Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Frederik van Eeden wordt katholiek

Hoogaltaar in de st. paulusabdij

In 1922, op 18 februari, maakte Frederik van Eeden zijn overgang naar de Katholieke Kerk en werd hij gedoopt in de St. Paulusabdij te Oosterhout.
Hieraan was heel wat vooraf gegaan en er werd ook veel over geschreven, zowel positief als negatief, in de kranten van toen. Hieronder volgen een aantal artikelen.

Alle artikelen op deze pagina zijn afkomstig uit het krantenarchief van De Koninklijke Bibliotheek - Historische kranten.

 
01. De Doop van Frederik van Eeden - 02. Frederik van Eeden en zijn bekeering -  03. Frederik van Eeden over het geloof - 04. Een bekeerde - 05. Frederik van Eeden Roomsch -

Boekje FvE: Eucharistie

 

 



DE DOOP VAN FREDERIK VAN EEDEN

Den 18den Februari jl. is, zooals reeds gemeld, van Eeden's volledige overgang tot een algeheele opname in de R.K. Kerk geschied; hij heeft het H. Doopsel ontvangen in de St. Paulusabdij der  Benedictijnen te Oosterhout, in tegenwoordigheid van zijn peter Pieter van der Meer de Walcheren, den litterator die zelf voor een tiental jaren door Léon Bloy de kerk werd binnengeleid. Verder waren aanwezig mevrouw van Eeden, dr. van Ginneken en prof. Brouwer.

In zijn blad de Nieuwe Eeuw beschrijft van der Meer de Walcheren het verloop van de plechtigheid als volgt:

 

Na de terts, die dien dag gezongen werd, daar het in het bisdom van Breda -wonderlijk samentreffen — het feest was van de Kathedraalwijding, begaf de abt in vol ornaat, voorafgegaan door den stoet der monniken, zich naar het langgewelfde voorpoortaal der kerk. Dáár zette de abt, gemijterd in paarse koorkap, omringd door zijn hof, zich op den zetel. De katechumeen lag geknield voor hem. Recht tegenover hem stonden de subdiaken met het kruis, de twee in het wit gekleede kaarsdragers en in wijden kring daarrond, als stille getuigen, de monniken. Rechts achter van Eeden stond ik, zijn peter, links, zijn meter. En toen las, steeds geknield, de handen op het groote Evangelieboek hij die den Doop vroeg, de Geloofsbelijdenis voor met zachte stem en een stillen eenvoud, die allen diep getroffen heeft.

 

„suo nomine vocaris?" klinkt dan de eerste vraag door den abt gericht tot den katechumeen.

En deze antwoordt: “Fredericus Paulus". Van Eeden had zelf geen doopnaam gekozen, liet dit over aan den abt. En deze gaf hem den grootsten aller bekeerlingen, den H. Paulus tot patroon. En Paul is ook de naam van van Eeden’s dierbaren zoon, die jong gestorven is en wiens dood de vader verhaald heeft in dat ontroerend mooi boek “Paul's Ontwaken". De 18de Februari was ook Paul's sterfdag...

 

De plechtigheid gaat voort in rustige pracht en bovennatuurlijke eenvoud. Een kracht van boven spreekt uit den priester, die in volle macht van zijn priesterschap handelt en bidt. De woorden en al de ceremonieën, de exorcismen, de gebeden, de gebaren, ze zijn zichtbare teekenen van de onzienlijk, waarachtige Werkelijkheid. En van Eeden, de zestigjarige man, laat zich leiden als een kind door zijn vader.

Nu neemt de abt hem bij de hand en voert hem naar den drempel van de kerk, waar hij even stilstaat en hem noodigt: „Treed binnen in de heilige Kerk van God, opdat gij den hemelschen zegen ontvangt van Jezus Christus, onzen Heer, en deel hebt aan Hem en zijn Heiligen. Amen."

 

Het oogenblik is genaderd van den eigenlijken doop. Opnieuw wordt hij ondervraagd; hij wordt gezalfd op borst en schouder met de heilige olie der Katechumenen: nogmaals vraagt de abt, nu staand bij het doopvont, hem, of hij gelooft in God, den Almachtigen Vader, in Christus, den Heiligen Geest, in de heilige katholieke Kerk, in al de artikelen des geloofs, en van Eeden antwoordt duidelijk en eenvoudig: 'Credo'.

„Frederik Paul, wat verlangt ge?"

„Het Doopsel".

„Wilt ge gedoopt worden?"

„Ik wil".

Dan buigt hij zich diep over het doopvont, en de abt, die nu een witte koorkap draagt, giet driemaal in kruisvorm het gewijde water over het hoofd van den katechumeen, terwijl hij zegt, in de groote volle stilte van God's aanwezigheid: „Si non es baptizatus, ego te baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti".

Nu is de ziel gezuiverd. Het is ontzaglijk, God's liefde als het ware tastbaar te voelen worden. Die man wiens oude leven weggevallen is, staat nu, een nieuw mensch, bekleed met Christus.

 

De Hoogmis begint. Wat zal ik u spreken van het onbeschrijfelijke? Ik zou engelenwoorden moeten hebben om in volkomen omvang te kunnen zeggen wat er in werkelijkheid geschied is.

