Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

HET POORTJE

OF

DE DUIVEL TE KRUIMELBURG

 


Voorwoord van de auteur
Voorspel
Eerste bedrijf
Tweede bedrijf
Derde bedrijf
Vierde bedrijf
Vijfde bedrijf

------


DERDE BEDRIJF.

 

Kamer in het huis van den heer van Krenten. Me­vrouw zit in ochtendtoilet aan de ontbijttafel. Mijnheer komt in een kamerjapon met een krant in de handen de deur in.

 

MIJNHEER.

Goeden morgen, vrouwlief.

MEVROUW, zeer koel.

Morgen!

Mijnheer werpt ten blik ter zijde op zijn vrouw, schudt bedenkelijk het hoofd en gaat zuchtend in de krant zitten lezen.

MEVROUW.

Zeg eens van Krenten !

MIJNHEER, achter zijn krant.

Hm !. . . Ja?

MEVROUW.

Zou het je nu eindelijk eens goeddunken, te doen wat ik je zoo lang gevraagd heb?

MIJNHEER.

Wat heb je zoo lang gevraagd, lieve?

MEVROUW, haar thee slurpend.

Dat weer je zeer goed.

MIJNHEER.

Neen, waarlijk.. lieve.. wat bedoel je?

MEVROUW.

Die zaak van Frank natuurlijk.

MIJNHEER, voor zich.

Ai ! daar heb je het al.

MEVROUW.

Wanneer denk je naar dat schepsel toe te gaan?

MIJNHEER, met een pijnlijk gezicht.

Ja .. hm.. eigenlijk... om je de waarheid te zeggen, ben ik er al geweest.

MEVROUW.

Wat zeg je daar? En wanneer dat?

MIJNHEER.

Ja.. e.. laat eens zien... vr een dag of drie.. vier, denk ik.

MEVROUW.

Vr een dag of drie vier? En waarom zeg je me daar niets van?

MIJNHEER.

Hm ! .. zaken.. ik heb zooveel in mijn hoofd.. 't is mij ontschoten.

MEVROUW.

En zou je nu ook eens vertellen, hoe het is afgeloopen ?

MIJNHEER, op zijn horloge ziende.

Al kwart vr negenen ! Is de barbier er al geweest?

MEVROUW.

Neen, praat er nu maar niet over heen. Wat heb je daar uitgericht ? Was het meisje thuis?

MIJNHEER, verstrooid.

Ja zeker, zeker.

MEVROUW.

Maar in 's hemels naam, man, terg me nu niet. Wat gebeurde er toen? Wat zeide je ? 't Is om den lank­moedigsten mensch zijn geduld te laten verliezen.

MIJNHEER.

Wees toch niet zoo heftig. Je hebt ook een verschrik­kelijk humeur, vrouw. 't Is alles best afgeloopen, en.. en.. je zult het meisje spoedig zelf wel kunnen spreken.

MEVROUW.

Wat is dat nu wer? Je bedoelt toch niet, dat je haar hier wilt laten komen?

MIJNHEER.

Wel, waarom niet? 't Is een zeer fatsoenlijk meisje. ­- Ik begrijp niets van dien barbier.

MEVROUW.

Maar, man, ben je nu krankzinnig? Is dat nu manier van doen?

MIJNHEER.

Een weinig kalmer, mevrouw, als ik je verzoeken mag. Je spreekt tegen den burgemeester van Kruimelburg.

MEVROUW.

Ik spreek tegen een ouden dwaas, die den goeden naam van zijn huis te grabbelen gooit.

MIJNHEER, verontwaardigd.

Neen maar. . . dat. . .

MEVROUW.

Denk je, dat ik het schepsel hier zien wil? Geen kwestie van - ik zal de booien zeggen, dat de juffrouw niet ontvangen kan worden.

MIJNHEER.

Je zult wel verstandiger zijn, vertrouw ik.

MEVROUW.

Nu, dat zul je dan eens zien. De dochter van een schilder, een soort kunstemaker - die teekenles geeft aan den eersten den besten. Een mal schepsel, dat uit Parijs is gekomen en daar natuurlijk ook niet veel goeds heeft geleerd. 't Zou de ondergang wezen van ons eenig kind - de trots van ons huis. En dat allemaal door jouw schuld, alleen door jouw schuld. Ach, mijn hemel, 't is vreeselijk!

MIJNHEER.

Zou de barbier niet komen vandaag?

MEVROUW.

Heb je soms al bepaald, wanneer de trouwdag zal wezen, h? En wat je Frank meegeft, h?

MIJNHEER.

Wel neen, wel neen - wees nu toch niet zoo onbillijk. Ik heb niets geen concessies gedaan. Alleen dat ze ons eens zou mogen bezoeken, anders niets, niets.

MEVROUW.

Nu, en i k zeg je dan, dat er niets van inkomt. Ik stel mijn huis niet open voor ieder, die je maar van de straat blieft op te rapen. Bedenk je wel eens, jij die zoo gesteld bent op je waardigheid, denk je wel, wat de menschen daar nu van moeten zeggen. .. nu?

JACOB, aan de deur.

Meneer, daar is de scheerder.

MIJNHEER, opstaande.

Ah! eindelijk! Dat geeft ten minste een ogenblik een oogenblik afleiding.

af

MEVROUW.

Nu, we zullen eens zien, wie hier zijn zin krijgt. Op het punt van liefde en huwelijkszaken beduidt de man niets. Alleen vrouwelijke tact en vrouwelijk doorzicht mag daar beslissen. Als ik Frank niet red, dan loopt hij reddeloos in zijn verderf. Die twee hebben hem na­tuurlijk om zijn geld willen inpalmen, mijn armen jon­gen. - Dat een fatsoenlijk meisje, 't is wat moois ! Hij is precies een man van een paardespel en zonder eenige manieren. En zij! wat een toilet zoo burgerlijk! Ze had niet eens een tournure.

FRANK.

Goeden morgen, mama !

Geen antwoord. Frank haalt de schouders op en gaat een krant zitten lezen.

MEVROUW.

Je begrijpt, Frank, al heb jij nu je al te toegeeflijken vader weten over te halen, in dat onmogelijke huwelijk toe te stemmen, dat je van mijn kant niets van dien aard verwachten kunt.

FRANK.

Mijn hemel, mama, is dat iemand overvallen? Dat is een opfrissching in den vroegen morgen.

MEVROUW.

Je hebt het verstaan, niet waar? Ik heb je vader reeds aan het verstand gebracht, dat hij zich vergist heeft.

FRANK.

Wat moet de goede man dankbaar zijn voor die op­heldering !

MEVROUW.

Dus je weet nu, waaraan je je te houden hebt.

FRANK.

0, dat weet ik al lang.

            Pauze, waarin beiden kranten lezen.

FRANK.

Wel, wel, dat is weer een luisterrijk ide van den Kruimelburgschen gemeenteraad. Leest. "Men meldt ons uit Kruimelburg. In de raadzitting van heden werd een voorstel van Burgemeester en Wethouders ter tafel gebracht, strekkende om een oud poortje, behoorende bij het door de dames Kluijt bewoonde perceel, wegens zijne bouwvalligheid te onteigenen en door een ijzeren hek te doen vervangen. Men twijfelde niet of de be­kende goede smaak en versieringslust van den alom-geachten burgemeester "

Jawel, en wat er verder volgt. 't Is God geklaagd! Aan die poort mankeert niets, zoo min wat haar stevigheid als haar sierlijkheid betreft en dat moet je dan hooren van je eigen vader.

VAN KRENTEN, zijn kin strijkend.

Zie zoo! dat frischt op.

FRANK.

Ja, dat frischt op. Goeden morgen, papa.

VAN KRENTEN.

Goeden morgen, Frank!

FRANK.

Zeg eens, papa, is dat een plannetje van u, dat poortje bij de dames Kluijt omver te laten halen?

VAN KRENTEN.

Begin jij daar nu ook al over? Ik ben nauwelijks ont­waakt, of ik word wer over dat poortje lastig gevallen. Hoor eens, Frank, dat zijn gemeentezaken. Jij bemoeit je met je patienten, ik met het welzijn dezer stad.

FRANK.

Hm ! noemt u dat welzijn? 't Is niet te hopen, dat de goede burgerij het met u eens zal zijn.

VAN KRENTEN.

Dat zal zij zeker. Over 't algemeen heeft de bevolking onzer stad een juist begrip van hetgeen haar heilzaam is. Nog nimmer heeft zich een stem verheven tegen de veranderingen op aesthetisch gebied, die wij ten uitvoer brachten.

FRANK.

Dat doet mij ongeveer aan de gelatenheid denken, waar­mede onze kippen het aanzien, dat hun hok groen ge­schilderd wordt en niet blauw.

VAN KRENTEN.

Frank, ik vind die scherts in jouw mond op zijn minst ongepast.

MEVROUW.

Ja, man. Dat heb je er van als je toegevend bent. Dan wordt je door je eigen kinderen voor den gek gehouden,

FRANK, in de krant lezend.

Zoo, zoo! er schijnt dan nu toch wel een stem tegen uw plannen op te staan. Ten minste, hier is een kip in het hok woedend aan 't kakelen.

VAN KRENTEN.

Wat meen je? Ik verzoek je met die gekheid uit te scheiden.

FRANK, lezend.

Jongen. . .. haha ! hij meent het, hoor !

VAN KRENTEN, zeer gespannen.

Wil je zoo goed zijn te zeggen wat je leest.

FRANK.

Als u er op gesteld bent - het past anders nog veel minder in mijn mond. Luister. Het staat onder de rubriek "Ingezonden." Leest. Een sloopers­complot

 

VAN KRENTEN.

Wat zeg je?


 

FRANK.

Dat is de titel. Leest. "Waakt op uit uw dommel, goed­moedige Kruimelburgers....

VAN KRENTEN.


Wat!?

FRANK.

.. .. Goedmoedige Kruimelburgers, een groot gevaar hangt u boven 't hoofd. Wat is uwe beste bezitting? Wat is het eenigste, dat den vreemdeling hier heen voert, dat elk bezoeker van uw stad bekoort en boeit?­ Niet uw personen, die in niets uitmunten dan in stil­heid en stijfheid.. . .

VAN KRENTEN.

Welk een grove leugen !!

FRANK, leest.

. . .. "noch uwe vrouwen of dochters wier saaiheid met haar smakeloosheid wedijvert,....

MEVROUW.

