Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

HET POORTJE

OF

DE DUIVEL TE KRUIMELBURG

 


PERSONEN:

-------

 

In het Voorspel.

De STEDE MAAGD VAN KRUIMELBURG.

MEPHISTO.

 

In het Stuk.

 

ANNEBET KLUIJT.

LEENT JE KLUIJT.

De HEER DANVILLE, Schilder.

ALICE DANVILLE, zijn Dochter.

De HEER VAN KRENTEN, burgemeester der Stad.

MEVROUW VAN KRENTEN.

FRANK VAN KRENTEN, med doct., hun zoon

AALTJE, volmaakte en zuinige keukenmeid bij de dames KLUIJT.

De HEER GOUDKATER, handelaar in antiquiteiten.

De HEER KAKELBERG, ijzerfabrikant.

MEVROUW KAKELBERG.

JACOB, huisknecht bij VAN KRENTEN.

AGENTEN VAN POLITIE, VOLK.

 

 

 

------

Voorwoord van de auteur
Voorspel
Eerste bedrijf
Tweede bedrijf
Derde bedrijf
Vierde bedrijf
Vijfde bedrijf

------


Arm Poortje! Zoo is de wereld !

Gij hebt een jonger broertje, dat ge altijd als uw mindere beschouwd hadt, want het was luchtiger en oppervlakkiger. Ook uw vader gaf U de voorkeur, - gij hadt hem meer zorg gekost en daardoor meer van zijn liefde gewonnen.

En ziet ! het broertje, dat slechts als uw voorlooper was bestemd, komt onder veel gerucht in de wereld. Het wordt besproken, beschreven en bekranst, en die eer verdiende het niet zoozeer door innerlijke waarde, als door zijn toon­baarheid en aardige vormen.

Maar gij ! Arm Poortje, voor u niets van dat alles. Geen handgeklap, geen kransen, - niemand, die u voor 't voetlicht ten doop wil houden. Men zegt, dat gij te linksch, te onhandelbaar zijt, dat het publiek u zou uitlachen. Want het publiek hecht veel aan het uiterlijk en al stondt ge nog zooveel hooger dan uw broertje, toch zult ge veel minder toejuiching verwerven, omdat gij de vormen mist, die hem den weg tot de voetlichten bereiden.

Ja, mijn kind! zonder handigheid en handelbaarheid is het moeielijk vooruit te komen in de wereld. Wie met opgeheven hoofd en vooruitzienden blik naar zijn doel wil schrijden, trapt op zooveel gelikdoornde teenen, dat hij meestal spoedig weer naar den grond kijkt, uit vrees eindelijk over een wraakzuchtig uitgestoken been te vallen.

Wie weet hoe ze u nog zullen mishandelen, al meent ge het nog zoo goed. Waar ge ondeugden aanvalt, zal men zeggen, dat ge personen op het oog hebt, en waar ge de laagheid tracht te bestrijden, zal men u zelven lage spotlust verwijten. Hoe weinigen gelooven, dat er geen boosaardig opzet schuilt achter elk woord, dat hen onaangenaam treft. Een kind beschouwt een spons met water als een voor hem uitgedacht foltertuig en kleingeestige menschen achten een weldadige regenbui tot niets goed dan om hun hoed te bederven, als ze zonder parapluie zijn uitgegaan.

Weest getroost, Poortje! onder mogelijke minachting van dezulken. Er zijn er ook velen, die niet een geheele land­streek vervloeken, al vliegt er hun één scherpe zandkorrel van in 't oog.

Ik zal mij de verwijten, die gij u op den hals haalt, wel zeer aantrekken en ten nutte maken, maar slechts dan, als de bron, waaruit zij komen, niet troebel is geworden door vooroordeel en lichtgeraaktheid.

Ik wil de leer, die ik u meegaf, ook zelf in toepassing brengen:

"Tracht niet den meesten, maar den besten te behagen !"

 

F. v. E.

Bij den tweeden druk.

In 1897, dus veertien jaren nadat dit stuk door de Koninklijke Vereeniging: "het Nederlandsch Tooneel" was geweigerd, is het door het Rotterdamsch gezelschap de Vos & van Korlaar op vele plaatsen van ons land met succes vertoond. Dit geschiedde zonder dat ik was verzocht mij met de regie te bemoeien. Ondanks dat ik dus niet in de gelegenheid was dezen arbeid uit mijn 23ste jaar zooveel doenlijk te verbeteren, ondanks het verlies van actualiteit, ondanks een uitvoering zonder mijn medewerking en in vele opzichten zeer gebrekkig, heeft het stuk voldaan. Beter verzorgd, zal het waarschijnlijk thans nog voldoen.

            Maart 1906.                                                                                               F. v. E.





Het Poortje.

 

VOORSPEL.

 

Het tooneel stelt een stadsgezicht voor, op den achter­grond het Poortje. 't Is donker.

De Stedemaagd van Kruimelburg komt op, een be­daagde juffrouw met de stedelijke kroon, in 't wit ge­kleed. Ze heeft bril en breikous, spreekt zeer langzaam en deftig.

 

STEDEMAAGD.

In zoete sluim'ring rust mijn dierb're stad,

Vol stille vreedzaamheid. Mijn daaglijksch pad

Wordt door geen wakend schepsel meer gestoord

En geen gerucht door 't luistrend oor gehoord.

            Men hoort een nachtwacht kleppen en roepen: "Twaalf hait de klok:'

Ja toch! de nachtwacht klept en meldt den tijd

En waakt getrouw, opdat door zorgloosheid

Eens Kruimelburgers, met zijn vuur of licht,

Geen brand of grooter onheil word' gesticht.

O wakkre klepperman, ik sta u bij !

Ook ik zorg voor het heil der burgerij ;

Wanneer de slaap hen neerstrekt op hun sponde,

Doe 'k ongezien mijn nachtelijke ronde

Reeds eeuwen lang, en 't heugt mij waarlijk niet,

Dat ooit iets onbetaamlijks is geschied.

O Kruimelburgerij, den langen tijd

Dat ik aan uw belang mijn zorgen wijd,

Hebt gij nooit reden tot verdriet gegeven

Uw vreedzaamheid is boven lof verheven,

Uw stille vlijt is zonder wederga,

In spaarzaamheid volgt gij uw vaadren na.

Gij hebt, naar 't wijze woord, door hen gesproken,

Een zwavelstok in drieën steeds gebroken,

Als vader Cats op kleintjes steeds gelet

En huizen als kasteelen neergezet.

Op uwen Raad zijt gij met reden fier,

Vooruitgang ! is de leus op hun banier,

Maar . . .. steeds getemperd door 't gezond verstand.

Zoo werd mijn stad een sieraad van het land,

Waar harmonie en vrede heerscht alom,

De steun en vreugde van mijn ouderdom!

            Zij wandelt verder. De nachtwacht klept in de verte. Mephisto verschijnt ongemerkt boven het poortje

De laatste voetstap heeft de straat doorklonken

En alles is in zaalge rust verzonken,

Voor korten tijd van 's levens last ontheven

Ligt Kruimelburg der sluimer prijs gegeven,

Zacht komt de slaap op 't vreedzaam leger dalen

Der Kruimelburgerij, ik hoor hen ademhalen.

Moog ongestoord en liefelijk hun rust zijn!

Hoe hartverheffend is voor mij 't bewustzijn

Voor zooveel deugd en spaarzaamheid te waken!

Moog ramp noch kruis hun legersteê genaken!

            Mephisto blaast haar iets tegen den neus uit een blaaspijp.

Ai, wat is dat? Kan dat een vogel zijn?

Of is 't een steen? Ik voelde een felle pijn.

            Beziet het voorwerp.

Het riekt zeer kwalijk, - moet ik waarlijk denken

Dat iemand hier met opzet mij wil krenken?

Ai, ai !

 

MEPHISTO, lacht.

            Ha, ha!

STEDEMAAGD, ontdekt hem.

            Help! Hemel! is dat schrikken.

MEPHISTO.

Nu tante! Zeg eens dat ik niet kan mikken!

STEDEMAAGD.

Welk aaklig monster, hu! wat valsche grijns !

MEPHISTO.

Ik stoor u toch niet in uw zoet gepeins?

STEDEMAAGD.

Wie zijt gij - die zoo lomp en onbeschaamd

Mij hier bejegent? is dat als 't betaamt

Een dame toe te spreken van mijn jaren?

Nog nimmer is zoo'n smaad mij wedervaren.

MEPHISTO.

Och kom, is u zoo oud? U kan 't niet meenen !

STEDEMAAGD.

Wie werpt een eerb're vrouw op straat met steenen?

Wel foei !

MEPHISTO.

't Zijn keutels, tante !

STEDEMAAGD, met afgrijzen.

                                                                                  't Is horribel!

MEPHISTO.

Ik heb er nog een zak vol disponibel.

Ik meende wel, dat deze projectielen

't Best in den geest van uw omgeving vielen.

STEDEMAAGD.

Van hier, gij mensch of monster ! wie ge ook zijt !

MEPHISTO.

Hoho ! zoo spoedig raakt gij mij niet kwijt.

STEDEMAAGD.

Zelfs voor den duivel zijt gij niet te schoon.

MEPHISTO.

Geraden, tante! ik ben hem in persoon.

STEDEMAAGD.

O jammer, O ellende, ik ben verloren.

Rampzalige stad ! welk lot is u beschoren.

O Kruimelburg, de duivel in uw wallen !

MEPHISTO.

Het stadje zal mij wonderwel bevallen.

STEDEMAAGD.

De Satan in uw poort ! wie zal het onheil keeren?

            MEPHISTO.

Ik denk mij hier eens kostlijk te amuseeren.

STEDEMAAGD.

Ach, waarom zoekt gij juist dit stadje uit.

In wéreldsteden vindt gij rijker buit.

MEPHISTO.

Het was hier veel te idyllisch naar mijn zin.

STEDEMAAGD.

Hier is slechts plaats voor liefde en naastenmin.

Laat ons in vreé! Geloof mijn ondervinding.

Gij vindt geen prooi hier.

MEPHISTO.

Goedige verblinding!

Dacht gij, dat van uw twintigduizend zielen

Geen paar ten minste in mijne handen vielen?

STEDEMAAGD.

Laat hen met rust, ze zijn zoo stil, zoo zoet.

MEPHISTO.

Dat 's juist het soort, waarvan ik 't hebben moet.

STEDEMAAGD.

Hun handel en hun wandel is zoo rein!

MEPHISTO.

En ach, hun geestjes zijn zoo klein, zoo klein!

STEDEMAAGD.

Heeft een van hen iets in uw weg gelegd?

MEPHISTO.

Wel neen! want had mijn atlas 't niet gezegd.

'k Had op die kleine zieltjes nooit gelet.

Maar 't is een slappe tijd, en voor de pret

Breng 'k maar wat leven in de brouwerij.

STEDEMAAGD.

Ach Satan, hoor mijn smeeken, ga voorbij !