Van Eeden lag geknield terzijde voor het altaar en toen de abt, die de mis van kerkwijding opdroeg, het Lichaam en het Bloed genuttigd had, ging de nieuwe christen schuchter naar den voet van het altaar, besteeg de treden en ontving voor de eerste maal het Lichaam van zijn lieven Heer Jezus Christus. Er was een innige stemming van feestelijkheid, van bovennatuurlijke vreugde, heel dien dag, in welke de ziel is ontboeid geworden, heeft haar vrijheid teruggekregen van kind van God. Zij leeft nu in het licht. En — mag ik het zeggen ? Het was zichtbaar in de oogen van van Eeden, die verandering, die innerlijke bevrijding. Want dat is het: de Doop geeft de vrijheid, en dat voelden wij allen bij van Eeden in den eenvoud van zijn gelukkige woorden, in de rust van zijn houding, in zijn algeheele overgave aan de wijsheid, van de goede Moeder die ons vereenigt en gelukkig maakt.

 

Een ontroerend bewijs van zijn kinderlijk vertrouwen en zijn liefde — welk een wonder is toch de genade! — zag ik den avond na zijn Doop. Ik liep met een jongen monnik door de zwak-verlichte kloostergang tijdens het halfuur der avondrecreatie. Toen kwam uit den refter, vergezeld door een pater, van Eeden, een vaas vol witte hyacinten — een ruiker die hem gegeven was voor dit heerlijke feest — met beide handen voor zich dragend, en ging naar het Onze Lieve Vrouwe-beeld dat daar hoog tegen den muur troont. Hij boog zich en zette de vaas met witte bloemen aan haar voeten, hij gaf haar zijn bruidsboeket van het nieuwe leven.

 

Op een hartelijk verwelkomenden gelukwensch van den peter aan den nieuw-gedoopte, antwoorde van Eeden, in van der Meer's blad, het volgende:

„Waarde geloofsgenoot en vriend, laat mij u nogmaals bedanken voor uw assistentie bij de heerlijke plechtigheid van hedenmorgen. En laat mij in uw blad een korte verklaring publiceeren omtrent mijn vroeger werk. Men vraagt er naar, hoewel onze belijdenis eenvoudig en duidelijk is. Wat de kerk in geloofszaken afkeurt, keur ik af, wat ze aanvaardt, aanvaard ik. Wie als ik erkent, dat de Wijsheid der R.-K. Kerk uit hooger bron komt en meer is dan menschelijke wijsheid, zal zich met vreugde en vertrouwen aan haar onderschikken. Wat ik vroeger als waarheid uitsprak, moge oprecht gemeend zijn, mijn menschelijke waarheid van toen is niet de Goddelijke Waarheid waarin ik, evenals gij, nu weet te leven. Paulus zegt: „toen ik kind was, dacht ik als kind. Man geworden heb ik het kinderlijke afgelegd." Wie dus tegenstrijdigheden vindt in mijn werk, wete dat alleen het nieuwe geldig is, en dat ik diep betreur, soms in kinderlijken waan te hebben miskend of beleedigd de goede Moeder die ons vereenigt en gelukkig maakt.

Met broederlijken groet

Uw Frederik Paul van Eeden.

Oosterhout, 18 Febr. 1922.

Bron: Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad, 27 februari 1922



 

FREDERIK VAN EEDEN EN ZIJN BEKEERING

 

 

Wanneer een kind als mijn jongste over “Ons lieve Heer" spreekt, is dat meest zoo ontroerend naïef dat ik niet gaarne door een onvoorzichtig woord zoo innige illusie verstoren zou. En als een nonnetje haar hemelschen bruidegom aanroept als den „dolce ed amoroso cavaliere" Jezus Christus, en zij noemt den gekruisigden heiland der wereld haren “allerzoetste Jezus”, dan moge deze gesublimeerde passie den man in mij niet welgevallig wezen, de grootsche figuur van Catharina van Sienna is daar, om te bewijzen, dat zulk een tot het uiterste gedreven beantwoording van de in de wereld geopenbaarde liefde Gods met den hoogsten gemoeds- en geestenadel kan gepaard gaan. Maar uit mannemond klinkt zulke sprake laf.

 

Voor mij is Albrecht Dürers mooie prent van Ritter, Tot und Teufel nog altijd het portret van den Germaanschen man, die niet luchthartig maar met vastberaden ernst door het soms zoo duistere woud des levens trekt, met den hond als symbool van zijn mannetrouw aan zijn Meester voorop, en staag begeleid door de gevaren des levens in de gedaanten van dood en duivel.

 

 

Dürers ruiter is zeker geen vroolijke figuur, maar hij kent zijn plicht om den rit des levens in trouwe ten einde te brengen, en het kan in zijn natuurlijk gemoed geen oogenblik opkomen om uit te barsten in een klagelijk

 

Ik wou wel liever hier vandaan

En slapen gaan bij mijnen lieven Heere.

 

 “Repos ailleurs” was het fiere devies van Marnix van St. Aldegonde, een christen strijder in Dürers geest en toch ook een Dichter, evenals van Eeden. Daarom heb ik dien man van De Kleine Johannes nooit goed kunnen zetten. Van Eeden kon van zoo’n weeë onmannelijkheid wezen, “und Mensch, das heisst doch Kämpfer sein!" En nu laat hij zich met Kerstmis in den schoot der Roomsche Kerk opnemen.

