maar zou dan die liefde bij het bereiken van haar wensch te niet gaan? ▫ Ze zal nog oneindig krachtiger worden, in het bewustzijn dat een ander ik haar beantwoordt. ▫ Als dat heerlijke doel bereikt is, als twee wezens elkander kennen, wezenlijk door en door verstaan, voor elkander leven en zich verheugen, omdat ze liefhebben en bemind worden, dan behoeft de liefde niets te wenschen, want ze is zeker dat ze haar ander ik zal behouden - en toch blijft ze bestaan.

.

1879 - 19 December

Daar zit ik nu weer op mijn hokje. 't Is elf uur en ik ben in mijn avondstemming. 's Morgens hangt er altijd een nevel van proza over mijn geest, koude melk, natte straten, hollen naar het college en half honger lijden, 's avonds komen er meer gedachten. Dan is een beweging van mijn hand die eenigszins ingewikkeld is, voldoende om mij te laten denken over de kunstigheid van de werk­tuigen, die wij handen noemen. Maar als ik dan iets laat vallen, denk ik, de hand is toch ver van volmaakt. Zou er een volmaakte hand kunnen bestaan, wanneer zou een hand volmaakt zijn?

- Wat is volmaaktheid? Kan iets volmaakt zijn??

Als er een Wezen is dat volmaakt is en ons gemaakt heeft, waarom schept het dan zulke onvolmaakte wezens met zoo'n onvolmaakt verstand, zoodat het steeds een verwarde boel in ons hoofd en in de geheele wereld is. Wat een vreemd genoegen om een wereld te scheppen, waarop oneindig veel meer kwaad dan goed gebeurt. Die gedachten­gang in mijn hersenen is toch merkwaardig, denk ik. Als ik mij iets herinner, dan moet ik geleidelijk van het een op het ander komen. 't Is of mijn ikheid een vonk, een bewegelijk punt is, dat door mijn hersencellen dwaalt. Het kan niet springen, het moet altijd van 't een op het ander overgaan. Als mijn hersencellen nu iets ondervinden, dan krijgen ze een indruk, misschien vormen ze zich in be­paalde groepeeringen. Meestal is de vonk, mijn bewustzijn, mijn ik bij zoo'n indruk tegenwoordig, soms ook bevindt zij zich in een ander gedeelte en de indruk wordt opgenomen, zonder dat ik het bemerk. Die groepeering der hersencellen door de indruk ontstaan is niet blijvend, alle stof is veerkrachtig en deze veerkracht, dit terugkeeren tot den ouden vorm veroorzaakt het vergeten. Zeer krachtige indrukken, of langdurige veroorzaken een blijvende verandering. Wil men iets onthouden, dan maakt men den indruk met opzet langdurig en tracht de vonk van 't bewustzijn bij dien indruk te bepalen. Dit zou mij er toe brengen aan te nemen, dat de beweging der vonk willekeurig is en dit zou gelijk staan met het aannemen van een vrijen wil. Bij lang nadenken echter begin ik daar stellig aan te twijfelen. De beweging der vonk is niet wille­keurig, hangt geheel af van de uitwendige omstan­digheden. Als men namelijk ook de beweging en het gehalte van het bloed, constitutie der hersenen, etc. onder uitwendige omstandigheden rangschikt. Ik zal nu trachten na te gaan waarom ik aan dezen vrijen wil twijfel.