MEPHISTO.

Zwijg, oude kneu! 'k Heb menschenvleesch geroken,

Ik zal een aardig vuurtje hier gaan stoken,

Eén twistvonk slechts, en lustig brandt het voort.

STEDEMAAGD

O, moog dat vonkje spoedig zijn versmoord!

Nooit zal hier 't vuur der tweedracht willen branden.

MEPHISTO.

Nu, brandstof is hier toch genoeg voorhanden.

Bekrompenheid alom. . .

STEDEMAAGD.

            Gij lastert, Satan!

Denk aan mijn burgemeester ! - en mijn Raad dan!

MEPHISTO.

O, grootheidswaan is olie in het vuur!

Die hoort bij een kleingeestige natuur.

STEDEMAAGD.

Mijn burgemeester klein! - Wie is dan groot?

Wie redt mijn stad uit dezen schrikbren nood!

Kan niemand in uw oog genade vinden?

MEPHISTO.

Vooral geen ingebeelden of verblinden.

STEDEMAAGD.

Is niemand veilig voor uw felle woede?

MEPHISTO.

Neen, lieve schat, wees zelf maar op je hoede.

Maar kom ! ik gooi het graag op een akkoord.

Ik zweer je plechtig op mijn duiv'lenwoord,

Dat 'k ieder zieltje nog op 't laatst zal sparen,

Dat eerlijk zich voor schuldig durft verklaren.

Want kleinheid gaat als de eenvoud ras te niet

Wanneer men zelf zijn eigen kleinheid ziet.

Hoe dunkt u thans, ik maak het nog al wel?

STEDEMAAGD.

Heb dank voor uw erbarmen, vorst der hel!

MEPHISTO.

Haha! dank jij den duivel. malle prij!

Als een het deed, dan was mijn rijk voorbij.

Ik ken dat kruimelzoodje veel te goed,

Dat heeft niet te over van moreelen moed.

            De torenklok slaat één.

Die klok is voor.

            haalt zijn horloge uit.

Te drommel, neen! 't is tijd.

Nu! 't blijft zoo, tante ! hij die schuld belijdt

Krijgt gratie. - Ha ! ze zullen branden ! branden !

            verdwijnt in vuur en vlammen.

STEDEMAAGD.

Ach hemel! red mijn stad uit 's boozen handen,

Bedreigde burgerschaar ! bevestig mijn vertrouwen,

Op uwe kracht en deugd blijf ik mijn hope bouwen.

Beschaam des duivels list en booze snoeverij,

Zoodat zijn nederlaag u zelf tot glorie zij !

 

Einde van het voorspel.

 

 

 

EERSTE BEDRIJF.

 

Het tooneel stelt een net gemeubileerde kamer voor bij de dames Kluyt. Leentje Kluyt teekent aan een schildersezel naar een Apollo. Annebet komt op met hoed en zijden mantille, een kerkboek onder den arm.

 

ANNEBET .

Leen, ik zal dan maar gaan. Dat kan ik nog juist bij­wonen voor de visites komen. Vindt je 't goed, Leen?

LEEN.

            Zeker, Annebet, heel goed.

ANNEBET.

            Maar als je er iets tegen hebt....

LEEN.

Wel neen!

 

ANNEBET.

Ja, zie je, 't zal wel heel mooi zijn. 'n Bijbellezing weet je, en dat doet Maalman altijd zoo verrukkelijk. 't Zal heusch wel voor de visites afgeloopen zijn, en hij zou mij zoo missen als ik niet kwam. Daarom wou ik nu maar even gaan.

LEENTJE.

Wel, doe jij dat dan.

ANNEBET.

Je vindt het zeker niet vervelend, alleen te huis te blijven?

LEENTJE.

O, in 't geheel niet.

ANNEBET

Ja, ’t zou wel goed zijn als je meeging, voor je ziel vooral. Maar er moet toch iemand voor den advocaat zorgen, niet waar ?

LEENTJE.

Wel zeker.

ANNEBET.

En dan zou immers dat meisje hier komen, dat doch­tertje van je ouden vriend Danville. Die moet toch ook iemand thuis treffen. Haar hoed vaststrikkend voor den spiegel. Zeg Leent je, zou je denken, dat wij pleizier van dat meisje zouden hebben?

LEENTJE.

Wel zeker, Danville vertelt altijd veel goeds van haar.

ANNEBET.

Ja, maar zou ze 't ware geloof wel hebben? Daar ben ik wel een beetje bang voor. 't Is met dien vriend van jou ook niet zoo heel pluis. Ik heb hem ten minste wel eens zondige dingen hooren zeggen, en dan die heiden­sche beelden die hij je laat uitteekenen, die hebben me eigenlijk al lang geergerd. Ik wou dat je toch eens begreep, hoe verkeerd je daarmeê doet, ik heb je al eens meer gezegd, ik vind die beelden onbetamelijk en goddeloos, en als je oudere zuster moet ik je waarschuwen, dat je op 'n verkeerden weg bent - je zult nog eens op je sterfbed berouw krijgen en aan me denken.

LEENTJE.

Maar, mijn hemel! Annebet, ga nu toch naar je bijbellezing. Daar speelt het al één uur, je komt stellig te laat.

ANNEBET.

Ja, 't is waar ook. Vindt je dien hoed nog goed genoeg om mee te gaan ?

LEENT]E.

O, keurig. - Maar 't is al over eenen.

ANNEBET.

Gunst, ja, ik moet weg. Nu, ik ga dan maar – tot straks, hoor. Je vindt het toch goed?

LEENTJE.

Best. Ga nu maar.

ANNEBET.

Hoe heet dat meisje ook weêr?

LEENTJE.

Alice. - Je zult de tien geboden misloopen, Annebet.

ANNEBET.

Neen, dat in 's hemelsnaam niet. Nu, adieu dan. Denk je om de schuimpjes, daar houdt Maalman zoo van. Af.

LEENTJE.

Ziezoo ! dat geeft weêr een uurtje rust. Ik zal nu maar blijven teekenen tot Danville komt - dan ziet hij dat ik zijn kunst ten minste nog in eere houd. Het gaat wel ongelukkig, stumperig en knoeierig, maar zoo is nu eenmaal mijn geheel bestaan, alles stumperig en knoeierig. En dan komt Danville met zijn groote handen en flinke manieren en zegt: niet breed genoeg, niet breed genoeg, en in twee strepen doet hij wat ik door een eindeloos gepeuter niet heb kunnen geven. Ach! dat breede, dat ferme, waar haalt hij dat vandaan? Ik ben nieuwsgierig naar zijn dochter. Zou die "breed" zijn aangelegd. Ik vrees voor moeielijkheden. Zij is lang in Parijs geweest en is alles zoo geheel anders gewoon. - Ze zal moeite hebben met Annebet. Die wil van Parijs niets weten. Ik wel. Ze moet er mij veel van vertellen. Als ze zich maar schikken kan in onze eenvoudige gewoonten. Maar ik vrees, ik vrees... Er wordt gescheld. Daar heb je ze. Wat zal het geven.   

            Danville, een flink man met korten grijzen baard, grijs haar, los gekleed, in een fluweelen colbert, en zijn dochter, net en eenvoudig gekleed, komen binnen.

DANVILLE.

Wel, wel! Zoo mag ik het zien. Heeft mijn trouwe discipel het vaandel der kunst omhoog weten te houden in de stormen van haar leven ? Dat doet me genoegen, dat is een voldoening voor me. Hij drukt haar de hand. Hoe gaat het, beste Leen, hoe gaat het? Het zullen hier wel stormen in een glas water geweest zijn, niet waar? Haha ! Ze hebben je ten minste niet gedeerd, zie ik. Alice, hier zie je je aanstaande gastvrouw, en hier zie jij den lastpost, dien je met je onverantwoordelijke goed­heid weér op je hebt genomen.

ALICE.

Ik hoop u te kunnen toonen, lieve juffrouw, hoe har­telijk ik het van u vind.

LEEN.

't Is mij heel aangenaam, juffrouw.

DANVILLE.

Kom, Leen, ben je mal? Noem het kind bij haar naam.

Ze heet Alice.

LEENTJE, bedrijvig.

Gaat u zitten, juffrouw Alice. Hier, neemt u dezen stoel, die is makkelijker. Hier is een bankje. U zult wel honger hebben van de reis. Wat mag ik u eens geven?

ALICE.

Maar, juffrouw, u moet niet beginnen mij zoo te ver­wennen. Ik heb ook werkelijk nog geen honger.

LEENTJE.

Kom, neemt u toch 't een of ander. Een boterham met vleesch of kaas?

ALICE.

Neen, werkelijk niet, dank u.

LEENTJE, haalt een trommeltje.

Maar een schuimpje dan toch wel.

DANVILLE.

Leen, Leen, je bent nog de oude, hoor. A ! schuimpjes, ik dweep met schuimpjes. Hij houdt er een omhoog Alice, kindlief, laat ik je bij je terugkomst in dit land er aan herinneren, dat niet alles hier zoo smakelijk en licht te verteren is als dit rooskleurig schuimpje.

ALICE.

Wel, papa, het ziet er mij juist hier nog al roos­kleurig uit.

LEENTJE.

Ja, juffrouw Alice, ziet u, 't is hier geen Parijs.

DANVILLE.

Onthoud het, mijn kind, Kruimelburg zal je wel wat anders dan schuimpjes te slikken geven. Ziet de teeke­ning. Nu, Leen, dat is knap geteekend voor jou doen. Heel aardig, heel aardig, altijd nog een beetje... Zie je . .. een beetje... Hij maakt een eigenaardig gebaar. niet d a t, weet je, 't is niet d a t!

LEENTJE.

Ach ja, dat zal het ook wel nooit worden.

DANVILLE.

Kom, Leen, niet zoo moedeloos. Als je vrome zuster dat nu nog zei. A propos, hoe gaat het daarmêe ­zeker in de kerk, niet waar?

LEENT JE.

Ja, bij Maalman.

DANVILLE.

Natuurlijk, natuurlijk! - Alice, kind, 't is jammer, dat je je al aan een ander hebt toegezegd, dat zou nog eens een man voor je zijn. Ieder dweept hier met hem.

LEENTJE.

Wat, is de juffrouw al geëngageerd?

ALICE.

O ja, als u 't zoo noemen wil, maar 't is nog een geheim.

DANVILLE.

't Is bepaald jammer. Haha ! Dan kreeg je een witte das en een plaats in den hemel op den koop toe. Ver­beeld je, Alice, die man is hier zoo bemind, dat er niets prettiger voor hem is dan ergens anders beroepen te worden.

ALICE.

Dat klinkt wonderlijk. Hoe zit dat?

DANVILLE.

Wel, dan doet hij alsof hij het aan zal nemen, en dan komt de heele gemeente met geschenken aandra­gen om hem te laten blijven. Dan bedenkt hij zich na­tuurlijk.

LEENTJE.