Lieve hemel ! hoe is 't mogelijk !!

 

FRANK, leest.

"maar uw stad ! Kruimelburger ! Uw allerbekoorlijkste huisjes en gebouwtjes, eenig en onovertrefbaar in stijl en karakter. Wel is waar hebt gij aan hun schoonheid part noch deel en bewijzen zij alleen, dat uw voorzaten artistieker waren dan gij, maar zoolang er nog een "greintje pieteit jegens uw voorgeslacht of belangstelling in het karakter van uw stadje u bijgebleven is, bewaakt dan die gedenkteekenen van vroegeren kunstzin als kostbare heiligdommen."

"Een sloopzieke rooversbende bedreigt een uwer fraaiste kunstjuweelen. Niet tevreden met zelf de wansmake­lijkste bouwproducten neer te zetten, willen zij nu nog de schennende hand slaan aan het fraaiste wat de kunst in uw stad heeft voortgebracht, misschien om hun eigen kunsteloosheid minder te doen uitkomen. Aan 't hoofd dier bende staat de burgemeester van Krenten... .

VAN KRENTEN.

M ij n naam, Frank! ? Staat er werkelijk m ij n naam­ - Voluit? ­

FRANK.

Voluit ! Leest: "die onder het belachelijke voorwendsel: bouwvalligheid," zijn slooplust bot wil vieren. Of de onnoozele man.. . .

VAN KRENTEN.

God ! God ! dat van m ij ! van m ij !

FRANK, leest.

. . .. "het werktuig is van anderen of van zijn eigen ingebeelde dwaasheid. . .

VAN KRENTEN.

't is genoeg, genoeg! hou in Godsnaam op!

MEVROUW.

Foei, Frank, hoe durf je zoo iets voorlezen?

FRANK.

Maar mama, het staat er.

VAN KRENTEN.

Laat het mij zien. - ik kan het niet gelooven ­ wie heeft dat geschreven?

FRANK.

't Zal wel anonym zijn. - Laat eens kijken. Slaat het blad om. Neen.. Groote God! is de man dol ? Staat op en werpt de krant ner. Dat had ik nooit gedacht !

VAN KRENTEN, op de krant afvliegende.

Wie is het? Wie is zoo gemeen? Zoo laag?...

Danville ! !? Ja, ik dacht het wel!

MEVROUW.

Die schilder ! - Komaan, Frank, we beleven pleizier van je aanstaande familie. Ja man, ik krijg de kroon op mijn hoofd. - 't Is je eigen schuld. Dat heb je er van, als je je met dat volk inlaat.

VAN KRENTEN, driftig keen en weer stappend.

Ach ! zoo'n kerel! zo'n vuige lasteraar! zoo'n honds­vot ! En dat iemand die mij op zijn knien behoorde te bedanken voor mijn toenadering en welwillendheid - die waagt het mij te beschimpen. . .. te be... . zwart te maken, en dat wel in 't openbaar ! Opgehangen moest hij worden, dat sujet, opgehangen !

MEVROUW.

Maak je nu maar niet driftig, dat helpt je niets. Had liever mijn raad gevolgd. Ik heb het je alles voorspeld. Menschen van dat slag hangen van valschheid en ge­meenheid aan elkar. Je zult nu leeren begrijpen, dat ik het wel bij 't rechte eind had.

FRANK, voor zich.

En daar kan ik niets tegen inbrengen, dat moet ik lijdelijk aanhooren. 0, het is mij onmogelijk hem te ver­dedigen, want ik geloof niet, dat hij een grooter dwaas­heid kon doen. Zulk een toon. . . zulk een dolle wijze van aanvallen. .. wat kan dat voor goeds uitwerken?

VAN KRENTEN.

Maar ik laat het er niet bij.

MEVROUW.

Maar, lieve man, wat wou je nu doen? Je zult hem toch niet aanklagen?

 

VAN KRENTEN.

Waarom niet, als ik vragen mag?

MEVROUW.

Den aanstaanden schoonvader van je zoon, den man, wiens dochter je eerlang hier in je huis denkt te ont­vangen, wou je dien voor 't gerecht roepen?

VAN KRENTEN.

Vrouw! ik heb mij tot hem vernederd en hem de hand der vriendschap gereikt, en hij heeft mij verguisd en met slijk geworpen. Denk je, dat ik nog iets met die vent te maken wil hebben?

 

MEVROUW.

En zijn dochter?

VAN KRENTEN.

Neen! - neen! - ik ben geen goedmoedige stumper, die met zich laat sollen. Ze zullen achter slot, allebe. Gevaarlijke personen zijn het, die het toeleggen op de rust van mijn stad en op mijn goeden naam.

FRANK.

Papa, is u kalm genoeg om even met mij te spreken?

VAN KRENTEN.

Wie zegt, dat ik niet kalm ben? Ik ben even kalm als altijd. Maar als je toch bedenkt, dat zoo'n man je zonder eenige reden, zonder dat ik hem ooit iets in den weg heb gelegd, mij nu op eens zoo laag behandelt, dat is. .. zie je .., dat is.. FRANK.

Ja, ik geef u toe, het is onaangenaam.

VAN KRENTEN.

Onaangenaam! . .. het is afschuwelijk! Ik weet het wel ik ben te goed geweest... veel te goed.

FRANK.

Ik geloof niet, dat iemand daarvan over t algemeen zoo spoedig gevaar loopt.

VAN KRENTEN.

Ah ! dus jij ook ! - jij hebt hem opgehitst jij hebt hem de wapens tegen mij in de hand gegeven. En dat is je dank voor mijn toegevendheid Frank, ik schaam mij over mijn zoon, die zich zoo verlaagt, die zijn vader laat belasteren en zich op hetzelfde standpunt stelt als dergelijk ontuig.

FRANK.

Vader, ik verzoek u geen woorden meer te zeggen, die ik alleen op rekening van uw drift kan stellen. Daar­voor moest gij u te hoog gevoelen.

MEVROUW, met de handen voor de ooren.

Neen, zoo'n gekibbel kan ik niet langer aanhooren ­tegen zulke scnes is mijn gestel niet bestand. Ik zal weggaan tot jelui bedaard zijt.      Af.

VAN KRENTEN, Op zijn stoel vallend.

En dat tegen mij ! - burgemeester van deze stad, die zooveel jaren rust en vrede heb opgeofferd, moeite en zorgen heb getrotseerd om Kruimelburg te maken wat het is. Tegen mij, die dacht als een vader voor de burgerij gezorgd te hebben - zulke schandelijke taal. En iedereen leest het. 0, het is wel hard, bitter, bitter hard.

FRANK, legt zijn hand op van Krentens schouder.

Vader !

VAN KRENTEN.

Ach neen, jongen, laat mij maar. Het is het lot van zoovelen, die zichzelve opofferden voor het algemeen belang. Jij begrijpt er niets van, jij gevoelt niets voor me, je bent verblind.

FRANK.

Laat mij even ernstig tot u spreken. Ik zal u geen verdriet doen. - Geloof mij werkelijk, als ik u zeg, dat ik het schrijven van Danville afkeurenswaardig en schan­delijk vind.

VAN KRENTEN.

Zoo, Frank! zoover ben je dus nog niet heen! Eerbied voor je ouders is er dus nog in je!

FRANK.

Zeker, maar er is iets dat meer eerbied afdwingt dan meerder leeftijd, vader- of burgemeesterschap, dat is een onbevangen oordeel zonder den invloed van persoonlijke gevoelens.

VAN KRENTEN.

Ik geloof niet, dat het jou past mij lesjes te geven.

FRANK.

Dat is mijn plan niet. Ik weet, dat u het met mij eens zult zijn; het is hier echter noodig elkander goed te ver­staan. Dat ongelukkige geschrift heeft u pijnlijk getroffen.

VAN KRENTEN.

Veel meer dan dat. 't Heeft me overtuigd van de laagheid van 't menschelijk geslacht - 't is alles valschheid en verdorvenheid. Men moest die lui uitroeien, ophangen.

FRANK.

Maar papa, dat is immers de dolste overdrijving Zou u alle vogels willen uitroeien, wanneer n er van iets onbehoorlijks op uw hoed laat vallen, omdat het nu juist u w hoed is?

VAN KRENTEN.

Ach, jij spot weer. En bovendien door. Hier is opzet - kwaadaardig opzet.

FRANK.

Maar met een goede bedoeling.

VAN KRENTEN.

Dat ken ik. De grootste boosdoener is dikwijls in eigen oogen nog een voortreffelijk mensch.

FRANK.

Zeker. En straf zal hem in dat geval niet wijzer maken.

VAN KRENTEN.

Wat wil je dan? Moet ik soms met een vriendelijk gezicht aan dien braven mijnheer Danville gaan vertellen dat hij dat niet wer moest doen?

FRANK.

o maar papa! als u dt deed, dan was het ideaal! dan was u een heilige, een halfgod?

VAN KRENTEN.

Nu, ik dank je. Ik zou wel gek zijn.

FRANK.

Neen, u zoudt wel edel zijn.

VAN KRENTEN.

Je zult het ver brengen met die theorien van heilig­heid. Wacht maar tot je wat ouder bent. Ik beloof je, dat ik als een . gewoon mensch dien kerel op zijn plaats zal zetten.

FRANK.

En denkt u ook de zonden der ouders aan de kinderen te bezoeken?

 

VAN KRENTEN.

H, wat?

FRANK.

Zal Alice ook.. . .

VAN KRENTEN

Alice? Wat Alice? - Meen je dat meisje? Wat kan dat schepsel mij schelen ? Als mijn gekrenkte waardig­heid het eischt, zal ze moeten lijden onder haars vaders schuld.

FRANK.

Ja, iets dergelijks komt meer voor. Ik moet wel lijden onder mijns vaders bekrompenheid.

VAN KRENTEN.

Onbeschaamde jongen! durf jij je meerdere beleedigen?

FRANK.

Ik ben zoo min een jongen, als u mijn meerdere.

VAN KRENTEN.

Wat is dat? Wij zullen eens zien. Nu zal het ook uit zijn met die verhouding tot dat meisje, van dit oogenblik af aan. U i t ! verstaat ge? Voor goed!

FRANK.

Ik moet u tot mijn spijt tegenspreken. Het zal n i e t uit zijn.

VAN KRENTEN.

Goed ! dan zal ik je dwingen.

FRANK.

Mij dwingen? Een vrij man van 25 jaar. Ik ben uw gemeenteraad niet.