 

Reeds lang zocht hij aan dien kant den steun dien hij elders niet heeft kunnen vinden. Zonder inwendig verzet is het niet gegaan. Te veel fijn gevoel heeft ook deze dichter om niet te voelen hoe veel er bij de Roomschen zelf af is van het ideaal, dat een dichter zich van het Roomsch-Katholicisme kan maken. Te veel geest heeft hij bovendien, om niet te glimlachen om het realisme der onnoozelen tegenover de Roomsch religieuse symboliek. Nog maar kort geleden schreef hij, dat die goeie brave monniken in Brabant het niet ál te bont moesten maken wijl hij zijn vis comica ook in hun kapelleken niet kon kwijt raken. Doch over dat alles is hij nu heen gestapt. Waarom?

 

Ik heb van Eeden eens hooren spreken voor de Rotterdamsche spiritisten. Met zijn Pauls  Ontwaken had hij toen de aandacht dezer anders zich ver buiten zijn sfeer bewegende menschen op zich gevestigd. Mij is van dezen avond steeds een indruk van onoprechtheid bij gebleven. De spreker hoorde daar niet, en uit zijn woorden voelde ik dat hij zulks wist.

 

Tijdens een andere lening in de Remonstrantsche Kerk te Rotterdam kreeg ik van van Eeden een soortgelijken indruk. Lees ik nu het wanhopige gedicht aan zijn „Engelbewaarder" in het Kerstnummer van de Groene Amsterdammer, dan durf ik dezen to heden nooit uitgesproken indruk van van Eedens karakter neerschrijven ; deze mam is door zijn zwakheid steeds onbetrouwbaar geweest, en heeft in zich „dien spil" nooit gevoeld,

 Die in der waereld draaiing

staat met volmaakte stilheid stil,

gelijk hij het zelf in zijn Lied van Schijn en Wezen zoo schoon uitgedrukt heeft.

Dezen zomer toefde ook van Eeden een paar dagen in 't St. Jozefsmissiehuis te Tilburg, tijdens de retraite voor andersdenkenden. Toen heb ik hem van dichtbij gezien. Niet leeren kennen. Want hij sprak weinig, en nadat hij vertrokken was, is er alleen over zijn oeconomische positie gesproken, die vrij zorgelijk was, ondanks de 1000 gulden regeeringssteun voor den Nederlandschen dichter in zorgen ook hem toebedeeld.

 

Bij Tagore vergeleken vond ik van Eeden van dichtbij sentimenteel en boersch.

 

Vraagt men me dus, waarmee hebben we hier van doen? dan zeg ik: met een min of meer psycho-pathologisch geval.  Ik weet uit eigen ondervinding dat ware of vermeende zorgen bij het voor hypochondrie zoo ontvankelijk dichtergemoed tot angst leiden, die iemand er toe kan brengen het moede, gekwelde hoofd te leggen in den breeden moederschoot der Katholieke Kerk. En als van Eeden door zijn hoofd in den schoot te leggen den vrede des harten vindt, laten we 't hem dan van ganscher harte gunnen, en aan Rome de eer, dezen moeden man een gerusten, veiligen, levensavond te hebben gebracht. Ik wilde wel, dat de Katholieke Kerk alle Nederlandsche kunstenaars die thans lichamelijk en geestelijk gebrek lijden, uit den brand kon helpen. Als dan heel de Nederlandsche kunst een glorificatie der Roomsche vroomheid werd, wie zou dat niet haar rechtmatig loon vinden?

 

Er is in elke kunstenaarsziel nu eenmaal een graviteeren naar het Katholicisme, evenals in elke vrouweziel. Een dame uit geloovig Protestantschen kring zei me eens, dat ze — om uit de verdeeldheid te komen — een terugkeer “en masse" in de kerk van Rome graag zou meemaken, want deze zou door al den nieuwen geest dan vanzelf zoo gaan gisten, dat ze, langzaam misschien maar stellig, zou verliezen wat thans den Protestant afschrikt. En een geloovig Protestant, meester in de rechten en bestuurslid der Evangelische Maatschappij, vertelde me laatst, dat hij heel vaak bij de Oud-Katholieken ter kerke ging. Het Sacrament van de Mis gaf hem bekoring en geen aanstoot.

 

Zelfs van Goethe is het trouwens bekend, dat hij in de eenzaamheid van zijn levenswinter soms verlangde naar de warmte der kerkelijke gemeenschap. Maar hij vond het laf om uit vrees voor ouderdom en dood zich te bekeren.

 

En het is juist die angst voor ouderdom on dood die volgens van Eeden's eigen bekentenis, hem naar de kerk van Rome heeft geleid. Dat ontneemt aan het feit van zijn bekeering voor beide partijen veel van den glans.

 

We zien het aan dien anderen dichter, aan Klemens Brentano, Roomsch geworden na den vreeselijken slag die hem trof, toen hij, tegelijk met hun eerstgeborene, de schoone Sophie Mereau, verloor, de vrouw die zijn geweldige passie eens in bijna waanzinnige woorden met lijf en zie! voor zich had opgeëischt, hoe wanhoop de achtergrond is van menige dichterbekeering en hoe hij in zijn geestelijken hartstocht voor Luise Hensel, de “zuster", vergoeding zocht voor wat hij aan zijn vrouw had verloren.

