Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

De praktische visionair

 

Frederik van Eedens visie op psychische stoornissen

Peter Baldé

 

Enkele jaren geleden schreef Peter Baldé, psycholoog, een boekje over Frederik van Eeden’s visie op psychische stoornissen. Hij deelt dit graag uit aan psychologen en psychiaters in het land tijdens de cursussen die hij geeft. De bedoeling is om te kijken of er reactie komt op de centrale stelling van het boekje: ‘wellicht is er mede sprake van astrale beïnvloeding bij sommige vormen van psychopathologie’.

Op verzoek van de auteur plaats ik hier de integrale tekst van deze boeiende studie en ik hoop dat de inhoud waardevol zal blijken te zijn voor zowel mensen die werkzaam zijn in de psychiatrie, als voor patiënten die aan psychische kwalen lijden en graag meer inzicht krijgen in de mogelijke oorzaken en achtergronden ervan.

 

 

De praktische visionair

 

Frederik van Eedens visie op psychische stoornissen

Peter Baldé

 

 

Frederik van Eeden, der soviel von den Geheimnissen des verborgenen Seelenlebens vorausahnte.

(Frederik van Eeden, die een voorgevoel had van veel geheimen van het verborgen zielsleven.)

Sigmund Freud (Liber Amicorum Frederik van Eeden, 1930)

 

Ja, het moet wel zijn dat sterven en geboren worden zijn als hartslag, afwisselende perioden van leven in het lichaam en erbuiten. Ik herinner mij geen vorig bestaan, maar sommige stemmingen en gevoelens duiden het in mij aan.

Frederik van Eeden (Dagboek, 26 augustus 1914)

 

Het is eigenaardig zoals alle pessimisme van bitterheid en angst verdwijnt, als er zekerheid wordt gevoeld van het voortduren onzer gewaarwording na de dood. Daarom is het wèl belangrijk voor de mensheid dit voortduren als waarschijnlijk aan te tonen.

Frederik van Eeden (Dagboek, 10 oktober 1909)

 

Lijde­lijk in het waarnemen, geduldig in het handelen, voor­zichtig in het voorwaarts schrijden, moeten wij er ons voor wachten om geheimen te haastig te willen ontsluieren.

Frederik van Eeden (Over spiritisme, 1901)

 

 

Vormgeving: Peter Stroo

Fotografiek omslag: Maatje van Eck

 

 

Inhoud

 

Voorwoord

Inleiding

 

I. Het leven van Frederik van Eeden

Jeugd en levensthema’s
Studietijd

                Schrijver en dichter

                Arts en psychiater

                Spiritisme

                Walden, het sociale experiment

Forte Kreis, de geestelijke inspiratie voor de wereld

Significa

De levensavond

 

II. Fundamenten van Van Eedens visie op psychische stoornissen

Geschiedenis van de hypnose
Van Eeden over Charcot

                Van Eedens visie op hypnose

                De inductie, of het opwekken van hypnose

                Hypnosediepte

                                De werking en effectiviteit van suggestie bij lichamelijke en psychische stoornissen

                De schadelijkheid of de heilzaamheid van hypnose

                Suggestie als sterke kracht

                De onverklaarde rol van de hartkuil of zonnevlecht

                De relatie tussen hypnose, gewone slaap en suggestie

                                Spiritisme en parapsychologische experimenten

                                Parapsychologische verschijnselen en hypnose

Droomtheorie

Het wezen van hallucinaties

Van Eedens visie op persoonlijkheid

 

III. Van Eedens visie op psychotherapie

                Empathie en maatwerk

                Autonomie en wilskracht

                De juiste wijze van suggereren

                Recidive

                Psychotherapie bij chronische lichamelijke ziekten

                Hypnosediepte

                Zelfhypnose

                Toepassingsgebieden

                De eigenschappen van het dubbel-ik: suggestibiliteit, verminderd kritisch denken en ideoplastisch vermogen

                Splitsing van persoonlijkheid

                De eeuwige goddelijke ziel en de ontwikkeling van de persoonlijkheid

                De koele meren of het hogere leven

                Oorzaken van psychische stoornissen

                Parapsychologische aspecten van psychisch disfunctioneren

                Beschrijving van een behandeling

           

            Beschouwing tot slot

 

Literatuur


Voorwoord

 

Dit essay verscheen ter gelegenheid van het Hof van Eeden festival, waar ik een lezing verzorgde met als titel ‘Frederik van Eeden, de psychiater’. Sinds mijn studententijd ben ik al geïnteresseerd in zijn werk. Tijdens de voorbereiding op de lezing verdiepte ik mij verder in zijn publicaties over de psychiatrie. Dankzij Van Eedens oorspronkelijkheid en literair talent verschafte mij dit veel genoegen. Het trof mij in het bijzonder dat over een aantal van zijn denkbeelden nauwelijks door collega’s was gepubliceerd. Mijn vrouw Maatje stimuleerde mij om voor geïnteresseerde leken en collega’s een essay te schrijven over deze weinig belichte kant van Van Eeden. Het resultaat heeft u nu in handen.