VAN KRENTEN.

Je wilt niet     dan zul je vertrekken!

FRANK.

Met genoegen.

VAN KRENTEN.

Ja, maar voor goed. Je bent een vrij man, zeg je. Dan zal ik eens geen hand naar je uitsteken. Trouw dan wie je wilt. Geen cent zul je meer van mij zien.

FRANK.

Is u dat werkelijk ernst ?

VAN KRENTEN.

Dat zult ge ondervinden. Ik raad je dus aan mijn gezag te erkennen.

FRANK.

Ik hecht niets aan het gezag van een man in woede. Ge zijt al tot hetzelfde standpunt gedaald als hij, die de oorzaak is van uw drift.

VAN KRENTEN, in hoogsten toorn.

Nu is mijn geduld ten einde... mij te vergelijken met dien schurk. Gij zijt mijn zoon niet meer, - ga heen!

FRANK.

Ik ga ! - moge niet de kalmte het berouw mede­brengen.

VAN KRENTEN.

Ga heen, zeg ik ! Frank af.

Van Krenten staart een tijd naar de deur en vouwt met trillende handen een krant.

Berouw! . .. alsof ik berouw zou kunnen hebben van een daad, die mijn waardigheid eischte. Ik moet zoo handelen. - Ik zal dien brutalen knaap leeren, zich tegen mij te verzetten! Heen en weer loopend. Ik moet het doen. Ik ben het verplicht aan mijn eer, mijn waar­digheid als vader. Hij voelt zich blijkbaar reeds boven mijn gezag verheven. Welk een toon sloeg hij aan tegen mij! - Welnu - dan mag hij nu probeeren, hoe hij zich als onafhankelijk man kan redden. Dat is wel eens goed voor die ingebeelde jongelui. Het zal een uitstekende les zijn. Ik geloof zelfs dat het hoog noodig voor hem was, zijn minderheid eens te gevoelen. Ik had stellig in dit geval niet beter kunnen handelen. Mevrouw van Krenten komt op. Neen, hoe meer ik het kalm overleg, hoe meer ik geloof den besten weg ingeslagen te hebben in deze zaak. Zeker, zeker, den besten weg.

MEVROUW, eenigermate geagiteerd.

Zeg eens, man. Van Krenten kijkt verschrikt om. Zeg eens, wat is er met Frank gebeurd?

VAN KRENTEN.

Met Frank!... eh... met Frank... hoezoo ?

MEVROUW.

Maar mijn hemel! dat zul jij toch wel weten. Hij loopt mij hier in den gang tegen 't lijf, met een vreese­lijk gezicht, zegt geen woord tegen mij, wil niet antwoor­den op mijn vragen, maar commandeert Jacob heel barsch om zijn goed in de koffers te pakken. Mijn God, van Krenten, wat heb je nu wer gedaan?

VAN KRENTEN.

Mijn plicht als vader.

MEVROUW.

Och, jij schermt altijd met je groote woorden. Wat heb je nu wer voor ellende in huis gebracht? - Waar ging Frank heen?

VAN KRENTEN gedwongen luchtig.

Ik weet het niet - waarschijnlijk het huis uit.

MEVROUW.

En heb jij hem weggestuurd ?

VAN KRENTEN.

Ik heb hem de keus gelaten tusschen gehoorzaamheid in huis of vrijheid er buiten - en hij kiest het laatste.

MEVROUW.

En heb je nu den armen jongen zoo maar weggejaagd? Nauwelijks heeft hij nog ontbeten. Hoe kun je zoo hardvochtig zijn! - heb je dan geen gevoel? Ach, kijk, zijn kopje is nog half vol. Ach, mijn arm kind, mijn arm kind! Snikt.

VAN KRENTEN.

Maar. .. maar... hoe heb ik het nu? Ga je nu huilen? En jij bent de eerste geweest, die je tegen Frank's eigen­machtig gedrag verzette. Toen je als vrouw daar niet tegen bestand was, riep je mijn hulp in. Ik, als man en vader, neem krachtige en afdoende maatregelen - en nu ga jij plotseling huilen en verwijt mij, dat ik deed zoo als ik verplicht was.

MEVROUW.

Verplicht? - Was jij verplicht dien armen jongen als een schooier op straat te zetten, hem honger te laten lijden, hem te mishandelen? Wat zal hij nu doen? Hij heeft geen geld, geen onderkomen. Zeker gaat hij den slechten weg op... of misschien nog erger. 0, hij kan wel in 't water springen, mijn arme, arme jongen!

VAN KRENTEN.

Maar wat wil je dan - moet ik hem dan maar zijn zin laten doen? Ben je vergeten wat daar in die krant staat? Moet ik den aanstaanden schoonzoon van zoo iemand in mijn huis dulden?

MEVROUW.

Maar moet mijn kind nu jouw boosheid op dien schilder misgelden ? Denk liever eens wat wij aan hem zullen missen. Hoe zal je het vinden als je zijn vroolijke stem niet meer hoort, als wij altijd maar met ons beiden moeten zijn en onze lieven Frank nooit, nooit meer zullen zien?

MIJNHEER.

Ja, mijn hemel, ik vind het zelf ook wel naar. . .

MEVROUW.

Waarom bega je dan zulke wreedheden hadt je niet met zachter middelen kunnen beginnen?

MIJNHEER.

Ach ja, was jij er nu maar bijgebleven, dan was het mis­schien zoover niet gekomen. Maar jij loopt ook altijd weg.

MEVROUW.

Misschien is het niet te laat, misschien kan ik hem nog terugroepen. Af.

MIJNHEER, tot Jacob die binnenkomt.

Jacob, is mijnheer reeds de deur uitgegaan?

JACOB.

O j, ja! Al een heelen tijd geleden. En mijnheer heeft uw demi-saison aangetrokken, omdat ie de zijne zoo gauw niet vinden kon.

MIJNHEER.

Wat, mijn nieuwe demi-saison?

JACOB.

Ja, meneer. En er zijn twee heeren voor u gekomen, meneer. Zal ik ze maar binnenlaten? 't Is meneer Kakel­berg met nog een heer.

MIJNHEER.

Meneer Kakelberg ? 0, daar komen de gemeentezorgen nog bij de huiselijke: Laat hem maar hier Jacob, zeg, dat ik dadelijk kom, ik moet mij even aankleeden. Af

JACOB.

Jongen, dien anderen meneer vertrouw ik niet recht ­- dat is raar spul. Ik werd er grieselig van toen ie me aankeek, en toen ik de deur achter hem toedeed, klemde ik er iets tusschen en hij schreeuwde: "Au!" Dat 's raar, hoor, want bij 'n gewoon mensch zit daar niets. Ik heb sekuur gevoeld, dat er wat klemde - 't is allemachtig raar! Afin! - aan de zijdeur. Willen de heeren maar binnenkomen, meneer komt dadelijk.

Kakelberg en Goudkater komen binnen. Jacob geeft hun stoelen en kijkt nieuwsgierig achter Goudkater. Jacob af.

GOUDKATER.

Nou, meneer de wethouder, nou zullen we elkar trouwen eerlijk bijstaan, wat zeg u? Eendrach maak mach! As et toch maar voor de goeie zaak is ! t Is goed voor de zaak van de stad en 't is goed voor uw ijzerzaak, hihi ! En ik beloof u, meneer Kakelberg, u zult het ijzeren hek maken en het zal een mooi hekkie worden, daar kan u naam me maken

KAKELBERG.

Zeker, al wat uit mijn fabriek komt, dat mag er wezen. En als 't voor mijn stad is, wordt er natuurlijk des te meer zorg aan gespendeerd.

GOUDKATER.

Juis, dat is precies m'n idhe, meneer Kakelbrg. Je moet de phublieke zaak steunen en je eigen affaire niet in den steek laten. What zal je 't publiek helpen as je eige affaire niet op z'n beenen staat? Ik vraag het je ! ­je raakt in de lorem, meneer, en het publiek ook.

KAKELBERG.

Wel natuurlijk. En dan, de industrie mag ook niet verwaarloosd worden.

GOUDKATER.

What ik je zeg - de industrie. De ijzer-industrie, daar draait de wereld om. Alles ijzer tegenwoordig.

            Van Krenten op in t zwart.

VAN KRENTEN .

Dag, mijnheeren! Wat geeft me het genoegen?

GOUDKATER.

Mijnheer de burgemeester. laat ik je zeggen, dat m'n bloed overkookt ! - compleet overkookt! - om reden as dat vhalsche stuk in die smerige courant tegen uw Hoog­-Edel-Achtbare.

KAKELBERG.

Ja, mijnheer van Krenten, 't is een horreur. Mijn vrouw was er van ontdaan. 't Is ontzettend. Ik heb het hardop voorgelezen - en mijn vrouw begreep dade­lijk, dat u bedoeld werd, en toen zei ze, dat het schande was.

GOUDKATER.

De stad loopt te hoop, mijnheer de burgemeester. Alles is in rep en roer. Hoor u maar: "Sla em dood! Sla em dood I" roepen ze, zoo nijdig zijn ze. De drukkerij van de krant wordt bestormd.

VAN KRENTEN.

Ja, 't is wel vreeselijk voor mij, heeren. Ik begrijp alleen niet, hoe die krant zoo iets opnemen wil.

KAKELBERG.

Ach, natuurlijk geldzucht, eigenbaat. Maar het zal juist een verkeerde werking hebben. Het geheele volk is op uw hand.

VAN KRENTEN.

0, mijn brave burgers !

GOUD KATER.

Ze wachten maar op u. U moet u aan hun hoofd stellen en tegen dien schlemiel optrekken als Simson tegen de Filistijnen.

VAN KRENTEN.

Neen, neen, heeren. Dat kan niet. Ik ben overstelpt door huiselijke zorgen. Mijn zoon is in 't geval betrokken. Dat is een pijnlijke zaak, zeer pijnlijk.

KAKELBERG.

Maar mijnheer de burgemeester. Gij kunt u niet terug­trekken. Uw plan moet doorgedreven worden, al was 't alleen voor uw eer. Nu moet dat poortje om.

VAN KRENTEN.

Zegt u dat? en nog onlangs was u mijn felste tegen­stander.

GOUDKATER.

Maar as meneer zich toch gebeteren kan! Mijnheer is wijzer geworden. Mijnheer heeft zelf z'n belang begrepen. Dat zullen ze allemaal doen. Wie kan tegen den burge­meester op? Geen sterveling immers.