 

“Ik ben", zoo schrijft Brentano in zijn Chronika eines fahrenden Schülers, “nog dikwijls rondgedoold door de landen, alvorens ik mijn Heer en Meester Jezus Christus gevonden had en door hem werd waardig geacht, zijn wonderen en zijn wonden te vereeren. Want ik was hoogmoedig van kinds af, daar ik van voorname familie ben, in welke verstand, geest en wereldschgezindheid reeds geslachten lang voorkwamen. En ik werd met veel zorg opgevoed en bij rijkdom en trots ter schole gezonden. En later ging ik met enkele geestrijke makkers om, die meenden het rijk Gods met hun platte hersens te kunnen veroveren. Door hen verlokt, als eens door Luthers dwaalleer, doolde ik als Parsifal jarenlang in de dwaling. Maar altijd brandden de hemelsche  druppels, met welke ik onder het peetschap van den laatsten keurvorst van Trier, den aartsbisschop Klemens Wenzelaus, eens als Katholiek Christen gedoopt werd, als vuur op mijn hoofd, zoodat ik slechts met gestadig berouw zulk een wereldsch leven geleid heb. En al verloor ik mezelf ook aan een vrouw, wie God de eeuwige zaligheid moge schenken, ik ben met haar evenmin als op alle dwaalwegen naar het Heil ooit van ganscher harte gelukkig geweest. Eerst toen ik u vond, gij gelijk ik bekeerde, gij zachte barmhartige hoorster naar het verhaal van mijn lijden, gij troosteresse, gij mijn lieve, nieuwe leven, gij heiligdom in welks nabijheid alle furiën wijken, toen gij mij uwen mond onttrok om me met uw rechterhand op het kruis te wijzen, dat steeds door alle nevels heen me met zijn gouden glans bestraald had, toen werd het rust en vrede in mij.”

 

We zien het, van de wanhoop uit voeren meer wegen naar Rome, alle met hetzelfde doel, en als Eulenberg aan het slot van zijn opstel over Brentano, spreekt van den grootsten volksliederdichter der Duitschers, “der später geisteskrank wurde, den die Katholische Nacht verschlang", dan zien we in dit bittere slotwoord van een psychiater toch het gevaar van zulke bekeeringstoestanden voor den bekeerling, zij 't dat de begeerte naar een rustigen ouden dag voor de reeds geschokte dichterpsyche minder gevaar oplevert, dan een “liefdezuster", met wie men in de onzichtbare kerk van Christus getrouwd en van wie men slechts naar het lichaam gescheiden is. Bij zulke ziele-experimenten breekt de broze geest al héél licht.

 

Gezegd heb ik reeds, dat van Eeden's bekeering niet moet worden overschat als Roomsch succes, al gunt men er de beide betrokken partijen weerzijds het beste van. Ik ten minste heb tegen zoo’n bekeering als eenling slechts dit bezwaar, dat de bekeerde, als er nog een beetje man- en strijderschap in hem is en hij niet ineens in 'n “alte Betschwester" verandert, bij het ontwaken uit zijn bekeeringsroes zich verbazend eenzaam zal voelen. Wat kan er voor werkelijke kameraadschap zijn tusschen een van Eeden en pater van Ginniken bijvoorbeeld?

 

It wil het groote schip der Roomsche Kerk, dat den heelen Europeeschen Godenhemel mee aan boord heeft genomen, graag in den storm der komende tijden een goede kans geven bij het zee houden, tegenover de vele kleine scheepkens der sekten en de wrakken der staatskerken. Maar ik denk aan den braven Koning Radboud, die bloed was van ons bloed, en dan vind ik, dat men zijn kameraden niet in den steek moet laten voor men alle houvast onder de voeten kwijt is. Het moge waar zijn wat Allard Pierson schreef naar aanleiding van een uiting van Catharina van Sienna, waarin het “opus operatum" verloochend en de waarde van een kerkelijk instituut van haar zedelijk gehalte afhankelijk gesteld wordt; het moge waar zijn dat ook de Roomsche Kerk Thomas a Kempis niet verloochent, die zegt: „het kleed en de geschoren kruin baten niets", zoodat Piersons opmerking over een Christendom waarin Protestant noch Katholiek is, reden heeft van bestaan, dat op de leer van het “opus operatum" alle gezag aan boord van „het groote schip" steunt, zal tegenover de feiten niet licht kunnen worden geloochend.

 

En waar blijft dan “het algemeen priesterschap der geloovigen", waar de Christus, die ons „allen tot Koningen en Hoogepriesters" heeft gemaakt? Zulke vragen rijzen vanzelf, als men een eenzame verongelukte poëtenziel als Frederik van Eeden aan boord van „het groote schip" ziet klauteren. Want al geloof ik niet aan de mogelijkheid van een Roomsch worden van velen nu reeds, in de toekomst zal de propaganda van Jezuïeten en Dominicanen haar vrucht wel dragen. Immers niet enkel in de vrouweziel, de kunstenaarsziel is gravitatie naar het Katholicisme. Over heel het Westen komt de moede avondstemming van het ethisch socialisme, dat Oswald Spengler voor de laatste fase der Westersche beschaving houdt en dat wellicht van Eeden en Rome althans ten deele heeft samengebracht. Kapitalisme en Protestantisme zijn verwante grootheden, beide zijn vruchten van het herfsttij onzer cultuur, nu het echter winteren gaat, zullen er telkens méér zijn, die “the old nest" weer willen opzoeken — en dat oude stamhuis onzer cultuur is nu eenmaal de kerk van Rome. Wie is er die de teekenen niet ziet?