Foei, foei ! - als Annebet je hoorde. Nu moet u mij even excuseeren, maar ik heb nog zooveel te doen. Ik zal u even alleen moeten laten. Ik wacht visites en moet advokaat maken.

DANVILLE.

Advocaat? Er is toch niemand jarig, wel? Wat zeg je ! Jij toch niet, mijn brave Leen ! Ik wensch je van harte geluk.

ALICE.

En ik, beste juffrouw.

LEEN.

Dank u, dank u.

DANVILLE.

Maar wou je nu wegloopen ? Daar komt niets van, hoor. Haal den hee1en rommel maar hier. Dan zullen wij meêhelpen, niet waar, Alice? Jij slaat de eieren stuk, Leen gooit den brandewijn bij en ik zal klutsen. Bravo!

LEENTJE.

            Maar dat gaat toch niet. Als er eens iemand kwam?

ALICE.

    Wel, dat gaat uitstekend, juffrouw.

DANVILLE.

   Al kwam de heele kerkeraad. Gauw maar, Leen! Ik brand van verlangen      om te klutsen. Leen af.

ALICE.

  Wat is ze goedig !

DANVILLE.

  A ! Ze is de beste hier van allen.

ALICE.

  Dat is te zeggen . . . .

DANVILLE.

  Nu ja, op één na natuurlijk. Er wordt geklopt. Binnen!

  Frank komt binnen.

ALICE.

            Frank ! Zij omhelst hem.

FRANK

Wel, mijn lief, lief meisje, ben je daar werkelijk? Wat heeft dat lang   geduurd sinds je laatsten brief! Weet je nog? Het is bijna een heel jaar dat ik je niet zag.

ALICE.

Maar nu is die eindelooze tijd toch om en nu ben ik hier en b l ij f ik hier, ten minste, Frank! als het goed blijft gaan met de praktijk.

FRANK.

O kind, dat zal het zeker, zeker. Neem mij niet kwa­lijk, beste schoonpapa, dat ik u zoo gauw niet zag. Hoe gaat het? Ik dank er u voor, dat ge uw dochter zoo on­baatzuchtig hier in mijn handen hebt gevoerd.

DANVILLE.

Hei, hei ! pillendraaiertje ! Zoo ver zijn we nog niet, ik ben je schoonpapa nog niet. Wat zegt je hoogedelachtbare vader er wel van?

ALICE.

Maar papa!

FRANK.

Ik heb het hem nog niet verteld. Menschen als papa moet men voor een voldongen feit stellen, anders bedenken ze zooveel raadgevingen en wijze lessen, dat zij eindigen met het geheel af te raden.

DANVILLE.

Zoo, je hebt een gedécideerde opinie omtrent je vader.

En wanneer wil je het hem dan openbaren?

FRANK.

Nu, hij komt van middag.

DANVILLE.

A, ik begrijp het. Je wilt plotseling opstaan, Alice bij de hand nemen en voor je beide ouders knielend, hun den zegen vragen.

FRANK.

Juist !

DANVILLE.

Je ouders zijn dus van een romantische natuur.

FRANK.

O ! wild romantisch !

ALICE.

Frank, Frank ! dat is niet goed. Waarom spot je nu daarmee? Ik ken je uit je brieven beter.

FRANK.

Ja, een gesproken woord ontsnapt sneller, Alice. Maar in elk geval zullen we comedie spelen en elkaar een poosje mijnheer en mejuffrouw noemen, totdat ik het sein geef. Zul je je goedhouden, kind? Ik moet nu nog even een visite maken, ik kwam maar even. Adieu !

ALICE.

Zal ik even met je den tuin doorgaan, gauw dan.

DANVILLE.

Tot straks kinderen. Houd je goed aanstonds, Frank. Dat noemden wij vroeger: "elkaâr Mietje noemen." Haha! Frank en Alice af.

DANVILLE.

Arme Frank, ik begrijp het geheel. Het is zeker niet alles zich zwaan te voelen en door eenden te zijn uitge­broed.

LEENTJE,

met kom, lepels, zet een mandje met eieren op een stoel.

Hé, waar is de juffrouw?

DANVILLE.

Die wandelt in den tuin ! Maar als je haar nog eens juffrouw noemt, ga ik op je eieren zitten.

LEENT JE, lachend.

Neen, in 's hemels naam niet, ik zal Alice zeggen.

DANVILLE.

Geef me maar hier. Ze breken eieren. Danville klutst zingende:

            Er lagen zeven eiertjes

            Al in een witte kom,

            Toen kwam er een man met vorken aan,

            Die sloeg ze om en om.

Zeg, Leen!

LEEN.

Nu, wat is er?

DANVILLE.

Weet je wel dat je in 't bezit bent van een prachtig kunstwerk? - Niet? - Nu, toen ik zooeven je tuin doorliep om hier naar 't huis te gaan, viel mijn oog op dat allerliefste poortje, aan den ingang. Waarachtig, dat is een stuk van groote waarde. Niet alleen dat het gebouwtje zelf als geheel alleraardigst in elkaâr is gezet en stellig van een van de beste oud-Hollandsche ofVlaamsche bouw­meesters is, maar alle steenen afzonderlijk, en vooral die middensteen met dat Madonna-kopje er op, zijn zoo mooi versierd en zoo keurig afgebeiteld, dat menig museum van oudheden er schatten voor zou geven, wanneer tenminste de leelijke verflaag er af was, die de fijne teekening bijna onherkenbaar maakt.

LEENTJE.

Hé, daar heeft niemand hier ooit op gelet behalve u. En is dat een Madonna op dien steen, een maagd Maria?

DANVILLE.

Zeker, Leen, het poortje is heel oud en heeft waar­schijnlijk aan een Roomsch gesticht of gildehuis behoord. Je moogt het wel in eere houden, het is een prachtig gedenkteeken van oude kunst. Is het je eigendom, Leen?

LEENTJE.

Neen, eigenlijk hoort het aan de stad. Maar daar het bij onzen tuin behoort, is het aan ons verhuurd. We betalen een kleinen huurprijs. De stad moet het onder­houden.

DANVILLE.

Dus de stad mag het niet laten wegnemen?

LEENT JE.

Neen, als wij niet willen, in de eerste drie jaar niet.

DANVILLE.

Maar komaan, wij vergeten onze advokaat.

LEEN'IJE.

Ja, er kan al visite komen, 't is al bijna de tijd.

DANVILLE.

Vooruit dan ! op nieuw klutsend.

Daar lagen zeven eiertjes...

AALTJE.

Juffrouw, daar is meneer en mevrouw Kakelberg.

LEENT]E.

Och hemel, daar heb je 't al. Zet in groote agitatie stoelen, karaffen, glazen enz. klaar.

DANVILLE tegen AALTJE.

Laat hen maar voor den draad komen.

Beiden slaan op. Mevrouw Kakelberg komt binnenstuiven.

Ze is klein, heeft een zijden mantel, veel gitten in haar hoed en een rood gezicht. Mijnheer Kakelberg is stijf en burgerlijk, lacht steeds zeer minzaam.

MEVROUW KAKELBERG spreekt zeer rad.

Wel, mijn lieve Leent je, wat doet het mij een genoe­gen je te kunnen féliciteeren met zulk een gewichtigen dag. Het moet heerlijk zijn zoo'n dag zoo te vieren, omringd door al degenen, die je lief hebben, en vooral wanneer men zoo bemind is. Ja, ja, Leent je ik weet er meer van dan jij, hoor! Maar je verdient het, dat zal ik altijd blijven zeggen. Niemand verdient het meer dan Leentje Kluijt. Tot Danville. Mijnheer!

LEENTJE.

Mijnheer Danville, schilder. Meneer en mevrouw Ka­kelberg.

MEVROUW KAKELBERG.

A ! is u schilder? Allerinteressantst vak. Ja, niet waar, Leentje, ik heb altijd gezegd: Een schilder, een artist, dat is altijd een ander mensch als een ander. Daar heb je nog eens wat aan. Zoo'n man heeft altijd geniale ideën - zoo iets enfin, u begrijpt me wel.

Neen ! als ik geen fabrikant had, zou ik een schilder willen hebben.

DANVILLE.

Wel ! Wel !

MEVROUW KAKELBERG.

Och, u zult het wel een beetje mal vinden, dat ik het u maar zoo ronduit zeg.

DANVILLE.

A ! hoe zou ik....

MEVROUW KAKELBERG.

Bij mij heeft altijd het hart op de tong gelegen, weet u. En menschen, die van het kunstgenie zijn geperforeerd, zijn immers zulk een openheid gewoon. Niet waar, lieve Leen, jij bent immers ook een volgeling van de nymphen der teekenkunst ? Heet het niet zoo? Ach ja, ik ben ook zoo dom, mijnheer de schilder. In mijn tijd werden die dingen zoo slecht onderwezen, en als huisvrouw…   u begrijpt . .. Daar heeft u bij voorbeeld Engelsch, dat heb ik heelemaal mezelve moeten leeren - zoodat laatst een Engelsche meneer, die met mijn man over zaken kwam spreken, vroeg of ik in Engeland was geweest. U moet bij gelegenheid eens komen zien wat ik geteekend heb, dat belooft u, niet waar, mijnheer de schilder? Alleen maar voor de aardigheid natuurlijk.

MIJNHEER KAKELBERG.

Wel, mejuffrouw Kluijt, verwacht u den heer van Krenten heden nog?

LEENTJE.

Ja, ik hoop wel dat de burgemeester nog komen zal.

MIJNHEER KAKELBERG.

Een uitstekend mensch!

LEENT]E.

O ja, bizonder vriendelijk.

MIJNHEER KAKELBERG.

Een weinig arrogant.

MEVROUW KAKELBERG.

Neen, Kakelberg, dat moet je niet zeggen. Hij is goed, maar zijn vrouw - daaraan erger ik mij nog dood, die aanmatiging en inbeelding, en dan die malle kostuums. Neen, als ik soms bedenk, wat akelige menschen er leven, dan word ik wel eens melankoliek. Natuurlijk wil ik dat niet lang laten duren, dan zeg ik maar op eens: Kom, mevrouwtje, moed gevat! en dan ben ik weêr klaar.

DANVILLE.

Merkwaardig, merkwaardig! Waar haalt u die zielegroot­heid vandaan.

MEVROUW KAKELBERG, verheugd.

O die artisten ! altijd vol poezie. Alice komt binnen. Kakelberg staat op.

ALICE.

Neem mij niet kwalijk, juffrouw Kluijt, ik heb mij even verfrischt.

LEENTJE.

Mijn Parijsche logée. Meneer en mevrouw Kakelberg.

Buiging.

MEVROUW KAKELBERG.

Est  ce que vous parlez déjà le Hollandais, mademoiselle?

ALICE

O wel zeker, mevrouw ! dat heb ik nooit verleerd. Ik ben een Hollandsche.

MEVROUW KAKELBERG.

Welkom ! u zag er uit als een volmaakte Parisienne.

ALICE.