KAKELBERG.

Ik heb ingezien dat gij volmaakt gelijk hebt. Dat poortje is gevaarlijk en leelijk en het moet weg. Ik beloof u te zullen steunen, - het staat aan u, het goede te doen zegevieren. Allen zijn op uw hand.

GOUDKATER.

't Staat aan u. Die vuilik zal in z'n schulp kruipen.

Ze hebben u met modder willen gooien, maar uw eer zal rein blijven, meneer de burgemeester, rein als 'n duif.

KAKELBERG.

Hou vol, burgemeester, het belang der gemeente is er me gemoeid.

VAN KRENTEN, pathetisch.

Welaan, het zij zoo! Ik ga met u. Mijn plicht, mijn gemeente roept mij, en als een tweede Brutus offer ik mijn zoon op het altaar der publieke zaak.


 

 

Allen af.


 

 

Einde van het derde bedrijf.

 

 

VIERDE BEDRIJF.

 

Tuin van de dames Kluyt. Op den achtergrond het poortje Alice met Leentje zitten om de tuintafel.

 

ALICE,

Ach, lieve juffer, 't is een droevig ding

Als iemand die zoo braaf en eerlijk is,

Die het zoo goed met elk en alles meent,

Zich door een blinden hartstocht laat verleiden

En kwaad stookt waar hij overtuigen wil.

Wat helpt die heftigheid? Reeds de enk'le waarheid

Is toch vaak hard genoeg, waartoe die dan

Nog noodloos scherper, grievender te maken?

LEENTJE.

Ja, kindlief, 't is heel naar, vooral voor jou.

Mijnheer van Krenten zal het nooit vergeven,

Jij zult er al 't verdriet van dragen en je kunt

Het toch volstrekt niet helpen. Zou 't misschien

Iets baten als je zelf eens naar hem toeging

En zeide, dat je 't stuk volstrekt niet goedkeurt?

ALICE.

Maar ik? Kan ik dat doen? 't Zou zeker schijnen

Alsof ik smeekte om in zijn gunst te blijven.

LEENTJE.

Ik kan 't begrijpen - 't zou te moeilijk zijn.

Maar wil i k gaan? Ik sta geheel er buiten.

Staat op

Laat mij dat doen - m ij zal hij wel gelooven.

ALICE.

Mijn goede, brave juffer, doe dat niet.

Bezwaar mij met uw goedheid nog niet meer,

U deedt al zooveel voor mij. Vader zelf

Zou dat niet willen. Als hij maar begrijpt..,

Maalman en Annebet verschijnen voor het poortje. Annebet weifelt om er onder door te gaan.

ANNEBET.

Och, Maalman lief. Ik durf niet. Als 't eens inviel.

MAALMAN.

Kom, kom, mijn kind, geen vrees. Gezwind en moedig.

Ons leven is in hooger hand. Komaan !

ANNEBET.

Ik durf niet!

Maalman spant zijn parapluie op, en houdt die boven Annebet, die angstig onder het poortje doorloopt,

ANNEBET.

Gelukkig ! dat gevaar is wer voorbij.

Ach, was dat nare, oude ding maar weg !

MAALMAN.

Geduld slechts, 't zal niet lang u meer bedreigen.

LEENTJE.

Daar kunt u toch zoo zeker niet van zijn.

MAALMAN.

Het stadsbestuur zal ras zijn val beslissen.

LEENTJE.

Jawel, maar die beslissing moet door ons

Toch worden goedgekeurd.

MAALMAN.

Nu ja, nu ja. . . .

Ter zijde.

Alsof m ij n stem niet overweegt in deze,

Alsof i k niet toekomstig huisheer was.

Luid.

Wij zullen dat wel later eens bepraten.

Ik groet u thans.

Tot Annebet, ter zijde.

Wacht jij mij, lieve bruid,

Nog heden avond als de duisternis begint

Op deze plek. Mijn christenboezem klopt

Van zuiver liefdevuur.

ANNEBET.

Tot strakjes, lieve!

Maalman af. Een postbode kom lopen gaat onder de poort staan met een brief.

POSTBODE.

Een brief voor juffer A. Danville.

ALICE

Een brief!

ANNEBET, wenkt den bode.

Hei man, pas op, die poort zakt aanstonds in.

Gauw achteruit!

De bode geeft den brief aan Alice en loopt angstig weg.

Er komen menschen voorbij, die naar de poort wijzen.

ALICE, ter zijde.

Wat nu ! een brief van Frank.

Zij leest. De beide dames spreken zacht met elkaar. Annebet wil Leentje overtuigen en wijst op Alice. Leentje schudt het hoofd.

Zoo moest het komen. - Arme, arme Frank!

Moet hij alleen nu de gevolgen dragen

Van dwaze drift en van bekrompenheid,

Onschuldig als hij tusschen beiden staat?

Hij vraagt mij of ik woord houd, of ik kracht

Gevoel, 't armoedig lot met hem te deelen.

Armoedig ja, - maar onafhankelijk ook.

O Frank! je vraagt dat nog. En heden avond

Komt hij mijn antwoord hooren, zegt hij, en wel hier,

Bij dit onzaalge poortje, dat zooveel

Verdeeldheid, twist en onrust heeft gesticht.

O, was het reeds de tijd ! Keert zich om.

Vergeef me, dames,

Het was een brief van groot gewicht.

LEENTJE.

Van hem?

ANNEBET, zenuwachtig.

Mijn beste juffer - ziet u - 't spijt me wel,

Maar u zult wel begrijpen dat ons huis

Geen plaats is voor onzeedlijke personen.

ALICE.

Wat zegt u daar?

LEENT}E.

O, Annebet, schei uit,

ANNEBET.

U is van een familie die... enfin

Die heel onzeedlijk is en u ontvangt

Hier minne briefjes van een jongen man

U voelt, dat gaat zoo niet.

ALICE.

O zeker,

Dat gaat zoo niet - maar weest gerust, i k ga.

Tot Leentje. .

O, laat mij gaan, ik wil geen oogenblik

Iets toedoen tot de tweedracht in dit huis.

De juffer kan mijn bijzijn niet goed dulden.

Ik ga terstond. - U blijf ik steeds verplicht

Voor uwe zorg en liefde - ik hoop die ook

Van eenen anderen voortaan te ondervinden

            Af in huis.

LEENTJE, schreiend.

Foei, Annebet, ik vind je wreed en naar.

ANNEBET

Maar Leent je, hoe kun je nu zoo'n schepsel voorstaan?

Je houdt het stellig met haar vader.

LEENTJE.

Ik?

Die akelige Maalman stookt jou op.

Het dienstmeisje komt haastig op, bukt eveneens angstig onder de poort.

AALTJE.

Och hemeltje, juffrouw, 't is verschrikkelijk, daar ko­men allemaal menschen aan en meneer van Krenten en heeren met rokken en agenten en een boel volk, 0 zoo'n boel volk ! - Och, och, wat zal er nou gebeuren ?

ANNEBET EN LEENTJE, in ontsteltenis.

Wat zeg je daar!?

ANNEBET.

Meneer van Krenten? En komen ze hierheen?

LEENTJE

En wat doet dat volk er bij?

AALTJE.

Dat volk loopt maar mee, ziet u, omdat er agenten bij zijn, uit nieuwsgierigheid. Maar ze kunnen dadelijk hier zijn.

ANNEBET.

Genadige goedheid, Leen, dan moeten we ons kleeden.

LEEN.

Ja gauw maar. Beiden af.

AALTJE.

Jongen, wat zal dat geven ! 't Is zeker weer om dat poortje te doen. Die meneer van de oorbelletjes was er ook bij - dat was toch wel 'n aardige man ! Of ie nu bij geval een speldje van 't zelfde zou hebben - want dat hoort er eigenlijk bij. Voor mijn part mag hij die heele poort op zijn rug menemen. 0 jeetje, daar zijn ze.

Van Krenten, Goudkater, Kakelberg, gevolgd door twee agenten, daarachter een hoop volk. Van Krenten plaatst de twee agenten ter weerszijde van de poort. Het volk blijft buiten de poort, verdringt elkar en gaapt nieuws­gierig de agenten en de overigen aan.

VAN KRENTEN.

Zie zoo, mijne heeren ! Thans zullen we overgaan tot het nemen van doortastende maatregelen. Ons eerste werk moet thans zijn een schikking te treffen met de tegenwoordige huurster van het gebouwtje. Aha ! tegen Aaltje. Meisje!

GOUDKATER.

Ach beware ! 't Lieve kornetje !

VAN KRENTEN.

Wil jij de juffer eens roepen. Zeg maar, dat de burge­meester haar verlangt te spreken over gewichtige zaken.

GOUDKATER.

Juffer Leentje moeten we hebben, hoor. Denk daarom, kindlief. U weet, meneer van Krenten, de jongste juffer heeft alleen het geld.

AALTJE.

Jawel, heeren. Komt u zoo lang even binnen. Zij gaat met de drie heren naar binnen.

EEN MAN UIT HET VOLK TEGEN EEN AGENT.

H Jan, ben jelui bang, dat die poort weg zal loopen dat je daar zoo secuur voor gaat staan?

AGENT.

Weet ik et. Ik ben hier zoo verordineerd.

2de  MAN.

Wat zouwen die drie daar binnen uitvoeren?

1ste  MAN.

Ik denk dat ze hier geen vergunning hebben.

Gelach.

AGENT.

Der mocht voor ons wel een borrel overschieten.

1ste  MAN.

Nou, ik zou daar niet voor gek willen staan as ik jou was, Jan ! Ik zou er het mijne van willen hebben. Misschien schaken ze die juffer wel.

Gelach.

2de  MAN.

Ze motten oppassen dat die poort niet omvalt. De burgemeester zegt, dat ie rot is.

1ste  Man.

Die poort rot? De burgemeester mocht willen, dat ie-zelf niet rotter was. Luid gelach.

Alice en Aaltje, komen op.

ALICE.

Wil je de dames dan nog van mij groeten, ik zal hen nu niet storen. Zeg ik hen nog wel zeer dankbaar ben. Mijn koffer zal ik zoo spoedig mogelijk laten halen. Dag, Aaltje!

AALTJE.

Dag, juffrouw!

Alice gaat door de poort. De agenten salueeren. Het volk gaat op zij.

VERSCHILLENDE STEMMEN, tot Aaltje.

H! - Pst ! - Meissie!

AALTJE.