 

Laat hen gaan als van Eeden.  Wohl dem, der jetzt noch Heimat hat !" staat er in een gedicht van Nietzsche, dat veel wanhopiger is dan het Kerstlied aan den Engelbewaarder en dat eindigt als een voorspelling voor dezen tijd van toenemende verdonkering allerwegen met deze regels:

 

Die Krähen schrei'n

und ziehen schwirren Flugs zur Stadt.

— bald wird es schnei'n,

Weh dem, der Keine Heimat hat !

 

T.

Bron: Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad, 10-12-1921, Avondeditie

 

 

 

FREDERIK VAN EEDEN OVER HET GELOOF.

 

 

Diligentia was Zaterdagavond meer dan vol van belangstellenden voor de lezing van dr. Frederik van Eeden over Geloof. Ook het podium was geheel bezet.  

Dr. van Eeden zei ongeveer het volgende: “De door u mij betoonde belangstelling werkt op mij beklemmend. Want ik weet zeer wel, wat u hierheen gedreven heeft en het ligt niet geheel in mijn hand u niet teleur te stellen.

 

Geloof is een waarheidsbesef dat geen bewijsvoering behoeft. Gelooven staat niet tegenover weten. Geloven moet aan weten voorafgaan. Geloof is werkelijkheid, die niet bewezen behoeft te worden, geloof bewijst zichzelf. Pijn, angst, vreugde, genot bewijzen hun eigen bestaan. In ons leven streven wij als doel na: genot en vreugde. Het eerste is van mindere waarde dan de laatste. Vreugde nemen wij onmiddellijk waar; verlangen naar kennis is vreugde. Laag genot bevredigt niet. Wij verlangen genot, dat wél bevredigt. En wanneer we twisten over geloof, dan bedoelen wij: welk geloof schenkt ons de vreugde der bevrediging? Wetenschap en kunst zijn verheven vreugden. Doch bevredigen doen zij niet. Zij kunnen schoonheid brengen, grootschheid, doch geen bevrediging.

 

Boeddha besloot, dat begeerte leidt tot ongeluk. De opheffing van begeerte was voor hem het Nirvana. Niets is een ondenkbaar begrip. Het Nirvana is dus geen goddelijk niets, maar een opheffing van begeerte naar welke verheven phase ook. De leer van Christus zegt, dat één vreugde bestaat, die denkbaar is: de toenadering tot God. Eerst moet vaststaan, dat er een Hoogste Wezen bestaat. Door meditatie en zelfwaarneming is dit mogelijk, door intuïtie en door gevoelsbegrip. Maar wàt weten wij van dit Hoogste Wezen en hoe herkennen wij Het? Nimmer nemen onze zintuigen het waar. Zelfinkeer geeft de, overtuiging hiervoor noodzakelijk.

 

Als aan den Nijloever een steen gevonden wordt, bedekt met krassen, kan een man meenen, dat totale willekeur die krassen veroorzaakte. Hij waant ze waardeloos. De ontvankelijke gelooft deze krassen menschelijk schrift en krijgt door dit geloof de kans deskundige te worden, die de teekens ontcijfert. Zij worden dan een tekst, die spreken gaat van vroeger eeuwen, vroegere gedachten, leed en geluk. Bij voorbaat is niets te bewijzen. Het geloof dient vooraf te gaan. De ongeloovige kan tot het uiterste ongeloovig blijven. Maar niets ontdekt hij, omdat hij niets verwacht. Fantasie moet leven, vóórdat de mogelijkheid van ontdekking zich opent.

 

 

Dit vermogen, deze ontvankelijkheid is het dichterlijk vermogen. De ongeloovige faalt immer- De geloovige faalt bijna immer. Maar in dit simpele ‘bijna’ ligt het heil der menschheid opgesloten, dit is de lichtstraal te midden der duisternis van de relativiteit. Geloof een doelmatigen samenhang van poëzie, wetenschap en ontdekking. Zonder geloof en zonder poëzie is de wetenschap onbruikbaar en levenloos. De ontkenning van deze waarheid heeft de huidige wetenschap tot haar duldelooze aanmaning gebracht. De Kerk nu is de burcht des geloofs.

 

Ik schaam mij wat het spoor der groote voorgangers te volgen. Groote beklemming is in mij, om verder te spreken, Ik vond meer, oneindig meer dan ik verwachtte. Laat mij vaststellen, dat uw verlangen, dat ik lees uit uw groote opkomst in deze zaal mij tot spreken brengt. Het was correct en behoorlijk geweest, als niemand zich met mijn overgang naar de R.-K. Kerk had bemoeid. De grove inmenging van de Pers heeft anders beschikt. Ik ben tot spreken genoopt en dat kost zelfverloochening en groote inspanning om opstandige gevoelen, in mij te onderdrukken. Ik ga nu spreken over het intiemste in mij.