Dat spijt mij, mevrouw. Ik wilde er graag als een vol­maakte Hollandsche uitzien.

DANVILLE.

Dan moet je je zeker dadelijk een hoed met wiebel­dingen aanschaffen. Zij wijst op een dergelijken van me­vrouw Kakelberg Hoe noemt u die weemoedig bungelende massa, als ik vragen mag, mevrouw?

MEVROUW KAKELBERG.

Lieve deugd, mijnheer, dat zijn gitten. Die draagt men als de eerste jeugd voorbij is. Zoo als bij mij

DANVILLE.

Kom! Mevrouw! u schertst! Annebet komt binnen met Maalman.

ANNEBET.

Wel, wat spijt mij dat, zoo laat te komen ! Ik had niet gedacht al zooveel visites te zien. Zij buigt voor de visite. Mevrouw, mijnheer!

DANVILLE.

U heeft wel veel misgeloopen, juffrouw Kluijt.

ANNEBET, uit de hoogte

Dag, mijnheer de schilder! Ik heb volstrekt geen be­rouw over het zoo even doorgebrachte uur. O, mevrouw! het was weêr. .. verrukkelijk.

MAALMAN , zalvend.

Waarde juffrouw Kluijt, het is mij een genoegen u geluk te wenschen met dezen dag. Moge de Heer der heerscharen, zonder wien geen muschje op aarde valt, uwe dagen zegenen en vooral uwe oogen openen voor het ware licht, dat, naar ik geloof, nog altijd niet tot u door is gedrongen.

ALICE tot Annebet.

Juffrouw Kluijt mag ik mij even voorstellen. Ik ben Alice Danville

ANNEBET.

Ei zoo, juffrouw ! nu, het doet me veel genoegen u te zien. Dominé, hier is het jonge meisje, dat uit Parijs is gekomen.

MAALMAN.

Is u niet dankbaar, juffrouw, uit dien poel van zonde te zijn weggerukt?

DANVILLE.

Kom, kom! Is u er wel eens geweest, dominé? Of leeft u alleen in deze paradijslucht ?

MIJNHEER KAKELBERG.

Nu, een paradijs is het hier nog niet. Zoolang als Burgemeester en Wethouderen voortgaan op die manier de burgerij te beknibbelen en niets goeds tot stand te brengen, dan gaan we naar den kelder, gewoon naar den kelder. Let maar op wat ik u zeg. Ik heb ver­stand van zaken. Ik heb twintig jaar aan 't hoofd van mijn ijzerzaak gestaan en ik mag op het punt van administratie een woordje meêpraten. Maar met de gemeentezaken loopt het in ’t honderd, en wij krijgen de last er van.

DANVILLE.

Heffen ze zooveel belastingen?

KAK.ELBERG.

Neen, mijnheer, dat is niets, die moeten er zijn, maar ze brengen niets tot stand, ze potten op, ze potten op.

DANVILLE.

A zoo" zijn ze zuinig? Nu, door spaarzaamheid zijn wij Hollanders immers groot geworden.

KAK.ELBERG.

Neen, mijnheer, ze zijn niet zuinig, ze zijn vrekkig, vrekkig. . .. voor de stad altijd, voor zich zeI ven niet.

MEVROUW KAKELBERG.

0, u moest mevrouw van Krenten zien, 't is compleet een kermismensch, mijnheer, zoo gek kunt u het u niet voorstellen. Tol Annebel. Wist u wel, juffrouw, dat ze nog

een blauw zijden japon ook had?

ANNEBET.

Een blauw zijden? Neen. Ik ken maar vijf japonnen van haar. Dus dat is dan de zesde. Mijn hemel I

MEVROUW KAKELBERG.

Zes zijden japonnen. Ik kon ze u allemaal uitteekenen. Een kermismensch, zeg ik maar.

MAALMAN.

Het meest beklaag ik echter hun zoon, een jong mensch, die op jammerlijke wijze den verkeerden weg is opge­gaan en leeft zonder God of Zijn gebod. Ik moet u ernstig voor hem waarschuwen, juffrouw Danville.

ALICE.

Dank u.

AALTJE, aan de deur.

Juffrouw, daar is meneer en mevrouw van Krenten. Allen staan op. Mevrouw van Krenten komt plechtig bin­nen, door man en zoon gevolgd. Hij is verheven, heeft een zwarte stropdas en hooge boorden. Zijn vrouw heeft meer zwarte zijde en een hoed met meer gillen dan de anderen. Zeer deftig en verwaand uiterlijk.

ANNEBET.

O mijnheer de burgemeester, hoe vriendelijk van u!

VAN KRENTEN.

Dames Kluijt, mijn gelukwenschen. Dames en Heeren!

Rondbuigend. Ze nemen plaats.

MEVROUW VAN KRENTEN.

U treft een affreusen dag, juffrouw.

LEENTJE.

Och, het zonnetje van binnen.

VAN KRENTEN.

Juffrouw Kluijt is een verstandig mensch. Die beschouwt de zaken van haar lichtzijde.

MEVROUW KAKELBERG.

O, mijnheer de burgemeester, dat zeg ik nu altijd. Tot mevrouw van Krenten. Ik schijn toch altijd met uw man te moeten sympathiseeren, mevrouw, zoals laatst nog, u herinnert u wel....

MEVRROUW VAN KRENTEN keert zich om, tot Leentje.

En juffrouw, heeft u logés gekregen? Jacob, onze huis­knecht, vertelde, dat een rijtuig met een koffer voor uw deur heeft stilgestaan.

LEENTJE.

Zeker, mevrouw, mag ik u onze nieuwe logée voor­ stellen, juffrouw DanvilIe, uit Parijs.

MEVROUW VAN KRENTEN.

A, Parijs, een zeer lieve stad. Ik denk er altijd over, als mijn man aftreedt, een villa bij Parijs te betrekken. Valt het u hier niet tegen, juffrouw Danville, in het kleine Kruimelburg ?

ALICE.

O neen, mevrouw, ik vind het een allerliefst stadje. Ik ben verrukt door de aardige stadsgezichten en de grappige oude huisjes Mij dunkt het moet hier genoe­gelijk leven zijn.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Ja ! maar erg stil, er gebeurt haast nooit iets nieuws!

FRANK.

Ik heb nu anders juist een nieuwtje, dames

LEENTJE EN ALLE DAMES.

Wat dan, docter? wat dan?

FRANK.

Een engagement.

MEVROUW KAKELBERG.

O, vertel eens gauw, doktert je, van wie, van wie?

MEVROUW VAN KRENTEN.

Zijn ze van goede familie?

FRANK.

O uitstekend. Maar hij is rijk en zij is het niet.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Dus een mésalliance.

DANVILLE.

Wat noemt u een mésalliance, mevrouw?

 

MEVROUW VAN KRENTEN.

Wat een vraag, mijnheer! Als een jongmensch van familie zich weggooit aan een of andere opgeraapte schoonheid.

FRANK, tot Alice.

Gelooft u ook aan mésalliances. juffrouw Danville?

ALICE, zonder op te zien.

Zeker, mijnheer!

MEVROUW VAN KRENTEN.

Wel, natuurlijk!

ALICE.

Maar van een andere soort. Ik noem het een mesalliance als twee menschen zich verbinden zonder elkaar te kennen of te begrijpen.

FRANK.

Ik ben het volmaakt met u eens.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Maar Frank, telt afkomst en verleden dan niets bij je.

MIJNHEER VAN KRENTEN.

Zeker, zeker, afkomst legt ook gewicht in de schaal

DANVILLE.

Ach, mevrouw van Krenten, laten wij ons op onze afkomst en verleden niet beroepen. Heeft u wel eens een groene erwt gezien?

MEVROUW VAN KRENTEN.

Nu ja! Wat....

DANVILLE.

Welnu, er is een tijd geweest, mevrouw, dat gij - die daar thans voor ons zit, niet grooter waart dan een groene erwt. .. Eenige beweging onder de dames,... terwijl uw hooggeachte echtgenoot zelve eveneens niet meer was dan een klompje protoplasma.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Welk een grofheid !

MEVROUW KAKELBERG.

Shocking! Shocking!

VAN KRENTEN.

Gij zijt ongepast, mijnheer!

DANVILLE.

Ik spreek zuivere waarheid. Vraag het maar aan uw zoon den docter !

FRANK, vergoelijkend.

Nu ja ! mijnheer heeft zeker gelijk. Het komt in elk geval minder aan op hetgeen wij geweest zijn dan op hetgeen wij zijn. En de twee personen die ik op 't oog heb zijn in alle opzichten voor elkaar geknipt.

MEVROUW KAKEL BERG..

Is 't een beauté?

FRANK.

Ja, zeker. Zij altijd. Hij is een docter.

LEENT JE.

Och, docter, wie is het. U toch niet?

FRANK.

Zeker, juffrouw, ik ben het.

Uitroepingen van verbazing.

Wel ! wel ! Mijn hemel !

MEVROUW KAKELBERG.

Nu, docter, ik wensch u geluk. De liefde is een hemel op aarde en strooit rozen op ons levenspad, niet waar, man?

MEVROUW VAN KRENTEN.

Maar, Frank, is dat een gedrag tegenover uw ouders?

Hadt gij uw moeder zelfs niet in uw vertrouwen kunnen nemen? O, dat is hard ! Zij haalt haar zakdoek uit. Me­vrouw Kakelberg wil haar troosten. Zij duwt die tel­kens terug.

VAN KRENTEN.

Frank, ik vind uw houding zonderling en ongepast. Mag ik ook weten wat er van die zaak waar is? En wie is de gelukkige, als ik vragen mag?

FRANK.

De zaak is volkomen waar. En de gelukkige, als u haar zoo noemen wilt, hoop ik u dadelijk voor te stellen.

                                              MIJNHEER KAKELBERG.

U schijnt een romantische natuur te bezitten. Ja, die jongelui van tegenwoordig!

LEENTJE.

Maar docter, hoe is het zoo gebeurd?

MEVROUW KAKELBERG.

O, ik vind het zoo verheven poëtisch, zoo maar stil­letjes weg een meisje te vragen. En dan dat jawoord! O ! als ik daar nog aan denk. Och, mevrouw van Krenten, neem het uw zoon niet kwalijk, denk aan uw eigen jeugd.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Maar Frank, zou je nu ook eens vertellen, wie het is en hoe dat zoo geschied is ?

VAN KRENTEN.

Frank, uw vader verlangt gehoorzaamheid.

FRANK.

Wilt ge weten, hoe het geschied is. Welnu, ik zal het u toonen. Ik heb een lief meisje ontmoet, ik ben naar haar toegegaan, hij gaat naar Alice toe, ik heb mijn armen uitgebreid en gevraagd: Alice, wil je mij hebben?

ALICE, reikt hem de hand.

Wat graag, Frank!


DANVILLE.


Bravo!


VAN KRENTEN.

A, maar! dat gaat te ver !

MAALMAN tot Annebet.