Och genade ! wat 'n volk ! We zullen nog uitgemoord worden. Dat komt allemaal van dat afgodsbeeld.

STEMMEN.

H! - Schatje! - Kom es hier! Aaltje af

VAN KRENTEN, GOUDKATER, KAKELBERG, LEENTJE. VAN KRENTEN.

Maar, mijn beste juffer, hoe kunt u nog eenige bezwa­ren maken? De zaak is zoo aanlokkelijk en gemakke­lijk mogelijk, - u heeft voor niets te zorgen, - in een paar dagen is het gebouwtje weggeruimd, en binnen den tijd van twee weken is u van een dreigend gevaar ver­lost en prijkt daar een prachtig ijzeren hek, solide en tevens sierlijk.

KAKELBERG.

Ik verzeker u, mejuffer, dat het hek binnen veertien dagen klaar zal zijn, en wel van puik puike constructie en van best gesmeed materiaal.

GOUDKATER.

En bedenk es, lieve juffer, wat een ruimte zl dat geven, wat 'n lucht zal je krijgen. 't Zal je zijn as of je in de wholken zit ! Wat ik je zeg, juffer, alsof je een engeltje was!

LEENTJE, verlegen en angstig.

Och, mijnheeren, u moet het mij niet kwalijk nemen...

maar.. ik had het toch liever niet - heusch, liever niet.

VAN KRENTEN.

Maar juffer Kluijt, 't is in 't belang van de stad.

KAKELBERG.

In 't belang van de industrie.

GOUDKATER.

Nah! en in 't belang van je kostbaar leven!

LEENTJE.

Zoudt ge mij ten minste eenigen tijd kunnen geven om te overwegen?

KAKELBERG.

Stilstand is achteruitgang.

GOUDKATER.

En de burgerij dan? Ze stampvoeten allemaal van ongeduld.

DANVILLE, buiten de poort.

"Wil je mij eens doorlaten, vriend !"

Hij dringt zich door het volk heen.

Wel, wel, wat moet dat beteekenen ? Een formeele belegering! De vijand voor de poort en de bezetting aan 't onderhandelen. Ik hoop toch niet, dat je je op genade of ongenade overgeeft, Leen ! Dat nooit, hoor ! Denk aan van Speijk! Dan liever in de lucht !

LEENTJE.

O, gelukkig dat u komt !

VAN KRENTEN, ter zijde.

Wat ! durft die schurk zich hier vertoonen. Welk een grenzenlooze brutaliteit !

GOUDKATER tot VAN KRENTEN.

Pas op voor dien man, burgemeester! Dat's nou een van de Filistijnen, een gevaarlijke!

DANVILLE.

Wel, wel, mijn waarde burgemeester! voert u zoo in eigen persoon het leger ten strijde? Het ziet er bedenkelijk uit voor de benarde veste.

VAN KRENTEN, hoog.

Ik ben niet van plan met... met individuen van uw allooi in woordenwisseling te treden.

DANVILLE, verbaasd.

Hla! Ik schijn het bij u verbruid te hebben, mijn­heer van Krenten. Ik heb er wel niets tegen een individu genaamd te worden, maar wat is dat voor een allooi, waaraan gij zoo wreed uw conversatie ontzegt?

VAN KRENTEN.

Maar dat is al te onbeschaamd - zich nu te houden alsof hij van niets wist.

LEENTJE.

O! Danville is het niet waar? Heeft een ander dat stukje onder uw naam geschreven?

DANVILLE.

Dat stukje? Is dat alles? Is de man daar zoo boos om?

Hoe is 't mogelijk! - 't Is verwonderlijk zooals sommige menschen zich een vriendschappelijke terechtwijzing kunnen aantrekken.

GOUDKATER.

Vriendschappelijk ! - Nah ! zoo'n vriend kan me ge­stholen worden.

DANVILLE.

Ik heb waarlijk het beste voor met u en uw gemeente. 't Is mijn vaste overtuiging, dat gij mij spoedig gelijk zult geven. Iedereen is het blijkbaar volkomen met mij eens. Hier, mijnheer Kakelberg - die heeft immers te voren geheel in mijn geest gesproken.

KAKELBERG.

Neen, meneer, ik ben het niet meer met u eens, en menschen, die zulke stukken schrijven, qualificeer ik z. Draait hem den rug toe.

DANVILLE.

Mijnheer ik ben verpletterd. Ter zijde. Wat zou er bij dien man nu wer achter zitten. Ontdekt Goudkater achter Kakelberg. A! ik zie het! - die zal het zijn. De man met het booze oog.

GOUDKATER, ter zijde tot van Krenten.

Burgemeester, er moet wat gebeuren. U moet dien gannef een toontje lager laten zingen, of u komt met de juffer niet verder. Hij moet bang gemaakt.

VAN KRENTEN.

Uitstekend ! Maar hoe?

GOUDKATER.

Door uw invloed! uw gezhag !

VAN KRENTEN.

A ! ja, mijn gezag!

DANVILLE, luid.

Maar nu begrijp ik nog volstrekt niet, wat dat volk en die agenten hier doen.

VAN KRENTEN, treedt hem tegen.

Dat volk, mijnheer, toont door zijn aanwezigheid zijn instemming met de plannen van het gemeentebestuur.

DANVILLE.

Och kom ! Tot het volk. Zeg eens, weet jelui een van allen wat er hier gebeuren moet?

STEMMEN.

Neen! neen!

VAN KRENTEN, geagiteerd.

Wat moet ik tegen dien man beginnen? 't Is ont­zettend

GOUDKATER.

Spreek u ze toe, vr dat hij 't doet!

KAKELBERG.

Ja, toespreken, toespreken!

VAN KRENTEN.

Ik? Spreken tegen 't volk!

GOUDKATER.

Ja, gauw! Spreken! anders zijn wij gesjhochte.

DANVILLE, tot het volk,

Wil ik je eens vertellen wat die heeren van plan zijn?

STEMMEN.

Ja, ja!

GOUDKATER EN KAKELBERG.

Toe, burgemeester! toe dan! anders is 't te laat.

VAN KRENTEN, tot Danville.

Ik leg u het zwijgen op, mijnheer ! Hij klimt op een stoel. Hm! hm!

DANVILLE.

A ! Pericles voor het Atheensche volk !

GOUDKATER.


Khompleet Salomo!

VAN KRENTEN.

Wakkere inwoners van onze goede gemeente Kruimel­burg, trouwe burgerschaar !

HET VOLK.


Hoera !!!


VAN KRENTEN, stille wenkende.

Gij allen, mijne heeren! gij allen die ik hier voor mij verzameld zie - gij allen weet sinds hoeveel jaren ik reeds als hoofd en leider dezer nijvere gemeente met ijver en nauwgezetheid mijn plicht heb betracht, uw belangen heb behartigd, als waren zij de mijne, u ben voorgegaan op het edele, het roemrijke pad, dat naar beschaving en verlichting voert.

HET VOLK.


Hoera !!!


VAN KRENTEN.

Stilte! Laat mij uitspreken. Maar ook weet gij hoe ten alle tijde zwarte zielen de luchtkasteelen van welgezinden schipbreuk trachten te doen lijden en den met moeite ontworpen tempel van recht en waarheid in duigen te doen vallen.


HET VOLK


Hoera! ! !

VAN KRENTEN, boos

Ik verzoek, als t u beleeft, stilte. Z kan ik niet voortgaan. Nu dan, als gij dit erkent en het met ons eens zijt, dat de worm van het verzet, die aan ons streven knaagt, met wortel en tak moet worden uitgeroeid, zoo geeft ons blijk van uw instemming, versterkt onze over­tuiging dat gij ons streven billijkt en instemt met onze maat­regelen, om ook hier het vaandel der verlichting hoog op te houden.

EEN ZWARE STEM.

Pak de leuning!

Algemeen gelach. Van Krenten verlaat woedend zijn stoel.

VAN KRENTEN.

't Is ongehoord ! Alle eerbied is verdwenen bij dat volk.

GOUDKATER.

Ik maak je mijn khompliment. 't Was mooi, 't was roerend I Phaarlen voor de zwijnen, mijnheer van Krenten, phaarlen voor d zwijnen !

KAKELBERG.

Me dunkt, dat u een tamelijk gek figuur hebt gemaakt, burgemeester.

VAN KRENTEN.

Wat zegt u ! Ik? - Ik een gek figuur? Probeert u eens tegen zulk kanaille te spreken.

DANVILLE, tot het volk.

Nu jongens, hierme is 't nu afgeloopen, hoor ! Gaan jelui nu maar naar huis. Je hebt gehoord wat meneer de burgemeester verteld heeft. Hij wil het poortje om hebben, en de juffer wil niet. Daar is 't me uit voor van daag. Er valt niets meer te zien of te hooren, en 't wordt al laat. Trekken jelui dus nu maar stilletjes naar huis.

Het volk verspreidt zich langzamerhand onder het zingen van :

En laat de heele bol maar waaien !

DANVILLE.

U hoort, meneer van Krenten, dat de levendige belang­stelling van de burgerij reeds eenigzins aan 't verkoe­len is.

MEVROUW KAKELBERG, komt de poort binnenstuiven.

Ach, mijn hemeltje, man, vind ik je hier eindelijk; ik zit al zoo lang met de thee te wachten. - En in al dat volk; ik dacht je in stukjes gescheurd te vinden. O, 't is zoo'n akelig gezicht. O Leentje, Leentje, wat een narigheid ! De heele stad is in beweging en een oproer voor de deur. Ach! Ach! Wil ik je kostbaarheden bergen? Hebben ze de ramen ingegooid? O, ik durfde er niet door. Ik heb maar gewacht tot er wat ruimte kwam en toen heb ik ge­zeid: komaan, moed gevat! Maar ik moest mijn leven wagen voor mijn man, niet waar? Ach, Leent je, ben je niet vreeselijk ontdaan?

DANVILLE.

Mevrouw, stel u gerust, het gevaar is geweken, uw echtgenoot is voor de gemeente en de ijzerindustrie ge­spaard.

MEVROUW KAKELBERG.

O, hoe gelukkig! Ik had al gedacht aan die geschiedenis van Jan de Witt in den Haag, je weet wel, daar was ook een poort bij.

LEENTJE.

O foei ! laat ik er niet aan denken. Willen we nu niet liever naar binnen gaan om wat bij te komen?

MEVROUW KAKELBERG.