Wat ik hier een vonk noemde, is als het ware het brandpunt van ons waarnemen. Wij kunnen waarnemen zonder wat men noemt er bij te zijn, maar dergelijke waarnemingen kunnen hoogstens reflex-bewegingen ten gevolge hebben. Nimmer kunnen hieruit nieuwe gedachten, of overdachte bewegingen voortspruiten, voordat de vonk er bij is geweest, onze ziel zou ik kunnen zeggen. Deze ziel moet de indruk als het ware onderzoeken en overplanten op de bewegingszenuwen. Deze ziel doet den indruk zich ontwikkelen, waardoor nieuwe gedachten, nieuwe combinaties ontstaan. Ik noemde de ziel een vonk, omdat zij onbegrijpelijk klein moet zijn. Evenals men op het netvlies maar een oneindig klein punt in eens kan waarnemen, doch door de snelle beweging van het oog een uitge­strekt veld bijna tegelijk kan overzien, zoo zal ook de kleine vonk in onze hersenen een menigte ge­dachten door hare snelle beweging zoo goed als gelijktijdig kunnen omvatten. De vonk kan nu niet stoffelijk zijn. Het fijnste stofdeeltje zou onmogelijk zoo snel door de ruimte tusschen de cellen kunnen dringen. De vonk plant zich echter voort door de hersenen met onbegrijpelijke snelheid, zij plant zich letterlijk voort en daarom meen ik, dat het niet anders dan een trilling kan zijn. Er is dus nog een reden, waarom ik de naam "vonk" koos, er is nog een vonk, die ik evenzeer voor een trilling houd, die zich evenzeer met groote snelheid ver­plaatst en evenzeer onbegrijpelijk klein is. Dat is de electrische vonk. Maar zoo dwaas als het is, om die electrische werking een vonk te noemen, omdat ze zich in sommige gevallen onder licht en warmteverschijnselen openbaart, zoo dwaas zou het ook zijn de ziel een vonk te noemen, of te zeggen, dat de ziel een electrisch verschijnsel is. Maar dat zij er in werking niet veel van verschilt geloof ik zeker, vooral als ik bedenk, welke belangrijke invloed de electriciteit op ons lichaam uitoefent en dat alle spierbewegingen zuiver electrische verschijn­selen zijn. Electriciteit is zoo'n geheimzinnig woord, omdat er zooveel raadsels mee verbonden zijn, weet men daarom iets niet te verklaren, dan schermt men met het magnetisme en electriciteit en weet zelf niet wat men er mede bedoelt. Maar ik geloof, dat beide krachten grove uitingen zijn in anorganische stoffen van een kracht die de hoofdzaak uitmaakt van het organische leven en waarvan de mensche­lijke ziel de hoogste uiting is. Deze trilling nu, de ziel beweegt zich niet, maar is een beweging der hersenmoleculen. Dus moet die beweging afhangen van gevoelsindrukken van buiten, nl. van trillingen die door de zenuwen van de peripherie naar de centraal-organen worden geleid, van chemische werkingen door het bloed op de hersenen uit­geoefend, van de constitutie der hersenen zelf.

Ik heb nog niets gevonden, dat tegen deze be­wering streed. Er is geen gedachte, die geen andere gedachte of geen indruk van buiten tot oorzaak heeft gedacht; als men goed nagaat is de weg, die de ziel bij de herinnering, d.i. bij het opzoeken van oude indrukken, aflegt, aangewezen door vooraf­gaande gedachten. Ik ben overtuigd en die over­tuiging is begrijpelijk, dat als men alles wist, men geen enkele beweging der ziel, geen enkele gedachte of herinnering spontaan zou kunnen noemen. Dus moet ik aannemen, dat de mensch geen vrijen wil heeft, dat zijn ziel afhankelijk is van zijn lichaam en ook onafscheidelijk daarvan. Dat de ziel nooit vergaat leert ons dan ook de wet van het behoud van arbeidsvermogen.       

Tot zoover ben ik gekomen met mijn overpein­zingen. Ik ben nog te dom om meer omstandigheden te kunnen combineeren, die mijn gedachten zou­den kunnen verduidelijken. En dan gaan zij ook op een terrein, waar menig raadsel, wel voor altijd voor ons onopgelost zal blijven en waar men dus niet meer kan doen dan het oppervlakkig waar­schijnlijke aan te nemen

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-03-2010 14:24