Laat ons heengaan. 't Is goddeloos en onzedelijk.

MEVROUW VAN KRENTEN.

O, Frank, Frank! onze goede naam bevlekt door schreiend, een mésalliance!


 

Einde van het eerste bedrijf

 

 

TWEEDE BEDRIJF.

 

De tuin van de dames Kluyt, achter gesloten door een hek, waarin het poortje tot toegang dient. Links het huis met veranda. Een tuintafel met stoelen en een bouquet op den voorgrond. Mozes Goudkater blijft voor het poortje stilstaan builen hel hek en bekijkt het aandachtig. Hij is opzichtig gekleed met veel ringen en een grooten horlogeket­ting, pantalon, pieds d’ éléfant, pommadehaar. Men hoort het donderen als hij opkomt.

 

GOUDKATER.

Mooi is-ie! Bij m'n zaligheid! hij 's mooi! Kijk me dat middensteentje daar boven an. 't Is kompleet 'n ju­weeltje! Kijk 'es an, kijk es an! Nou, as de heeren van het museum dat zage. Drie duizend op z'n minst, alleen voor 't steentje, en de heele boel nog es zooveel. " Houd je mond, Mozes ! dat kenne goeie maze­matten worden. - Dat volkie hier weet niks van de kuns ! Maar Mozes heef z'n verstand. Wacht maar ! ­As ik de heele kraam niet voor 'n prikkie krijg, laat ik me dood rammetaren ! daar! - Houd nu je mond maar, zachies an! 't Is hier nog zoo wat van de ouwe sthempel ! Dat zie ik wel, dat benne van die vast ge­roeste, weet je, daar kan je lang mee poerperleeren. Maar die khies zal ik ze nog wel trekken. En dan mis­schien nog wat porcelein, dat zit hier ook nog wel ! En zoo'n oud klokkie ! Maar dat laten ze nog het minste los. Van dat poortje moet ik het hebben vandaag. Dat wordt een goed daggie, Moos! Aaltje komt in den tuin

Ach hemeltje, wat een lief kornetje ! daar zou je raar van worden over je gemoed! Guns ! guns ! wat 'n schnoe­perig diertje ! - Tot Aaltje. Wel, lieve hartje, ben je zoo es op de wandeling?

AALTJE.

Wou u de juffrouw gesproken hebben?

GOUDKATER.

Ook al, lieffie, maar ik heb voor jou eerst nog een woordje. Je ziet er me toch ook niet uit om bang te zijn voor een babbeltje. Khom, vertel me maar es wat.

AALTJE.

Wel, meneer, wat zou ik u vertellen?

GOUDKATER.

Wat je vertellen zult? Wou jij niets te vertellen hebben zoo'n lhievertje ! met zulke brillante oogjes? Kom, kom, laat na je khijke ! Heb je dan nooit niks daar gevoeld? Hij wijst op zijn hart.

AALTJE.

Och kom, meneer!

GOUDKATER

Wees me nou niet boos, schatje. Over what zal je boos zijn? Meen ik het toch goed met je. Wie zou et niet goed met je meene, zoo'n fijn meissie. Je bent zeker wel erg tevreden in je diens?

AALTJE.

O ja, zeker, mijnheer.

GOUDKATER.

Allemaal katteliek, is het niet?

AALTJE.

Heere bewaar ons! Neen meneer. Allemaal zuiver in de relisie. Vraag u ’t maar aan dominé Maalman.

GOUDKATER.

Och kom! Nu, dat 's ook maar het beste. Neen, zie je, ik doch het maar zoo, om dat beeldje.

AALTJE.

Welk beeldje meent u ?

GOUDKATER.

Wel, daar boven dat poortje, m'n hartje. Brengt haar buiten ‘t hek. Dat is zooveel als de maagd Maria, weet je !

AALTJE.

Och, och, dat heb ik nu warentig nooit der uit kun­nen begrijpen. Als dominé Maalman dat eens wist, zoo 'n zondig beeld ! 't Is schande ! En er staat nog wel in het zooveelste gebod: gij zult geen gesneden beelden aanbidden.

GOUD KATER.

Zoo, bidt jelui dan wel an dat poortje?

AALTJE.

Neen, maar toch, ziet u, 't is toch nooit goed voor een mensch z'n zaligheid.

GOUDKATER.

Neen, m'n kind, pas jij maar op. Zoo iederen dag

onder dat poortje doorloopen kon je nog wel eens in 't vagevuur brengen, dan nog daargelaten, dat ieder je voor Roomsch gaat houden.

AALTJE.

Neen, maar dat is nou toch heel akelig. En ik doe nog al zooveel om zalig worden. Driemaal Zondags naar de kerk en eens in de week naar de bijbellezing, en nou zou je toch maar zoo ongezien je zaligheid ver­spelen.

GOUDKATER.

Ja, meissie, onze Lieve Heer is secuur in de negotie, hij schenkt je geen halfie.

AALTJE.

Maar wat moet ik nu toch daaraan doen?

GOUDKATER.

Na ! dat zal ik gauw genoeg an je verstand brengen.

Wie heeft hier aan huis te commandeeren?

AALTJE.

Wel, de dames Kluyt.

GOUDKATER.

Allebei?

AALTJE.

Neen, eigenlijk maar één, ziet u. Hoe dat in elkaar zit, weet ik niet, maar de jongste is hier eigenlijk de baas. De oudste s pee l t wel eens de baas, maar juffer Leent je i s het toch maar

GOUDKATER, voor zich.

Opgelet, Moos ! Leent je moet je hebben!

AALTJE.

Het zijn geen echte zusters, weet u.

 GOUDKATER.

Na what? Niet echt? Ook al vervalscht !

AALTJE

Nu ja, ik bedoel halve zusters - en de jongste heeft.. . .

GOUDKATER.

Na ! juis - de moppen ! ik begrijp je. Dan mot je die jufter Leent je maar eens op er gemoed zien te werken, dat ze dat poortje wegnéemt. Is ze ook zoo zuiver in de godsdiens ?

AALTJE.

Nu, dat kon wel beter. Ik hoor althans de dominé daar wel eens over klagen.

GOUDKATER.

Begin dan met de dominé.

AALTJE.

O, maar juffer Annebet! die is de vroomheid in eigen persoon, die is al sikuur van haar plaatsje.

GOUDKATER.

Dan moet je die ook maar te hulp vragen. - Maar nu moet je mij ook een pleiziertje doen en juffer Leentje eens voor mij roepen. Hier is mijn kaartje - de heer Mozes Goudkater uit den Haag, je moet maar zeggen, dat ik van het hof van Zijne Majesteit den koning kom.

AALTJE.

Och, och, meneer, gaat u zitten, als 't u blieft.

GOUDKATER.

Goed ! Meissie, heb je bij geval ook een luien stoel in huis?

AALTJE.

Zeker, meneer, ik zal hem halen en de juffer gaan roepen. Af. Men hoort haar Leentje roepen.

GOUDKATER.

Dat vischje bijt... Och, poortjelief, wat zal ik je net­jes omhalen en inpakken. - We zullen het volkje hier wel voor mijn ploegje spannen. - Moos ! je bent een karakter ! je bent een karakter ! Och, as je vader dat nog beleven kon !

AALTJE komt met een stoel.

Hier heeft u 'n stoel, meneer, en de juffrouw komt dadelijk.

GOUDKATER gaat zitten.

Dank je, mijn schatje ! Hij haalt een foudraal met twee oorbelletjes uit. Kijk eens!

AALTJE.

Hè! hoe mooi !

GOUDKATER.

Allemaal ech ! allemaal brillanten van 't zuiverste water. Vorstelijk is het, vorstelijk ! 't Zou je sjarmant staan, liefie, in je rose oortjes.

AALTJE.

Neen, meneer, dat zijn ijdelheden, zegt dominé Maal­man, die passen alleen aan wereldsche meisjes, niet aan mij. En 't zal ook heel veel geld kosten.

GOUDKATER.

Wat het je kos? 't Kos je niks.. .. Ik geef je ze cadeau ! daar ! cadeau, heelemaal voor niks. Ter zijde. 't Kos me een kwartje, maar je moet een spierinkje uitgooien naar de kabeljauw.

AALTJE.

Maar meneer....

GOUDKATER.

Wil je niet? Geef dan maar weêr hier.

AALTJE.

Nu dan, ik zou het wel graag hebben, niet voor mij, och neen ! maar voor mijn nichtje, weet u, die is nog zoo wereldsch. En je moet wat geven en nemen.

GOUDKATER.

Neem jij dan deze keer maar eens. Voor zich. Straks kom ik aan de beurt. Aaltje af met het geschenk.

LEENTJE.

Wel, mijnheer, wat is er van uw dienst?

GOUDKATER, met veel strijkaadjes.

Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ik had al zooveel van u gehoord. . .

LEENTJE

Van mij?

GOUDKATBR.

Ja, van u - van uw mooien tuin en uw prachtig huis en uw porcelein.

LEENTJE.

Porcelein ?

GOUDKATER.

Zeker. .. en ik verklaar je, juffrouw, ik vin het hier choddelijk, choddelijk! en wat een fhijne bloemetjes! Heef u die zelf zoo geschik ? Wat een smaak! wat een smaak! Heef u ook iets te drinken bij geval? Hij gaat in den luien stoel zitten.

LEENTJE.

Ik zal u helpen. Zij gaat naar binnen. .Danville komt door het Poortje op, toont het warm te hebben.

DANVlLLE.

Brr ! wat is het drukkend ! Er broeit iets in de at­mosfeer. 't Is of ik een zwaveldamp ruik. A, bonjour, mijnheer !

GOUDKATER, zonder op te staan.

Dhag, mijnheer !

LEENTJE, komt met karaffen, glazen en een trommeltje.

Houdt u van advokaat?

GOUDKATER.

Ach ja ! advokaat.

DANVILLE.

Goeden morgen, Leen. Komt mijnheer je féliciteeren met den dag van gisteren?

GOUDKATER.

What ! is de juffrouw jarig gewees? Je welzijn, juffrouw, tot in het derde geslach. Hij drinkt.

DANVILLE, voor zich.

Dat is galant !

GOUDKATER.

Ik zal dan zeggen wat ik te zeggen heb. Ziet u dat poortje - een oud ding, zult u zeggen - 'k zal 't niet tegenspreken. Maar de menschen hebben rare grillen - en nu wou ik dan proponeeren - dat poortje voor u weg te nemen en er een lief modern hekkie voor in de plaats te zetten, met stijltjes en krulletjes.

DANVILLE, die bij net woord “poortje" is opgevlogen.

Wat wou jij doen, mijnheer? Aan dat poortje komen? En wel onderste boven gooien en meesleepen - en daar een ijzeren hekje zetten ! Denk je, dat je hier in een bewaarschool bent, mijnheer, dat je ons met open oogen voor den gek kunt houden? Zoolang als ik hier nog invloed heb, zal dat poortje daar blijven en u er door heen op de straat worden gezet, als u weer met zulke onbaatzuchtige voorstellen aankomt.