Neen, neen! Kakelberg mag geen oogenblik in deze gevaarlijke buurt blijven. Ik ben veel te blij hem nog levend weer te vinden. Gauw, mannetjelief, gauw ! t'huis zal je vrouwtje je wel wer opkweeken. Dag, beste men­schen ! Goeden avond allemaal! Komaan, moed gevat!

Af, haar man meevoerend. Het wordt langzamerhand donker.

LEENTJE.

Maar, mijnheer van Krenten, u zult wel moe en dorstig zijn van 't spreken. Een kopje thee....

VAN KRENTEN, met nadruk.

Ik dank u, juffer Kluyt, ik zal bij u niets gebruiken.

DANVILLE.

De burgemeester is zeker nog vol van de buitengewone belangstelling der burgerij, niet waar? Goeden avond! Moge uw nachtrust er niet door gestoord worden!

Van Krenten ziet een anderen kant uit. Goudkater even­eens. Men hoort het volk zingen: "En laat de heele bol maar waaien", enz. Leentje en Danville af.

VAN KRENTEN.

O! ik zou dien man kunnen trappen!

GOUDKATER.

Zeg u dat wel, EdelAchtbare!

VAN KRENTEN.

En ik ben nog niets verder gekomen.

GOUDKATER.

Nah, ik ook niet.

VAN KRENTEN.

Ik weet werkelijk niet wat ik tegen hem doen zal.

GOUDKATER.

Dat 's prettig voor den man. Dan krijgen we morgen in de courant: Vervolg en slot van t vorige artikel. De Edelachtbare heef zijn ongelijk ingezien, enz. enz.

VAN KRENTEN.

Nooit! dat zal niet gebeuren. Ik wil in deze zaak over­winnen. We zullen nog eens zien of het recht niet zal triomfeeren.

GOUDKATER.

Wheet UEdelAchtbare wel, waarvan eigenlijk nog niks, niemendal bewezen is?

VAN KRENTEN.

Nu!

GOUDKATER.

Van de soliditeit van de constrictie! As toch niemand gezegd heet, dat de poort sterk is.

VAN KRENTEN.

Nu ja, dat is waar !

GOUDKATER.

As het toch daar maar op an komp. Dan valt er niks te vragen, dan onteigent EdelAchtbare.

VAN KRENTEN.

Goed! morgen zal de commissie onderzoek doen.

GOUDKATER.

Och commissie! what commissie ! Heef EdelAchtbare zelf geen oogen? Kijk dat hoeksteentje eens, 'k wed om een dhaalder dat et los staat. Ter zijde. Er is geen gevaar bij de weddenschap. 'k Heb het ding van morgen al los gepeuterd.

VAN KRENTEN.

't Is zeer wel mogelijk.

GOUDKATER.

Als we 't eens probeerden.

VAN KRENTEN.

Wat?

 

GOUDKATER.

Of het los staat         Als we eens een stokkie namen.

VAN KRENTEN, afwijzend.

Neen, neen, neen, laat dat maar ! Dat zou schijnen....

GOUDKATER.

Schijnen ! schijnen ! Schijn bedriegt.

VAN KRENTEN.

Maar mijn waardigheid dan....

GOUDKATER.

Die let je niet de zaak te onderzoeken. Kijk es an, daar komt het meissie ook an, of ze geroepen was. Gaat u nu eens op zij, ik zal 't kindje wel toespreken. Hij voert van Krenten ter zijde. Van Krenten stelt zich na eenig verzet achter een struik. Stil, EdelAchtbare, denk om uw waardigheid. Aaltje op. Wel, lief diertje, wat zoek je nog zoo laat?

AALTJE, schrikkend,

Gunst, meneer, is u daar?

GOUDKATER.

Fhoei ! Zulke mooie poessies moeten niet tegen donker uit wandelen gaan. Hij wil haar omhelzen.

AALTJE.

Nu toe! mijnheer, laat u los.

VAN KRENTEN,

Hm ! hm!

 

GOUDKATER, ter zijde.

Nah, dat hoort zoo bij de affaire. Tot Aaltje. Nou, lieffie, wou je nou dat speldje bij die belletjes hebben, die je zoo fhijn staan?

AALTJE.

Kom, u heeft het toch niet.

GOUDKATER, toont het geschenk.

Kijk es! - daar is et. Nou moet jij ook wat voor me doen. Heb je bij geval een langen stok hier?

AALTJE.

Neen, nou zal 'k je krijgen - wat wou u daarme doen?

GOUDKATER.

St! da's van wegens de politie, om den duivel van de poort te houden.

AALTJE.

O genade - ik zal eens zoeken. Gaat zoeken, naast de huisdeur op den achtergrond.

VAN KRENTEN.

Maar, meneer Goudkater  het gaat niet.

GOUDKATER.

Of het gaat ! Als u maar geduld heef. We zullen maar eens eventjes voelen of het steentje los staat. Dan heef u immers securiteit - dan moeten ze wel toegeven.

VAN KRENTEN, ter zijde.

Brr ! wat heeft die man akelige oogen ! 't Is of ze licht geven.

AALTJE, terug met een ragebol.

Is die goed ?

GOUDKATER, neemt de ragebol.

Ach, sjarmant, sjarmant ! Je bent een goochempie, hoor! Ga nu maar gauw kijken of je vrijer niet komt.

AALTJE.

H ! hoe weet u dat? - O, daar is ie net.

Maalman verschijnt in 't poortje. Goudkater verschuilt zich met de ragebol naast van Krenten.

MAALMAN, zacht.

Zijt gij het, geliefde?

AALTJE, zacht.

Ben jij het, Jacob? Zij herkennen elkaar en wijken achteruit.


AALTJE.


O domin!


MAALMAN.


Foei, Aaltje !


VAN KRENTEN, ter zijde.

Dat is Maalman. Wat doet die hier?

GOUDKATER, ter zijde.

Een fhijn paar ! Allebei zuiver in de leer !

AALTJE.

Ik . .. ik... ik keek, ziet u, of dat poortje geen kwaad kon . . .. u zeker ook, domin?

MAALMAN, zich een houding gevend.

k zie dat men nog niet met de slooping begonnen is. Is de burgemeester niet hier geweest?

AALTJE.

Ja wel, maar 't heeft hem niks geholpen. Hij is nog wel op een stoel geklommen en heeft allerlei malligheid verteld.


VAN KRENTEN, ter zijde.

  Wat! malligheid ! - O, 't is vee, redeloos vee!

GOUDKATER, ter zijde.

St! denk om je waardigheid!

AALTJE.

Maar 't hielp allemaal niks. De juffer wou niet.

MAALMAN.

De juffer wou niet ? Welke juffer?

AALTJE.

Wel, juffer Leentje.

MAALMAN.

Nu ja, maar juffer Annebet?

AALTJE.

Die zat achter een gordijn op de slaapkamer, uit angst voor het volk. Die had daarenboven niks in de zaak te zeggen.

MAALMAN, geagiteerd.

Niets te zeggen? Hoe meen je dat? Wat bedoel je?

AALTJE.

Kom, domin, u weet toch wel, dat het halve zusters zijn en dat Leentje eigenlijk alleen     Maakt een geld­tellend gebaar.

MAALMAN, ter zijde, met pijnlijk gebaar.

Hemelsche vader, welk een zware beproeving voor uw dienstknecht !

AALTJE.

Heeft u pijn, domin?

MAALMAN.

Ja, kindlief, een plotselinge koliek. Ter zijde. O, ze kan ieder oogenblik komen, ik moet dadelijk weg. Dag meisje, de Heer behoed' je! Zeg maar neen, zeg maar niets. Af.

VAN KRENTEN, ter zijde.

Wat zou dat beteekenen ?

GOUDKATER.

Als de Heer z'n dienstknecht er in heeft laten loopen.

VAN KRENTEN.

Zou hij om juffer Kluijt zijn gekomen?

GOUDKATER.

Hij had de verkheerde bheet. Bij heeft geen kat in den zak willen koopen. As ie ook goochem is. As ie nog gelijk heef!


VAN KRENTEN.


En die koliek!


GOUDKATER.

Nah, dat hoort zoo bij de affaire!

Annebet komt uit de deur, angstig en voorzichtig.

VAN KRENTEN.

Afschuwelijk ! - Zouden wij nu niet liever weggaan.

GOUDKATER.

St! Neen! 't Meissie staat nog an de poort. En kijk, Zij ontdekt Annebet, dat zal nummer twee zijn.

ANNEBET.

Hu! wat is het angstig in 't donker! Als er nog eens van dat volk in den tuin was! Maalman, Maalman! ben je daar?


GOUDKATER, ter zijde.

Heb ik het niet gezeg!

VAN KRENTEN ter zijde.

Schande ! Schande!

AALTJE. sluipt achter Annebet om; ter zijde.

Wel nou komaan! Was het zoo bedoeld? - Je bent net te laat, hoor! En Jaap komt ook niet. 't Wil niet met de vrijerij van avond. Zij gaat stil in huis.

ANNEBET.

Och, Maalman lief, waar blijf je toch? Het is al zoo laat en zoo donker, en ik ben zoo bang.

VAN KRENTEN, ter zijde.

Ik kan dat niet zien. Ik ga het haar mededeelen

GOUDKATER, ter zijde.

En dan je waardigheid, EdelAchtbare,

ANNEBET.

Zou hij ziek zijn? O ik durf niet langer wachten. Ik zal maar in huis gaan en over een poosje terugkomen. Af in huis;

GOUDKATER, ter zijde.

Die kholiek zal anders zoo gauw niet beter worden, veronderstel ik.

            Frank is opgekomen, rechts tusschen de voorste cou­lisse, aan den zelfden kant, maar meer op den voor­grond als Goudkater en van Krenten, die hem dus niet opmerken.

FRANK, ter zijde.

Ze is niet in den tuin. Ik ben juist het achterhek inge­gaan om haar te verrassen, en nu is zij er niet. Zou zij den weg opgewandeld zijn? Hela! wie zijn dat daar? Ziet Goudkater en van Krenten.

GOUDKATER.

Ziezoo, burgemeester ! nu kunnen we onzen gang gaan.

VAN KRENTEN.

Neen, neen! doet u het toch maar liever niet. Morgen. . . .

FRANK, naderbij sluipend.

Wat hebben die twee daar voor! Wacht eens!

GOUDKATER.

Morgen! Waarom vandaag niet? Als het toch te doen is om je eer te redden, schitterend te redden!