 

Ik zocht voldoening van mijn religieuse behoeften. Ik heb ze gekregen met het hechte gevoel, dat deze bevrediging duurzaam zal zijn. Waarom werd ik juist Roomsch Katholiek? Omdat de Roomsche Kerk de enigste is, die het gansche leven van dag en nacht met godsdienst vult. Omdat ze een groep vormt, die streng rekening houdt met de godsdienstbehoefte. Omdat zij consequent godsdienstig is en alle consequenties aanvaardt, die vloeien uit de vaststelling van Jezus' wonderbare geboorte. Elke groep, elke sekte respecteer ik. Maar ik, die mij belemmerd en geschaad voelde, greep naar redding en vond die hier. Als enkeling was ik onmachtig mijn ziel te troosten. Tot mij kwam georganiseerde hulp. In mij ontstond een conflict tusschen hoogmoed en eerlijkheid. Ik moest bekennen: Ik kon het alleen niet af. Vroeger was ik fier geweest op mijn jeugd, mijn kracht, mijn onafhankelijkheid. Ouderdom bracht mij tot inkeer en belijdenis. Ik schreeuwde om hulp. Nu heb ik dien zuiveren tempelgeur ingeademd. In het klooster ervoer ik, dat de monnik de allernuttigste mensch op aarde is. Nut is toch, wat bevorderlijk is tot het hoogste levensdoel!  

 

Hier voelde ik mijn religieuze gevoelens bevredigd. Ik ontving kracht, die ik nimmer had bezeten en die slechts kan worden begrepen door hen die weten wat wijding is. Voor den enkeling is de verheven spanning der wijding te sterk. Het wereldsch leven valt te fel ons aan. Ik begreep nu het ritueel, den rozenkrans. Vernederd en beschaamd als een bedelaar kwam ik tot de R.-K. Kerk. Ik werd ontvangen als een vriend. Niets verwachtte ik, ik kreeg alles. De intrede was gemakkelijk en natuurlijk.  Láát ze lachen, laat ze zeggen, dat-ie oud wordt. Denkt aan uw kinderen. Aan hun toekomstigen lijdensweg en aan uw onmacht. Bedenk, dat gij niet ontkomen kunt aan de marteling van een jonge ziel in een oud lichaam. Alle ellende is het gevolg van gebrek aan religieuze tucht en aan liefde.

 

De toestand der Maatschappij is niet zoo hopeloos ! De kerstening gaat voort. Overal geschieden dwalingen en komen episodische wantoestanden voor, maar reeds in Johannes Viator schreef ik, dat de druppels her en der kunnen vloeien, de stroom  behoudt zijn loop. Jongeren, weest geloovig en vertrouwt! Leeft sober en weest nuttig. Geloof behoeft geen moeite te kosten. Wacht geduldig, stel u open. Niet alleen bestaan natuurwetten, ook bovennatuurwetten.

 

Ik geloof aan het sacrament des altaars. De deelneming aan de H. Hostie trok mij onweerstaanbaar. Men blijkt eindelijk gedwongen alles of niets te moeten aanvaarden. Gedeeltelijk ongeloof of onvolkomen overgave moet leiden tot de consequentie, dat Jezus gelogen heeft. Moge u en mij de H. Geest blijven bezielen en verlichten. Amen !

 

* * *

 

De gedichten, die Frederik van Eeden Na de pauze voordroeg gaven in poëtischen en gekristalliseerden vorm denzelfden lijdensgang, die daarvoor in zulke simpele taal was uitgelegd.

In: zonsondergang aan zee was de angst voor de oneindigheid met beklemming uitgedrukt. In den Drievoudzang: de onbewuste erkenning van de H. Drievuldigheid. Aan mijn Engelbewaarder gaf een kiemend inzicht, terwijl Kindjes Glimlach naast een hooge poëtische waarde (wellicht de grootste dezer rij) en een heerlijke zangerigheid, een geprononceerd besef was van afgebakende toekomst.

In Heines laatste levensuren heeft hij nog gezegd: Als uw oog u kwelt, ruk het uit, als uw arm u hindert: houw haar af en als uw verstand u plaagt: word Katholiek!

Menigeen zal deze uitspraak als een sarcastische boutade hebben geaccepteerd, maar ligt er niet de onmacht in van het verstand, dat zonder geloof poogt te bouwen, van welke poging van Eeden in zijn rede gewaagde?

 

 

Bron:  Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad - 01-05-1922, Avondeditie

 

 

 

EEN BEKEERDE

 

 

(H.) Den tweeden Kerstdag, zoo hebben de bladen medegedeeld, zal onze bekende landgenoot, dichter, wijsgeer, schrijver, dr. Frederik Van Eeden te Breda in een kapel van een katholieke monnikenode worden gedoopt. Van Eeden is nl. katholiek geworden, en hij heeft de stap gedaan, die wij verwachtten, dat hij zou doen, waar blijkens zijn geschriften van de laatste jaren zijn sympathieën al meer naar de Roomsche Kerk uitgingen.