GOUDKATER.

Bedaar, man, bedaar. Niet zoo'n drukkie, als je blief! Ik ben geen schooier, meneer! En ik laat me niet de straat op zetten. As ik aan de juffer 'n voorstel doe, heef u er zich niet mee te bemoeien. - En as u me aanraak, roep ik de policie !

DANVILLE.

U is een onbeschaamde indringer. Er is hier niets voor u te halen en u kunt heengaan.

GOUDKATER

Zoo. zoo! - nu, maar ik heb het tegen de juffrouw en niet tegen u.

DANVILLE.

Kom, Leent je, ga mêe naar binnen. - Daar is de uit­gang, meneer.

LEENTJE.

Maar - mijnheer Danville! - dat gaat toch niet.... m'nheer wou...

DANVILLE, haar medevoerend.

Stil Leen! - Laat mij maar begaan, ga gerust mee.

Ik ken die heeren. Beiden af.

GOUDKATER, hem nabootsend.

"Daar is de uitgang, mijnheer!" - Zoo'n aap! Zulk een onbeschofte behandeling is mij in m'n carrière nog niet overgekomen. Dat schreit ten hemel! 'k Zal het je wel bethaald zetten, ploert! wacht maar - 't zal je heu­gen Mozes de uitgang gewezen te hebben. Dat zal niet straffeloos geschieden. Na! kom, wat zou et! - Laat es kijken of er nog wat in 't trommeltje is. Hij eet de schuimpjes uit het trommeltje. Toch maar een fhijn gebak, die schuimpies. Van Krenten komt op met hoed en stok.

VAN KRENTEN.

Ik moet dat meisje spreken. Zij oefent blijkbaar een sterken invloed op mijn zoon uit. Wanneer ik haar maar onder 't oog kon brengen, dat Frank geen partij voor haar is, dat het niet gaan kan, dan zal mijn vaderlijk gezag nog wel krachtig genoeg blijken, om hemzelven van haar af te doen zien. Het is een lief meisje van uiterlijk, dat moet ik erkennen - maar 't gaat niet, mijn vrouw zou wegkwijnen. Ik heb thans al geen leven meer, zoo gaat zij aan, den ganschen dag. 't Is jammeren en schreien van den morgen tot den avond.

GOUDKATER.

Wel, mijnheer, met wie heb ik de eer?

VAN KRENTEN.

Ik ben van Krenten, burgemeester te dezer stede.

GOUDKATER, opgewonden.

Ach, wat, komt me over! 'k Ben er van ontsteld. Wat 'n eer ! wat 'n eer!

VAN KRENTEN, minzaam.

Zoo, mijn vriend, is u dat zoo'n eer?

GOUDKATER.

Zou het niet? Mijnheer de burgemeester? Wie zou daar kalm bij blijven? Heeft u niet geheerscht als een Salomo, heeft u niet Kruimelburg beroemd en groot gemaakt? Ga uw heele land door en vraag aan de kleinste zuigeling of hij den burgemeester van Kruimelburg kent? Ja ! zullen ze zeggen, allemaal!

VAN KRENTEN.

Kom, u overdrijft een beetje, dunkt mij.

GOUDKATER.

Waarachtig niet. En of ik blij ben, dat ik u zie! Ik kan u een dienst bewijzen, mijnheer de burgemeester, een gelegenheid om goed te doen aan uw stad.

VAN KRENTEN.

Wel zoo, en welke is die?

GOUDKATER.

Dach ik et niet? Uw edel gemoed springt op, niewaar as het goed kan doen an de stad. En as ik u dan zeg, dat u menschenlevens kan redden.

VAN KRENTEN.

Wat zegt u daar?

GOUDKATER.

Wat ik zeg? De waarheid ! Kijk u eens na dat poortje. Is het oud of niet? Is het bouwvallig of niet? Is het levensgevaarlijk of niet? Ik vraag het u maar als verstandig man, mijnheer de burgemeester, maar wat mij betref, ik was blij toen ik er onder door was.

VAN KRENTEN.

Ik heb er nooit zoo mijn attentie op gevestigd. 't Is waar, het gebouwtje is niet nieuw meer. Maar ik ge­loof, dat wij de onkosten van een nieuw niet behoeven te maken.

GOUDKATER.

Onkosten? Mijnheer, je zult er voordeel bij hebben. 't Is stadseigendom, niet waar? Welnu, ik zal er een nieuw hek' zetten, mooi, dat begrijp u, en nog honderd gulden toegeven voor de stadskas.

VAN KRENTEN.

Maar. .. vanwaar die onbegrijpelijke belangstelling in onze stad, mijnheer?

GOUDKATER.

Dat is mijn zaak, mijnheer de burgemeester. Ik heb nu eenmaal genie om hier een mooi hekkie te zetten.

VAN KRENTEN, voor zich.

A, wellicht reclame. Hm ! onze financiën staan wel zeer slecht. .. Tot Goudkater. Maar, mijnheer, dit poortje is wel stadseigendom, doch is met het bijbehoorend hek aan de dames Kluijt verhuurd. De huurtermijn loopt nog over verscheiden jaren.

GOUDKATER.

Kijk es, mijnheer de burgemeester het poortje i s nu eenmaal bouwvallig. Geloof u het niet, laat het dan onder­zoeken door eene commissie, dan zal u het zien, i k heb verstand van die zaken.

VAN KRENTEN.

Ja, ja! ik ook. Het is bouwvallig, dat zag ik da­delijk.

GOUDKATER.

Nu, dan vraag u immers eerst de dames goedschiks of zij er in berusten, dat er wat anders komt. Doen ze het niet, na ! dan maar kwaadschiks, u ben toch altijd de burgemeester, niet waar?

VAN KRENTEN, nadenkend.

Daar heb je gelijk in.

GOUDKATER.

Denk u maar eens na. Denk u maar es kalmpies na. 't Is in uw eigen belang. Want het belang van Kruimelburg is toch ook uw belang, niet waar, mijnheer van Krenten? Hij trapt hem bij ongeluk op den voet.

VAN KRENTEN

Ai, verduiveld, mijn eksteroogen!

GOUDKATER.

Ach mijnheer, neem me niet kwalijk, 'k had het niet zoo bedoeld. Dhag, mijnheer van Krenten. Al buigend af. .Donder.

VAN KRENTEN.

Ai, ai, wat had die man ontzettend zware voeten. 't Scheen mij alsof ik een hoefijzer op mijn toonen kreeg, drommels, dat doet pijn. - Ik moet toch eens over die zaak denken. De financiën staan slecht. Honderd gulden is echter te weinig. Hij moet meer geven. Ik zal er toch over denken !

ALICE, komt uit den tuin.

Wel, mijnheer, hebt ge u gestooten ? Kan ik u met iets helpen?

VAN KRENTEN.

Ik dank u, lieve juffrouw, 't is reeds beter.

ALICE.

Ei! neemt u plaats. - Wien geldt wel uw bezoek?

VAN KRENTEN.

U zelve, waarde dame.

ALICE.

Mij?

VAN KRENTEN.

Voorzekert

Het voorval dat ons allen heeft verrast

Is wel de moeite van 't bespreken waard.

't Geluk van mijnen zoon staat op het spel.

ALICE.

O spreek daarvan, wat kan mij liever zijn?

VAN KRENTEN.

Als vader - gij begrijpt, - is Frank's geluk

Naast 't welzijn dezer stad, mijn hoogste doel.

ALICE.

Als wij in meening evenveel verschillen

Als in ons doel, dan zijn wij 't spoedig eens.

VAN KRENTEN.

Neen, neen, ik vrees, zoo spoedig zal 't niet gaan. . . .

Een man van jaren en van ondervinding,

Denkt anders over 't waar geluk dan gij.

Ik stel mij voor, dat gij het heil mijns zoons

Alleen vindt in... . een huwelijk met u.

ALICE.

Nu ja!

VAN KRENTEN.

In dat geval is mijn opinie.

Met de uwe in regelrechte tegenspraak.

Meent gij het wel met Frank, - zie van hem af.

ALICE.

Mijnheer! - dat klinkt zeer hard. - Op welken grond

Meent gij mij z u l k een raad te moeten geven?

VAN KRENTEN.

Ik heb natuurlijk alles goed doordacht,

Het voor en tegen rijplijk overwogen. ­

Gij zijt niet - wat ik wenschte voor mijn zoon, . . . .

Mijn eengeboornen, drager van mijn naam,

Gij zijt            enfin! gij zijt niet van zijn stand.

ALICE.

Niet van zijn stand?!! A! is het onbescheiden

Als ik u vraag, wat ge onder sta n d verstaat?

VAN KRENTEN.

Dat duidt het woord u aan - het is de plaats.

De rang, dien ge in de maatschappij bekleedt

ALICE.

En wat is dan de maatstaf voor dien rang?. . . Het geld?

VAN KRENTEN.

Ja, eenigszins; toch niet geheel

Beschaving. . . . en ontwikkling.

ALICE.

Denkt gij dus,

Dat Frank beschaafder is dan ik, of wel

Dat hij mij in ontwikkling ver vooruit is?

Ik geef u toe, dat laatste is zeer goed mooglijk,

Maar ik betwijfel of gij nu alreeds

Dat oordeel vellen kunt, nog meer vernedrend

Voor Frank, dan voor 't voorwerp van zijn keus

VAN KRENTEN.

Ik drukte mij niet zeer nauwkeurig uit.

Ik twijfel aan uw kennis noch beschaving

't Ligt meer in uw betrekking, uw beroep.

ALICE.

't Is waar, 'k verdien sinds kort mijn eigen brood

Door les te geven. Maar ik kan niet inzien,

Dat dit een scheiding vormt. Hij geeft voor geld

Den zieken hulp, en ik den dommen kennis.

VAN KRENTEN.

Jawel, jawel! Voor zich. Had ik mijn vrouw maar hier.

Dat meisje wordt zoo lastig met haar vragen.

            Luid.

Maar, ziet u, 't is een zaak van convenance

ALICE.

Mijn goede heer! is dat u waarlijk ernst?

Is dat de ware grond voor ons geluk?

Wie schept die convenance, wie geeft waarborg

Dat zij dezelfde blijft? Hoe spoedig toch

Verandert de openbare meening niet

En maakt tot eer, wat vroeger schande heette.

Uw Frank en ik, wij meenden thans te vinden

Wat slechts zoo zelden aan een mensch te beurt valt

Eenzedigheid, volkomen harmonie

Van geest en hart. Zal nu de domme “men”

Die ons niet kent, niet weet wat wij gevoelen,

Op eens beslissen over onze keuze?

Zal ons de convenance moeten leeren

Of wij te zamen hooren, al of niet?

VAN KRENTEN.

Gij kent de kracht niet der publieke meening,

Mijn rijper leeftijd ziet die beter in.

ALICE.