VAN KRENTEN, weifelend.

J a, maar. . . .

GOUDKATER.

As het steentje los staat, geven ze je allemaal gelijk. Een eerekroon zal je op je hoof krijgen. Allemaal zullen ze zeggen: Kijk, de burgemeester wist et. Das 's een groot man. Die heeft den scherpsten blik gehad. Ze gaan met den ragebol bij het poortje. 't Is maar om eventjes te probeeren z ! Hij sloot tegen den steen. Hij wiebelt! - ik voel het, hij wiebelt! Probeert u zelf eens!

Van Krenten neemt den ragebol en sloot eveneens. Het steentje valt naar den buitenkant. Buiten hoort men tegelijk een hevigen gil.

GOUDKATER

Adonai! een ongelukkie ! Af.

FRANK.

Halt, schurken ! Pakt zijn vader in de borst. Jou heb ik ten minste. Roept: Help, help, dieven! help !

VAN KRENTEN, in wanhoop.

Frank!

FRANK, laat hem in de diepste verontwaardiging los.

Mijn vader! ! Van Krenten werpt den slok weg en bedekt zijn gezicht.

FRANK, gaat buiten de poort.

Alice ! De huisdeur gaat open. Annebet, Aaltje en Leentje met licht. Van Krenten treedt ter zijde.

LEENTJE EN DE ANDEREN.

Wat is er? wat is er gebeurd?

FRANK.

Hierheen! gauw ! hierheen ! een ongeluk !

Frank en Alice komen door het poortje. Hij houdt haar een doek tegen ' t hoofd.

LEENTJE EN DE ANDEREN.

Och, och ! wat is er gebeurd? - Juffer Alice ! u bloedt ! Is het erg? Wie heeft dat gedaan?

ALICE.

't Is niets... . een steen....

FRANK.

Gauw maar naar binnen !

VAN KRENTEN.

En dat heb i k gedaan ! . . .. i k ! i k ! burgemeester van Krenten ! Een anders eigendom beschadigd ! Iemand gewond ! . . .. En betrapt als een gemeene dief! Wat moet Frank denken en de anderen ! . . "  als hij het zegt als hij het zegt.. O God! God ! zou i k zoo vernederd worden!

 

Einde van het vierde bedrijf.

.

 

VIJFDE BEDRIJF.

.

Tooneel als in 't vierde. De ragebol ligt nog in 't mid­den. Aaltje doel behoedzaam de huisdeur open en kijkt den tuin in.           

 

--------------

 

AALTJE.

Nu moet ik toch eens kijken wat er gisteren avond gebeurd is. - H! ik heb van nacht geen oog toe kun­nen doen van den schrik. 't Is een griezelige geschiedenis - die goeie juffer met al dat bloed in 't gezicht. . .. en dan die meneer - die den duivel van de poort moest houden - hu! 't is om koud van te worden. De juffers waren ook allebei de tramontane kwijt.

Jacob komt in de poort.

Heere gunst ! daar heb je hem ook. Tot Jacob. Nou, jij bent ook 'n mooie! Waar heb je gister avond gezeten, of ben je tot nu toe onderweg geweest?

JACOB.

Goeie morgen!

AALTJE.

't Is een pret om met jou te verkeeren. Is dat fatsoenlijk, z'n beminde alleen in 't donker te laten schilderen - met al dat kwade volk bij den weg. De Heer is gelukkig bij me geweest, anders....

JACOB.

Zeg eens, Aal, wat is der hier voor een historie gebeurd, gister avond? De burgemeester zag er uit als 'n dooie toen hij t'huis kwam.

AALTJE.

Praat er niet van. 't Zit me nog in de beenen. 't Is hier niet pluis geweest bij die poort.

JACOB.

Jongen, dat dacht ik al. Ter zijde. Maar goed dat ik niet gekomen ben.

AALTJE.

Der is een steen afgevallen, niemand weet hoe. Op een juffer der hoofd. Maar ik weet er meer van.

JACOB, rondkijkende.

Een steen? Waar leit die? Hij ziet naar de ragebol. Dat is hem toch niet.


AALTJE.

O genade ! m'n ragebol - blijf der af, Jaap, blijf der af. Zij houdt hem terug.


JACOB.

Wat nou? Waarom zou ik daar af blijven?

AALTJE.

St! laat je raden. 't Is niet pluis er mee, zeg ik.

JACOB, bukkend.

Kom, meid! ben je mal? Zoo'n ragebol ! Als hij hem wil oprapen komt Goudkater in de poort en lacht. Beiden stuiven verschrikt van elkar.

GOUDKATER.

Och, och ! hebben de duiffies mekaar gevonden ! Wel bekome 't je in den vroegen morgen !

JACOB, ter zijde.

Neen, hoor, van dien sinjeur moet ik niks hebben. Hij gaat met een wantrouwend gebaar weg. Atjuus Aal, atjuus hoor! Wenkt Aaltje waarschuwend. Af.

GOUDKATER.

Zeg es, m'n snoeppie! hebben ze nu toch van nach an de poort gezeten?

AALTJE, schuw.

Kom, en u heeft er zelf bijgestaan.

GOUDKATER.

Ik? - 'k Was wel wijzer. 'k Hoorde daar zoo wat aan­komen, toen heb ik mij bij tijds op de veiligheid gesteld. Beter een blooie man dan een dooie man. - Hebben ze hem nog gepakt?

AALTJE,

Gepakt? Wien? Was er dan iemand?

GOUDKATER.

Niemand gepakt? Des te beter! Dan zal er wel nie­mand geweest zijn. Ter zijde. Komaan, die zaak is al weder gezond.

AALTJE.

Ach, meneer, zegt u nu eens eerlijk heeft u heusch . . .. heusch iemand gezien,..  toch niet de. . . . de .. ..

 GOUDKATER.

'k Mag er je niks van zeggen 'k Mag het niet doen !... Vlijtig bidden maar, poessie, vlijtig bidden! Tot strakkies hoor! Voor hij de poort uitgaat, komen Frank en Danville binnen. Hij groet diep. Zij zien hem vorschend na.

AALTJE.

Ach hemeltje, hemeltje! Zij gaat naar binnen.

DANVILLE, de poort beziende.

Waarachtig, jongen, ik begrijp het niet. Die steen stond als een muur, de lucht was stil. 't Klinkt ongelooflij - heb je 't zelf gezien?

FRANK.

Ik kwam juist toen het ongeval gebeurde.

DANVILLE.

En stond Alice buiten. . .. Buiten gaande.

Hier? Maar Frank,

Waar is 't gevallen steentje dan gebleven?

FRANK.

Ik weet niet. . .. Zeker al door iemand megenomen

DANVILLE, den ragebol ziende.

En daar - wat is dat voor een ding?

FRANK, eenigszins ontstellend.

O niets !

Dit lag er gist'ren al. . . .

DANVILLE, neemt den ragebol op.

't Is vreemd, zeer vreemd!

Bij alle goden, Frank ! 'k ben al wat oud

Om aan den booze te gelooven . . , . anders

Hield ik dat malle poortje voor behekst.

FRANK, aan de deur.

De deur is open. . .. Zullen we eens hooren

Hoe 't met Alice staat . . . .

DANVILLE, zet den ragebol tegen den deurpost.

Ja, ja! ik kom.

Beiden naar binnen.

Van Krenten komt langzaam en ter neergeslagen op. Buiten de poort staat hij stil

VAN KRENTEN.

Hier was het ! . . .. O! waar ik hier nooit geweest!

Verwenschte poort! Uw val is ook de mijne.

Van deze plek zal 't nageslacht getuigen. . . .

Hier ging van Krenten's goede naam te niet!

GOUDKATER, hem achterna komend.

Kijk! burgemeester, kijk! dat treft bizonder,

Ik zoek u net - en heeft u wel gerust?

VAN KRENTEN, zeer geretireerd.

Integendeel. . . .

GOUDKATER.

Och kom u jokt het toch !

Heef u niet op uw lauweren gerust ?

U staat hier as een veldheer na den slag

En ons is de victorie! de victorie!

VAN KRENTEN.

Victorie? Neen! geschandvlekt is mijn naam

Ik ben ontdekt, betrapt, als waar 'k een dief.

Ik ben herkend - O God!

GOUDKATER.

Och kom, wat zou et!

VAN KRENTEN.

't Was door mijn zoon, meneer, mijn eigen zoon!

GOUDKATER.

Nah, liever door je zoon dan door een diender!

Je vleesch en bloed zal je toch niet verraden.

VAN KRENTEN.

k Zou nu dien familiaren toon maar staken.

'k Heb niets met u te doen. Waart u het niet,

Die al dit kwaad gesticht hebt?

GOUDKATER.

Kom! welzheker!

Nou samen ruzie zoeken! - Man wees wijs,

Je gooit je eigen glazen in. - Wie deed het?

't Was iemand van ons beiden, maar i k niet!

VAN KRENTEN.

Waartoe ben ik gekomen! Welk een toestand!

Leentje komt uit het huis

GOUDKATER TOT VAN KRENTEN.

Nou opgepast! daar komt de juffer aan.

Denk om je waardigheid en hou je goed.

            Leentje neemt den ragebol van den deurpost.

GOUDKATER, ontsteld.

De ragebol. . .. Ze weet et!

VAN KRENTEN, ontsteld.

Ja, ze weet het!

LEENTJE, den ragebol achter wegbergend.

Dat 's zeker weer een slordigheid van Aaltje.

Zij ziet de twee heeren.

Ach, burgemeester, heeft u 't al gehoord?

't Is vreeslijk, vindt u niet?

GOUDKATER TOT VAN KRENTEN.

Ze weet van niets!

VAN KRENTEN .

Ja, vreeslijk, vreeslijk !

LEENTJE.

De poort was wrak - had ik uw raad gevolgd,

Dan was dit nare ongeluk voorkomen.

Het is mijn schuld. Het arme, arme kind!

De dokter zegt: twee vingerbreed op zij

En 't schaap was dood geweest. Dood! door mijn schuld!

Zij snikt. Van Krenten ziet zwijgend voor zich.

Dat nare poortje, 't moet nu daadlijk weg.

Wie weet, wat onheil het nog verder sticht!

't Heeft ook mijn arme zuster Annebet

In treurigheid gebracht. U wist misschien

Of hebt vermoed, dat tusschen haar en Maalman

Iets gaande was, niet waar? Nu, heden morgen

Krijgt zij op eens een brief,           het arme schepsel ! . . . .