 

Wij zouden over deze aangelegenheid hier niet spreken, wanneer daar niet een bijzondere aanleiding voor was. Op welke wijze iemand geluk en vrede voor zijn ziel wil vinden, is zijn aangelegenheid en wij hebben ons te wachten in het heiligdom van het zieleleven van een ander door te dringen. Verdraagzaamheid en waardeering van een anders eerlijke overtuiging, ook al is zij de onze niet, is niet alleen een maatschappelijke noodzakelijkheid, gegeven het groote getal van overtuigingen, maar ook zedelijke plicht, gegeven de waarschijnlijkheid dat in elke overtuiging toch wel eenige waarheid zal schuilen, en vaak die zijde van de waarheid, die aan de tegenovergestelde overtuiging verborgen bleef.

 

Van Eeden heeft in het publiek rekenschap gegeven van zijn bekeering. Dit feit maakt zijn verandering tot een onderwerp van publiek debat. Maar wij zouden ons daar niet in mengen, ware het niet, dat hij, blijkens het verslag in het Vaderland, van al zijn levenswerk verklaarde dat het mislukt was.

 

“Bij de nadering van den ouderdom was de gedachte aan den dood hem een verschrikking. Hij voelde opeens, dat hij zijn levenstijd niet goed had besteed. Niet, dat hij zich aan excessen schuldig maakte, neen, hij meende dat hij het altijd goed met alle menschen en het ernstig met het leven had voorgehad, maar opeens kreeg hij een ontzettend gevoel, dat hij ontzaglijk veel tekort kwam, dat hij zijn plicht niet deed op aarde. Zijn vele boeken, en lezingen, ze beteekenden niets meer voor hem. Het was alles tevergeefs geweest."

 

Voor zoover dit alles eerlijk en oprecht gemeend is, is het, zacht gezegd, sterk overdreven. Een bekeerde moge op de grens van het oude en het nieuwe, het oude als diep duister en het nieuwe als puur licht zien, hij is zeker niet de aangewezen persoon in dezen juist te schatten. Velen hebben aan de boeken en lezingen van van Eeden ontzaglijk veel te danken, ze hebben hen bevrijd van de banden van een bekrompen en enghartig materialisme en ontvankelijk gemaakt voor hoogere, geestelijke levenswaarden. Toch kunnen we begrijpen, dat Van Eeden zo spreekt. Hij was n.l. ook socialist en gaf in geschriften en lezingen de scherpste critiek op de maatschappelijke verhoudingen. In een rede voor het Nut te Rotterdam gehouden, “Waarvan leven wij”, waar de bloem van de Rotterdamsche bourgeoisie tegenwoordig was, kreeg deze te hooren dat zij dieven en roovers zijn, slechts eenigermate verachtelijker dan vroegere roofridders. Deze toch waren roofridders en zeiden dat ze roofridders waren, de huidige roofridders, die van speculatie, bedrog, en exploitatie van hun medemenschen leven, doen zich als hoogst achtenswaardige menschen voor, als Christenen.

 

Van Eeden vergat dat het huidige maatschappelijk stelsel voor een groot deel die maatschappelijke daden bepaalt. Van Eeden was socialist en zag met ons de socialistische samenleving als de maatschappelijke voorwaarde voor een meer broederlijke en liefderijke samenleving. Maar hij zag niet dat de weg daarheen, die der democratie is, die der machtsvorming van de verdrukten, die van de worsteling om de macht in maatschappij en staat. Hij meende, dat men in het klein socialistische gemeenschappen kon stichten. Productieve associaties, landbouwkolonies, waar de werkers voor elkaar in broederschap zouden werken, en in soberheid levende, de winst zouden gebruiken om al meer bedrijfjes en bedrijven binnen den kring van deze kleine gemeenschappen te trekken en van binnen uit het kapitalisme kon overwinnen. “Werkers, werkt voor uzelf”, was zijn leuze tegenover het “Proletariërs vereenigt u."

 

Van Eeden voegde de daad bij het woord. Op ‘Walden’ in Blaricum begon hij zijn “socialistsche" gemeenschap. Het was een coöperatiefje met later een bakkerij. Na de spoorwegstaking van 1903 begon hij in Amsterdam een soort van coöperatief volkswarenhuis. Hij was dit alles ongetwijfeld met de juiste bedoelingen en met groote verwachtingen begonnen, zooals velen voor hem. Want het was niet voor de eerste maal, dat zoiets beproefd werd. Maar als al de pogingen van zijn voorgangers  mislukten, zo ook de zijne: de menschen deugdenniet, de organisatie deugde niet en het bleek dat de wil en de lust om in soberheid voor elkaar te werken er nog maar heel dunnetjes opzaten.

 

Als sociaal hervormer mislukte Van Eeden. Hij wist, hij kende het onzedelijke van het huidige stelsel, hij zag de noodzakelijkheid, de schoonheid van het socialisme, maar hij geloofde niet aan de democratie, de machtsvorming, den klassenstrijd en de klasseworsteling. Hij werd een eenzame. Hij had een bijzondere positie in de arbeidersbeweging kunnen innemen, hij had den nadruk op ook haar geestelijk doel en de waarde van de geestelijke krachten kunnen leggen Hij had zich buiten haar geplaatst. Toch zocht hij steun en verband met zijn medemenschen Steun en verband, dat ook het persoonlijke leven zin, doel en richtsnoer geeft. Hij ging voor het socialisme verloren, omdat hij zich buiten de beweging daarheen plaatste. En nu kwam hij dan ten slotte tot die kerk, die zeker steun en verband geeft, maar die tot op den huidigen dag niet de levende kracht naar een nieuwe sociale orde is, maar wel de groote behoudende macht voor het bestaande stelsel is. Totdat de katholieke arbeiders zich voldoende sterk zullen organiseeren en alle bisschoppen en adviseurs ten spijt het socialisme zullen willen. En wat zal de nieuwe bekeerde dan doen?