Welnu, al leerden wij haar eenmaal kennen,

Waar denkt gij, dat een eerlijk Hollandsch hart

Zijn besten troost en vreugde vinden moet,

In 't eigen huis of in het openbaar?

VAN KRENTEN.

Ja, ja, lief kind, daar is wel iets van waar:

Ons eigen huis moet ons het hoogste zijn.

ALICE.

En als men dan de keus heeft tusschen spot

Van onbekenden, maar met liefde in huis,

Of huiselijke jammer en ellende,

Die goedgekeurd is door de convenance,

Wat kiest men dan?

VAN KRENTEN, nadenkend.

Het eerste, kind, het eerste!

voor zich.

Ik ben het in beginsel met haar eens.

ALICE, neemt hem bij den arm.

0, lieve, beste man, 'k heb u begrepen:

Gij hebt mij op een kleine proef gesteld.

Gij meent het goed met Frank en mij, niet waar?

Thans weet ge hoe ik denk. - Ik kende u immers

Als strijder voor verlichting en vooruitgang.

Hoe durfde ik u voor zoo bekrompen houden!

VAN KRENTEN.

Gij zijt een schrander meisje. voor zich. Jongen! jongen!

Ze heeft gelijk, maar als mijn vrouw het hoort,

Dan is mijn leed niet te overzien.

ALICE.

Kom mede naar mijn goeden vader. Zou ik spoedig

Ook u mijn vader mogen noemen ?

VAN KRENTEN.

Vriendlijk kind!

            Voor zich.

'k Geloof dat zij als vrouw voor Frank geschapen is.

Maar als mijn vrouw het hoort - loopt alles toch weer mis.

            Beiden af in het huis. Maalman met Annebet.

MAALMAN.

Liefste Annebet, het gelukkigste en reinste oogenblik dat de mensch in zijn kortstondige aardsche loopbaan kan doorleven, is dat waarop de zoete stem der natuur zich doet hooren, niet waar?

ANNEBET.

Maar. .,. maar           wat bedoelt u?

MAALMAN.

Kent gij haar niet, die stem in ons binnenste, wan neer wij, door een zachten, onbestemden drang gedreven, onze gedachten onweérstaanbaar naar één punt moeten richten en ons hart voelen ineensmelten met een ander hart, dat ook tot ons nadert?

ANNEBET.


O dominé!

MAALMAN.

En vooral is het een schoon oogenblik, een heerlijke triomf over den beheerscher der duisternis, wanneer het twee uitverkorenen zijn, wier harten zich tot elkander voelen aangetrokken. Wanneer deze vereeniging tusschen twee erfgenamen van het Godsrijk tot stand komt, dan juichen de hemelsche heirscharen en is er vreugde daarboven en op de aarde.

 

ANNEBET.

O!

AALTJE, die reeds eenigen tijd opgekomen is.

Dominé, mag ik u eens eventjes gesproken hebben?

MAALMAN, knorrig.

Zoo, meisje, is het zoo gewichtig, dat je mij daarvoor moet achterna loopen ?

AALTJE.

Ja, heel erg.

ANNEBET.

Dan zal ik maar even rondwandelen - dan kunt u even met Aaltje spreken. Den tuin ingaande, voor zich. O, welk een man, zoo verrukkelijk, zoo heilig.

MAALMAN.

Wat was er van je dienst, meisje? Is er iets niet richtig met den geloove? Heeft de duivel van den twijfel je in zijn klauwen?

AALTJE.

Neen, dominé, maar de duivel zit daar op dat poortje.

MAALMAN.

Meisje, je spreekt wartaal. . .. wat bedoel je?

AALTJE.

Neen, heusch, dominé, zie maar eens, de maagd Maria met het kindje, zoo maar in levenden lijve afgebeeld. Zij voert hem aan de buitenzij.

MAALMAN.

Ah ! inderdaad, een roomsch overblijfsel !

AALTJE.

Nu ziet u, dat is toch maar nooit goed voor een mensch zijn zaligheid, zeg ik maar, zoo'n afgodsbeeld boven je deur te zetten.

MAALMAN.

Neen! je hebt gelijk. Het is zeer schrander van je ontdekt. Ik beloof je er werk van te zullen maken. Zulke middeneeuwsche papisterijen moeten met geweld worden uitgeroeid.

AALTJE.

Nu, dan is het goed, ziet u, als u het maar weet.

MAALMAN.

Ga gerust, meisje ! Ik zal trachten uw vromen ijver te hulp te komen. Uw belangen blijven in mijn handen.

Aaltje af

Welnu, ik zal niet eens de volle kracht

Van mijnen invloed daartoe noodig hebben.

Het duurt wellicht niet lang of 'k voer alhier

't Bewind in huis en hof met vaste hand.

De vrouw is niet geschikt tot heerschappij.

­ De Heer wees haar den man tot heerscher aan,

Die voer' den staf. En aldus zal ook ik

Dit wereldsch goed vol vromen zin bestieren

Tot Godes eer en tot ons aller welzijn.

De vrouwen zijn te zwak, zij laten zich

Door listige bedriegers licht verschalken.

Wanneer ik eens, door huwlijksband verbonden,

Hen steun gelijk een staf de buigb're plant,

Dan leer ik hen met mij ten hemel streven,

Dan duld ik hier geen paap of heiden meer. ­

Thans spoedig deze zaak ten eind gebracht !

Laat ons 't gesprek hervatten, dat zoo even

Zoo plotsling en ontijdig werd gestoord.

Hij volgt Annebet.

Danville komt met van Krenten uit het huis.

DANVILLE.

't Is alleraardigst ! 't is uitstekend! Zoo op eens

De zaak geschikt, die 'k voor zoo lastig hield.

Vergeef mij, als ik eerlijk u beken,

Dat uw vrijzinnig oordeel mij verrast

En mijn zwartgallig voorgevoel beschaamt.

VAN KRENTEN.

In waarheid, zulk een openhartig zeggen

Eischt wel een verontschuldiging. Daarbij

Verzoek ik u, mij niet meer toe te dichten

Dan ik gezegd kan hebben. Geen concessie

Is van mijn kant gedaan. Ik heb erkend

Dat ik uw dochter met genoegen sprak,

Maar verder - is de zaak nog als zij was.

Mijn vrouw en ik, wij kunnen dan beslissen

Of inderdaad haar goede eigenschappen

Een waarborg geven voor 't geluk mijns zoons.

Dat is het meest wat ik u kan beloven.

Voorzichtigheid verbiedt mij verdre stappen.

            Leent je met Alice.

LEENTJE.

Maar lieve juffrouw, ik begrijp er niets van.

Heeft onze burgemeester nu terstond

In 't huwelijk toegestemd?

ALICE.

Nu ja! hij veinsde

Een tijdlang grooten tegenzin. Maar ras

Begreep ik hem. Het was hem slechts te doen

Mij te beproeven. Toen ik dat doorzag

Gaf hij mij toe - en nu is alles goed.

LEENTJE.

Wel, wel ! dat is een heuchelijk geval.

            Tot van Krenten.

En mag ik u wel hartelijk fel'citeeren

VAN KRENTEN.

Wel neen! waar denkt gij aan? Dat zij nog verre.

Ik heb gezegd - en daarbij zal het blijven, ­

Ik sta haar toe ons huis te frequenteeren :

Geen letter meer! - Laat ons die teedre zaak

Thans laten rusten   'k Wil er niet van hooren.

 Vertel mij nu eens, waarde juffrouw Kluijt,

Zou 't met uw smaak en geest niet beter stroken

- Ik ken u toch als een verlicht persoon,

Die gaarne meegaat met den geest der eeuw ­-

Wanneer in plaats van 't ouderwetsch gebouw,

Dat ginds den toegang tot uw tuin verleent

En log en somber 't vrij gezicht belet,

Een sierlijk en aestethisch ijz'ren hek

Met fraaie krullen en vergulde punten

Den ingang vormde. 't Zou tot eigen vreugd

En tot verfraaiing der omgeving strekken.

DANVILLE, voor zich.

Wat nu! dat is de tweede al van daag,

Wat heeft dat arme poortje hun gedaan ?

VAN KRENTEN.

Niet waar, die zware, breede poort

Beneemt het licht, belemmert het gezicht?

In oude tijden, lieve juffrouw Kluijt,

Heerschte er een geest van zwaarte, van gedruktheid.

Toen schiep men dikke muren, zware poorten.

Thans zoeken wij naar ruimte, vrijheid, licht !

Zoo laat ons thans 't bouwvallige gewrocht

Uit vroeger eeuwen, donker en zwaarmoedig,

Als toonbeeld van den droeven geest dier tijden,

Verwijd'ren eer zijn val een onheil sticht.

ALICE.

Maar beste schoonpapa.

VAN KRENTEN.

            Hei, hei!

ALICE.

Vind u dat poortje

Zoo leelijk ? Wel, 't behaagde mij terstond

Toen ik het zag. 't Is zoo eenvoudig sierlijk,

Harmonisch in verhoudingen en vormen.

'k Geloof geen ijz'ren hek kan dat vergoeden.

DANVILLE.

Aha ! ik hoor mijn kind.

VAN KRENTEN.

Neen, meisjelief,

Uw jong begrip is nog niet recht doordrongen

Van 't wezen dezer eeuw van stoom en ijzer.

Dit werk is wrak en oud, voor elk gevaarlijk.

Thans paart men meerd're kracht en stevigheid

Aan netten vorm en lichtere constructie.

DANVILLE, luid.

Met "net" bedoelt u smakeloos en nuchter.

VAN KRENTEN

Wat zegt u?

DANVILLE.

Mijn hartgrondige overtuiging.

Ik ken die nare netheid onzer eeuw,

Die zich in hooge hoeden openbaart

En stijve huizen, vierkant en naargeestig.

Die netheid weet van ruimte noch gevoel,

't Is alles glad en recht en koud en ijzig

Wat haar behaagt. De huiselijke geest

En 't kunstenaarsgemoed van onze vaadren,

Hoe droevig zijn ze ontaard ! - De fraaie gevels.

Die 't minste stadje tot een lustoord maakten

Voor 't schoonheidlievend oog, zij gaan omlaag

En maken plaats voor rechte, stijve blokken,

In lange reien aan elkaar gekalkt.

De schoonste poorten, kostbre monumenten

Van ouden oorlogsroem en kunstzin gaan

In sloopershanden, en een kaal plantsoentje

Met Engelsch gras vergoedt ons dat verlies.

Dit vriendlijk, klein gebouwtje hier, zoo aardig

En schilderachtig in zijn eenvoud - nu !

Het gaat omver - een geestloos ijzren hek

Met punten en met krullen komt er prijken.

Had ik mijn zin, ik nam dat ijzren hek

En sloot die gansche sloopersbent er achter.

VAN KRENTEN.

Zacht wat, mijnheer de schilder, als 't u blieft.

Bedenk tot wien ge spreekt en waar ge zijt.

Tot Leentje.