Dat alles uit was . . . . Ook al om dat poortje!

Want Maalman zegt, dat zoolang dat blijft staan,

Geen christen meer ons huis kan binnengaan.

VAN KRENTEN.

Wat zegt u, juffer Kluijt! - durft hij dit schrijven?

Dat is een leugen. - Maalman is geen christen.

't Is een bedrieger, die alleen om 't geld

Uw zuster wilde huwen            en bij tijds

Gehoord heeft, dat niet zij, maar u 't bezat.,

            Goudkater stoot hem heftig aan.

LEENTJE.

Foei, foei! 't is schande, wie had dat gedacht !

Een domin !! - en hoe weet u dat zoo?

VAN KRENTEN, verlegen.

Ik ik. ik heb nu ja!... ik heb 't gehoord !

't Is ook geen zekerheid. . . maar een vermoeden.

            Ter zijde.

Ach, ik ben wel een diep rampzalig man.

            Kakelberg komt op.

GOUDKATER, nijdig tot van Krenten.

't Kon wel Wat leeper, EdelAchtbaarheid !

KAKELBERG.

'k Wensch u geluk, mijn waarde burgemeester,

Een schitterend succs, bepaald brillant.

De stad is vol van 't onverwacht geval.

Nu kunt u niet meer weig'ren, juffer Kluijt,

Dat zei mijn vrouw ook daad'lijk toen ze 't hoorde.

LEENTJE.

O neen, 'k beklaag mijn weig'ring al genoeg.

KAKELBERG.

Mij dunkt, mijnheer van Krenten, 't wordt dan tijd,

Mijn werklui aan de karrewij te zetten.

VAN KRENTEN, weifelend.

Hm ja! maar heeft die arbeid wel zoo'n haast?

KAKELBERG TOT GOUDKATER.

Natuurlijk wat dunkt u er van, mijnheer?

GOUDKATER.

Natuurlijk! 't Zal bij d'eersten steen niet blijven.

LEENTJE

Om 's hemelswil, geen ongelukken meer.

VAN KRENTEN, weifelend.

Maar kunt u niet voorloopig restaureeren?

KAKELBERG.

H! wat is dat? - Praat u van restaureeren?

            Ter zijde.

Net is hij wijs of hij slaat wer aan t malen.

 

Tot van Krenten.

Het is u toch geen ernst door zulke grillen

Maakt u zich tot rise van 't gansche land.

GOUDKATER.

Dat helpt toch wel ! Zoo'n stukkie in de krant !

VAN KRENTEN.

Het zal gebeuren ! - 'k Geef u mijn concessie.

Gij hebt gelijk, elk uitstel is gevaarlijk.

Niets is er wat ons let 't gebouw te slechten.

Laat als het moog'lijk is nog heden

Geen steen meer van die poort. . .. Hij stokt op eens.

KAKELBERG.

Ik ga terstond. Af.

            Frank verschijnt in de deur, gevolgd door Danville.

GOUDKATER TOT VAN KRENTEN,

            die op het gezicht van Frank hevig ontstelt.

Kom wees een man!

VAN KRENTEN, ter zijde.

Zwijg ! O! die blik van Frank !

GOUDKATER, ter zijde.

Kom nou ! je waardigheid !

FRANK, TOT DANVILLE.

U hoort het vonnis

Daar gaat de poort, het pronkjuweel der stad.

DANVILLE.

Is 't pleit beslist? - Nu ja! ik had 't verwacht

Ik moet er in berusten, overwonnen,

Ontwapend als ik sta. Maar, burgemeester,

Denk niet dat ik op eens veranderd ben

Van smaak en overtuiging. Vandalisme

Zal ik die slooping eeuwig blijven noemen.

 

Maar wat ik u heb toegevoegd.. " berouwt mij,

't Verwijt van laagheid hebt ge niet verdiend.

'k Heb u miskend, dat grieft mij, uw bedoeling

Was eerlijk, en mijn drift misplaatst.

GOUDKATER.

A, zoo!

Da's andre kost mijnheer bekent zijn onrecht.

DANVILLE.

Ik acht mijnheer van Krenten niet te laag

Om zulk een zelfverneedring te begrijpen.

U weet, niet waar, dat eerlijk schuld bekennen

Ons 't meest voldoening en verlichting geeft?

U zult de toegestoken hand niet weig'ren.

Ik vraag u om vergeving, eerlijk, ernstig.

Vergeef het mij - ter wille van mijn kind !

VAN KRENTEN, hevig ontroerd

Neen, neen !... ik niet ik heb niets te vergeven.

DANVILLE.

Hoe! gaat uw haat zoo diep. . . .

LEENTJE.

Maar burgemeester,

Wat scheelt er aan?

GOUDKATER.

Wat zhal me nou gebeuren?

            tot van Krenten.

Ben je niet frisch?

VAN KRENTEN, weert hem af.

Neen ! Laat mij.. . . ik wil spreken.

GOUDKATER.

Je reputatie. . . .

VAN KRENTEN.

Liever wil ik vallen

Dan langer gaan op krukken van 't bedrog.

Plechtig.

Zoo luistert dan - bespot mij en verguist mij.

Ook ik kies zelfverneed'ring boven schuld,

Een goed geweten boven goeden naam.

Zoo hoort dan - ik heb schuld aan 't ongeval

Door zucht tot eigen onderzoek geleid,

Heb ik, met deze hand, den steen doen vallen.

Thans weet ge 't - 'k roep geen mededoogen in.

Veroordeel mij, ik zal berusten.

GOUDKATER, woedend.

Krijg de koors!

DANVILLE, verbaasd.

Nu wordt het raadsel mij verklaard.

LEENTJE.

Is 't mogelijk !

            Zij gaat hef huis in.

GOUDKATER.

Een fhijne burgemeester!

DANVILLE.

Ik acht u hooger thans dan ooit te voren.

            Hij reikt hem de hand.

VAN KRENTEN.

Ik dank u en mijn zoon?

FRANK.

Mijn beste vader

Zoo 'k ooit mijn eerbied voor u had verloren,

Gij kreegt hem wer thans, met het volste recht.


MEVROUW VAN KRENTEN, de poort inloopend.

Mijn kind! Waar is mijn Frank?

VAN KRENTEN, Ter zijde.

O goede hemel!

Daar is mijn vrouw.

MEVROUW VAN KRENTEN, Frank in de armen vallend.

O Frank, mijn lieve zoon!

Kom toch terug, het is zoo leg in huis.

FRANK.

Ik kom ik kom, de vrede is reeds hersteld.

Maar ik kom niet alleen. . . .

MEVROUW VAN KRENTEN.

Als je maar komt.

VAN KRENTEN.

Ik raad je wensch, mijn zoon, en wil terstond

Het werk der zelfverneedring gaan voleinden.

Voer mij tot haar.

            Leentje komt met Alice binnen. Alice heeft een verband om 't hoofd.

'k Wil haar vergeving smeeken.

MEVROUW VAN KRENTEN.

Maar dat is toch wat erg.

ALICE, TOT VAN KRENTEN.

Neen! Neen! dat niet!

Wij worden goede vrienden. thans niet waar?

VAN KRENTEN.

Lief meisje!... wil je, kun je mij vergeven,

Mij, die je heb beleedigd en gewond?

ALICE.

Ei kom, die schram - 't was mij een goede les,

Niet meer op donk're plaatsen rond te dolen.

DANVILLE.

Laat ons den vrede, met haar bloed gekocht,

Dan nimmer breken.

LEENTJE.

O, wat ben ik dankbaar !

            Tot Mevrouw van Krenten.

Och toe, mevrouw, vind u het ook maar goed.

FRANK.

Om mijnentwil!

MEVROUW VAN KRENTEN, Alice de hand reikend.

Ik zie, dat ik wel moet.

VAN KRENTEN, ter zijde.

Waar ik mij buig, daar houdt haar trots geen stand.

FRANK.

Gelukkig oogenblik !

GOUDKATER.

Och hemel! hoe toesjant!

DANVILLE.

Dus bracht die poort niet enkel tweedracht slechts.

Maar vrede aan 't eind.

K.AKELBERG, op met werklui.

Zie zoo ! hier zijn mijn knechts.

Nu vlug aan 't werk. Dan is 't nog heden klaar.

VAN KRENTEN.

Hou op! die poort blijft staan.

KAKELBERG.

Wat zegt u daar?


Die poort blijft staan . . . . ?

VAN KRENTEN.

En wordt gerestaureerd.

KAKELBERG.

Een mooie boel !

GOUDKATER.

Meneer heef zich bekeerd!

Ik zeg je as dat ie braaf geworden is.

Ga maar na huis - 't loopt met de affaire mis.

Wat zou et! as 'k er niet van sterven zal.

tot Leent je.

Zeg, juffer, heb je nog niks anders bij geval,

Geen waaiers, porcelein, geen zilvren poppegoed?

Niet? - Niks meer te verdienen? Ook al goed!

't Is hier een kale boel - een rein schandaal,

De pes zal jelui krijgen allemaal! Af.

DE STEDEMAAGD, verschijnt naast het poortje.

Neen! zegen zij uw deel tot 't einde van uw dagen!

Verijdeld zijn des Boozen loos gelegde lagen!

Mijn burgemeester blijft thans voor zijn stad gespaard,

Want kleinheid gaat te niet waar zij zich zelf ontwaart.

Klein was hij, ik erken 't, en als elk menschenkind

Is hij gestruikeld, door des Boozen list verblind.

Maar ziet, juist in zijn val is hij omhoog geheven,

Een licht hem opgegaan voor 't lage van zijn streven.

Hij zocht zijn grootheid in den lof uit menschenmonden,

Maar in zijn eigen hart heeft hij ze thans gevonden.

MEPHISTO, aan de andere zijde opduikende.

Haha! je zult die nieuwe grootheid wel bezuren

Met preeken van je vrouwen praatjes van de buren.

            Hij verdwijnt in vuur, hoonlachend.

 

DE STEDEMAAGD.

Neen! houdt standvastig vol, waar gij uw recht beseft,

Denkt dat de lastering zich-zelve 't eerste treft.

Tracht niet de meesten, maar de besten te behagen,

Zoekt in hun lof de kracht uw zware taak te dragen.

Zoo wordt des duivels wel beraamde list in 't end,

Tot uw verderf bedoeld, nog tot uw heil gewend.

 

 

 

Einde

 

 

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 21-05-2010 13:26