 

Bron: Voorwaarts : sociaal-democratisch dagblad - 12-12-1921, Dageditie

 

 

 

Frederik van Eeden Roomsch.

 

Het korte krantenbericht over de aanstaande toetreding van dr. Van Eeden tot de Roomsche Kerk zal niet nalaten ontroering te wekken onder hen die in vroeger of later tijd het woord van dezen dichter hebben liefgehad. Het heeft al reeds lang gehangen. Het is nu twee en een half jaar geleden dat wij het boek van Van Eeden over De Leer en het verborgen leven van Jezus in deze rubriek bespraken en de mogelijkheid stelden, dat Van Eeden, die door een bijzonderen geest aan zijn mededeelingen heette te zijn gekomen, wel eens Roomsch worden kon. De vergoddelijking van het misbrood aanvaardde hij toen alreeds. Maar de oude individualist in hem heeft zich toch nog verzet. Tegen datgene, waardoor een Protestant zich altijd hevig geprikkeld voelt, het gezag en de onfeilbaarheid van den Paus.

Dat verzet schijnt nu gebroken bij den dichter van De Kleine Johannes en De Broeders. Door over pater Canisius te schrijven gelijk hij deed in het vervolg op Den Kleinen Johannes, is hij van de Roomsche Kerk niet losgekomen.

Eerder zijn dat de wanhopige spartelingen geweest van de vlieg in het spinneweb: zeer hevig, maar zonder baat.

 

Hetzelfde deed zich in ons land ongeveer voor met den veel jongeren schrijver Pieter van der Meer de Walcheren, die eenige jaren voor zijn bekering in zijn roman Van Licht en Duisternis de Roomschen met felle kleuren als gruwelijke dompers afschilderde. Al moeten wij erkennen dat bij den laatste het geheele proces in veel sneller tempo en met heftiger schokken verliep. Waaraan het verschil in jaren en in temperament tusschen beiden niet vreemd zal zijn.

 

Maar met dit al is deze overgang een succes voer Rome, zoo goed als die van Torop. Van overgang kunnen wij eigenlijk niet spreken.

Voor zoover we weten was Van Eeden nimmer lid van eenige Kerk. Maar wij waren gewend hem te beschouwen als een der vrije godsdienstige geesten, die voor hun aandeel meewerken aan de vernieuwing van het Christendom.

Hoewel het scheen of Van Eeden aan het kerkelijk leven ontgroeid was, is zijn in- vloed on het godsdienstig levert binnen de vrijzinnige Protestantse Kerken toch niet onbeteekenend geweest. Menige gedachte, menig gedicht van hem heeft zijn weg gevonden door de woorden des predikers naar het hart der vrijzinnige gemeente.

In dit opzicht blijft hij voor den onbevooroordeelden Protestant even goed zijn waarde houden.

 

Thomas van Kempis en Franciscus — het zij verre van ons een trits te formeeren tusschen hun namen en dien van Van Eeden — blijven immers ook het eigendom van den Protestantschen geloovige? Wij zullen geleidelijk een onderscheid gaan maken tusschen den vroegeren en den lateren Van Eeden. Tenzij hij ook in zijn Roomsche periode werk mocht voortbrengen van algemeen-godsdienstigen toon.

 

Ondertusschen zal Rome wel juichen om haar overwinning. Na de politieke nederlaag inzake het processieverbod is deze zegepraal van moreelen aard. En daarom van des te meer waarde. Het zal ook niet nalaten indruk te maken. Vooral in de toekomst, als de persoonlijke voor- en afkeur zal zijn geluwd, en men zal kunnen wijzen op den bekenden dichter, die eerst een vijand was, om op hoogen leeftijd rust te vinden in den schoot der Heilige Moederkerk.

 

Wij mogen het betreuren, wij kunnen het niet gebeteren. Onze beschaving verkeert in

ontbinding. Ons geestelijk en zedelijk bezit brokkelt af. Het is daarom dat geloof in het hiernamaals en chiliasme sterk opleven te midden van een teleurgestelde en ontmoedigde menschheid. Een gezagskerk als de Roomsche heeft hier alles te winnen: te midden van de onzekerheid lijkt zij een vast punt, dat den moeden zoeker lokt. Maar men vergeet, dat ook zij meedraait met de wenteling der aarde.

 

Nog één ding: Dr. Van Eeden is spiritist.

Zelfs heeft hij zijn Roomsche neigingen te danken aan inblazingen uit de geestenwereld, met welke hij een welbewust contact schijnt te houden. Zijn eerste stap in de nieuwe gemeenschap zal hem in een dilemma brengen: Door de geestenzienerij vond hij de Kerk en — de Kerk bant den geestenziener uit.

Voorwaar een conflict, te pijnlijker naarmate zoowel Kerk als Spiritisme hem dierbaar zijn moeten, juist door hun samentreffen.

J.J.M.

 

 

Bron: Het Vaderland - Zondag 13 November 1921

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 18-06-2010 15:14