Gij ziet het, juffrouw Kluijt, mijnheer uw vriend

Is lang niet vrij van ouderwetsch vooroordeel.

'k Laat de beslissing aan u-zelven over.

LEENTJE, verlegen.

Moet ik beslissen? Neen, dat kan ik niet.

Gij beiden zijt veel knapper in die zaken. ­

Gelukkig! daar komt Annebet met Maalman.

MAALMAN, minzaam wuivend.

Gegroet, mijn waarde vrienden, welk geluk

U allen hier in welstand te ontmoeten!

­Hoe gaat het onzen waarden burgemeester?

VAN KRENTEN.

Goed, dank u, dominé, en u, steeds wel en vroolijk?

MAALMAN.

Blijmoedigheid past immers aan den Kristen

En geeft ons 't leven daar geen reden toe?

Waar kan men zich gelukkiger gevoelen

Dan in dit lieflijk oord, waar vrede en vroomheid

In aardschen welstand en Gods zegen leven.

ANNEBET.

0, moog het altijd u hier goed bevallen!

LEENTJE.

'k Verheug me als het u hier naar den zin is.

 

MAALMAN.

Met uw verlof! Als gij mij ronduit vraagt,

Of n i ets in deze omgeving mij mishaagt,

Moet ik ontkennen. Ziet gij ginds dat poortje?

Denk u mijn schrik, toen ik daarop voor kort

Een voorwerp zag van snooden afgodsdienst,

Ik was ontsteld en hevig verontwaardigd.

Zij weten 't niet, zoo dacht ik, want terstond

Ging anders 't zondig beeldwerk naar den grond.

DANVILLE, opstaande voor zich.

Mijn God, dat is waarachtig nummer drie.

ANNEBET.

Maar dominé, wat zegt u! 't Is verschrikklijk.

MAALMAN.

Die poort moet heen, al was het oogenbliklijk.

Dit toevluchtsoord van 't eenig waar geloof

Mag niet onheiligd worden door 't symbool

Van paapschen beeldendienst. 't Is ongehoord.

De maagd Maria bij de dames Kluijt

En voor den ingang in het openbaar

Als afgodsbeeld geplaatst. Als men 't bemerkt,

Waant men u heimlijk tot den paus bekeerd.

ANNEBET.

0, 't is afschuw'lijk ! als ik er aan denk!

Wat zeg jij, Leen?

LEEN.

            't Is zeker wel wat gek !

MAALMAN.

Wat gek? Niet gek, juffrouw, 't is uit den booze!

DANVILLE, halfluid.

Dan heeft de duivel beter smaak dan gij.

VAN KRENTEN.

Ik deel uw meening, waarde predikant.

Van welke zijde men de poort beschouwt,

Steeds blijkt haar snelle ondergang noodzaaklijk.

Mijn hoofdbezwaar was haar bouwvalligheid

En ouderwetsche vorm. Dat zij dus valle,

In naam van Godsdienst en van schoonheidszin !

DANVILLE, luid.

Nu is 't genoeg. Ik kan die heiligschennis

Niet langer dragen in gelijken moede.

Geen bijl in dweepers handen trof zoo diep

Den heil'gen Godeneik, dan zulk een taal

Het hart van hem die haren zin gevoelt.

Wie van u beiden heeft besef van godsdienst,

Van schoonbeid, als gij die verheven woorden

Bezoedelt door uw nietige bedoeling?

Elk heeft het recht zijn dierbaarst heiligdom

Voor laster en voor misbruik te beschermen.

Moet ik het aanzien dat gij zulk een daad

Van wansmaak en bekrompenheid bepleit

In naam van al wat mij het heiligst is?

            Alice tracht hem vruchteloos te bedaren.

VAN KRENTEN.

Ontzettend ! welk een heftig personage!

Het wordt gevaarlijk met dien man te spreken.

MAALMAN.

Aha, 'k geloof mijnheer is Katholiek?

DANVILLE.

Neen, man, dat ben ik niet. Mijn vaadren namen,

Door Romes onverdraagzaamheid gedreven,

Als refugés de wijk naar 't vrije Holland.

Maar waarlijk, 't wordt thans mijne beurt,

Den duffen dampkring hier op nieuw te ontvlieden,

Al was het in den schoot der Roomsche kerk.

Daar is nog plaats voor schoonheid, daar omhult nog

Een lieflijk, mystisch waas het Godsbegrip,

Daar is nog poezie, nog kleur, nog warmte,

Maar in uw hart en kerk is alles koud,

Zoo dor als doodsch, zoo kleur- als levenloos !

Afzichtelijk gladde, witgekalkte muren,

Omgeven daar de stijf gezeten schaar,

Naargeestig galmend, hart- en oorverscheurend.

MAALMAN.

Ha ! fraai zoo ! - Welke lasterlijke taal

Wordt ongestraft in dezen tijd gesproken !

VAN KRENTEN.

't Klinkt bijkans heidensch.

MAALMAN.

Heidensch? Erger nog

Als van een vuigen, snooden godsverzaker .

Wee u, dat gij 't doldriftig hebt gewaagd,

Het heil'ge Godshuis honend te bespotten.

DANVILLE

Bespotten ? Waar de zaak niet zoo bedroevend,

'k Had wellicht lust tot spotten, waar ik nu

Slechts deernis of verachting kan gevoelen.

MAALMAN.

Zwijg, ongelukkige ! Eens zal ieder woord

U 't hart verschroeien, als ge, een worm gelijk,

U machtloos kronkelt aan den voet des kruises.

DANVILLE.

En gij, in eeuwge zaligheden zwelgend,

Vermaak schept in mijn pijn.

MAALMAN.

Dat is te veel

Ik moet van hier - neen, geen sekonde meer

Kan ik in deze onreine lucht vertoeven.

Wijk, satan, wijk van mij !

DANVILLE, treedt op hem toe.

't Is uw geluk

Dat gij vertrekt, want 'k bleef mij-zelf geen meester,

Als 'k uw schijnheilig aanzicht lang moest zien.

MAALMAN.

Sla toe!

ALICE, houdt Danville tegen.

Mijn vader!

ANNEBET, weenend.

O, mijn lieve Maalman.

Uw dierbaar leven

MAALMAN .

't Zou voor 't eerst niet zijn,

Dat schennershand een vromen Kristen trof.

LEEN, zeer zenuwachtig.

Weest toch bedaard! in vredesnaam, bedaard!

Ons rustig huis!

DANVILLE.

Geen nood, ik heb geen lust,

Dien schelm daar tot een martlaar te verheffen.

LEENTJE.

Mijnheer van Krenten, ach! gebruik uw invloed.

ANNEBET, op Danville wijzend.

Ach, zeg toch, dat die booswicht hier van daan ga.

VAN KRENTEN die ijverig zijn hoed zoekt.

Neen, dames, heusch! het wordt mij wat onstuimig.

Waar is mijn hoed? Vaarwel, vaarwel! ik groet u,

Af.

MAALMAN.

Ook mijn beurt is 't, te wijken voor 't geweld,

Dat zich dit huis tot zetel heeft gekozen.

Geliefde zuster, ik moet afscheid nemen.

Als mij de geest der duisternis belet,

Deez' dierbaar' woning vrijelijk te betreden,

Blijf ik van hier.

ANNEBET, wanhopig.

Ach neen, ach, doe dat niet!

Tot Danville.

Afschuwlijk man, ga uit dit huis!

DANVILLE.

Niets liever - 'k zie het wel met deernis aan,

Hoe dweeperij haar schepter hier zal zwaaien,

Maar om des vredes wil.. . . .

LEENTJE.

O, blijf, mijn vriend,

Ik kan u niet ontberen.

ANNEBET

Zuster! jij

Wilt met hem heulen, den godslasteraar!

O vreeslijk, vreeslijk!

MAALMAN.

Weest getroost, geliefde!

Eens zal des satans macht wel van haar wijken,

Nu wil ik gaan, - eens zien we elkander weêr

            Af.

Annebet valt weenend op een stoel. Alice trekt haren vader ter zijde.

ALICE, zacht.

Kom, goede vader, wilt u met mij gaan?

DANVILLE.

Mijn kind, mijn kind, - neen, niet die zachte stem,

Die lieve blik, - die uit uw ernstige oogen

Mij feller wondt dan 't bitterste verwijt.

Noem mij niet goed, - weer deed ik dom en slecht.

ALICE

Ga met mij, vader, tot u kalmer zijt.

Tot Leentje.

Vergeef het ons, dat wij uw vrede stoorden.

Het doet mij innig leed.

DANVILLE.

Vergeef het o n s?

Wat moet zij u vergeven, edel kind ?

I k ben het, oude dolkop, die bij u

In ze1fbeheersching wel ter school kon gaan.

O drift ! verfoeide drift ! ik sta op 't punt

Weêr te vertoornen om mijn eigen toorn.

ALICE

Laat ons dan gaan.

DANVILLE.

Ik ga, 'k heb immers hier

Slechts rust verstoord en onheil aangebracht.

Uw zaak bedierf ik wellicht ook mijn kind,

Als ik niet weêrkom, Leen, mag zij toch blijven?

LEENTJE.

Kom beiden spoedig weêr.

DANVILLE, tot Leen en Annebet. Deze laatste

ziet niet op.

Vaarwel !

Alice en Danville af.

ANNEBET.

't Is wat moois ! 't Is wel aangenaam een zuster te heb­ben, die zooveel sympathie toont. Ach, ach, wat ben ik ongelukkig ! Wat een akelige scène. Zij weent.

LEENTJE.

Maar Annebet !

ANNEBET.

En ik zeg je dan, dat ik die twee niet meer zien wil. Die goddelooze man met zijn slet van een dochter !

LEENTJE.

Foei, foei ! dat staat je heel leelijk zoo te spreken. Dat is nu alleen maar omdat hij niet precies denkt als Maalman, en van zijn dochter kun je niets geen kwaad zeggen.

ANNEBET.

Goed, als jij met hem samenspant, dan moet je het zelf weten. Dan zul jij je zin hebben, maar dan wil ik hier niet langer blijven. Dan... Afgebroken door snikken, dan ga... ik het huis uit... dan wil ik je niet meer als zuster erkennen. Al moest ik van honger omko­men. – O! o! o!

LEENTJE, snikkend.

Och, Annebet - wat zeg je daar akelige dingen. Maar ik span niet met hen samen.

ANNEBET, als voren.

Ja, je geeft hen gelijk, je wilt hen hier houden. Je bent onder zijn invloed. O Leentje, met hem is de vrede uit ons huis geweken.

LEENTJE, als voren.

Ja, maar... maar..

ANNEBET, als voren.

O Leent je, hij is zeker. . .

LEEN'IJE, als voren.

Wat dan?

ANNEBET.

Hij is zeker d e b o o z e !!!

GOUDKATER, achter door het poortje kijkend.

Hahaha !

 

Einde van het tweede bedryf.

 

 

 

WORDT VERVOLGD

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 21-05-2010 13:27