 

Deze uitgave is tot stand gekomen dankzij de praktische steun van een aantal mensen: mijn broer Daan en zijn vriend Dick de Jong redigeerden de tekst, net als bij mijn eerste boek. Peter Stroo verzorgde de vormgeving en mijn collega Henriette van der Sluijs bedacht de titel.

 

Ik draag het boek op aan Mus en Suvi, de ‘twee liefste kleine meisjes van mijn hele wereld en omstreken’.

 

Peter Baldé, mei 2008

.

Inleiding

 

Over Frederik van Eeden als psychiater verscheen van Wentges (1976) een goed en bondig overzichtsartikel, met een volledige literatuuropgaaf van zijn vakpublicaties. De psychiater Rümke had al eerder (1963) in opdracht van de overheid een boeiend essay over Van Eedens boek ‘Van de koele meren des doods’ geschreven. Hierin analyseert Rümke de hoofdpersoon vanuit een psychiatrische invalshoek. Hij prijst de inzichten van zijn collega die hij als psychiater geniaal acht. De parapsychologische inzichten van Van Eeden laat hij echter buiten beschouwing; hij geeft aan dat hij er geen of nauwelijks een oordeel over kan hebben. Van Eeden wordt beschouwd als een van de grondleggers van de parapsychologie in Nederland (Tenhaeff, 1973). Hij zag belangrijke parapsychologische aspecten in de psychologie en psychiatrie en sprak, nog voor Freud, over de betekenis van dromen. Moderne droomonderzoekers (o.a. Spoormaker, 2005) noemen Van Eeden een pionier op hun vakgebied, die de ‘heldere droom’ (in het Engels ‘lucid dream’) als eerste beschreef en onderzocht.

Dit boekje schetst een beeld van Van Eedens visie over de oorzaken van psychisch disfunctioneren en over psychotherapie, vooral aan de hand van zijn publicaties, toespraken en dagboeken. Toen Van Eeden begon als psychiater zocht de psychiatrie de oorzaak van psychisch disfunctioneren vooral in afwijkingen van de hersenen en het zenuwgestel. In die tijd had de wetenschap duidelijk de strijd gewonnen van de kerk, een strijd die was begonnen rond het eind van de Middeleeuwen. De begrippen God, onsterfelijke ziel en geest hadden afgedaan. Het wetenschappelijke wereldbeeld was materialistisch. Ook psychologen beweerden dat het innerlijk van de mens eigenlijk een sta-in-de-weg was voor het bestuderen van mathematische wetmatigheden in reactiesnelheden en smaak- en reukwaarneming. Van Eeden probeerde in die roerige tijd de begrippen God, onsterfelijke ziel, geest, waarheid, goed en kwaad in ere te herstellen. Ook in zijn werk als psychiater. Hij legde verbanden tussen enerzijds het unieke van het persoonlijk bewustzijn, zoals ideeën, gedachten en gevoelens en anderzijds het algemene van die persoonlijke ervaringen. Daarbij betrok hij nadrukkelijk de aard van het bewustzijn en de relatie van het bewustzijn met de materiële wereld. Wat opvalt is dat hij standpunten durfde in te nemen die afweken van toen heersende opvattingen. Of dat nu de materialistische opvattingen van de medische wetenschap betrof of het algemene orthodox-christelijk en Victoriaans denken van zijn tijd.[1]

Als psychiater opperde hij de in zijn tijd zeer controversiële opvatting dat mentale en sociale factoren belangrijk waren bij het ontstaan van psychische stoornissen. Deze opvatting is in de hedendaagse psychiatrie en psychologie gemeengoed geworden. Dat geldt echter niet voor zijn andere hypothesen, zoals die over de invloed van parapsychologische verschijnselen op psychische stoornissen, over de opgang in moraliteit van de mens en over de eeuwige en goddelijke aard van het menselijk bewustzijn. De parapsychologische aspecten van psychiatrische stoornissen worden overigens wèl naar voren gebracht door veel (ex-)patiënten die hallucineren of hebben gehallucineerd (zie bijvoorbeeld Romme en Escher)[2].

Met deze uitgave wil ik een beeld schetsen van de psychiater Frederik van Eeden, zijn visie op psychotherapie en zijn hypothesen over wat men zou kunnen noemen de immateriële en parapsychologische aspecten van zijn visie. Wellicht bieden zijn hypothesen inspiratie voor psychiaters, psychologen en ervaringsdeskundigen in hun denken en handelen bij psychische problemen. Het is met deze hoop dat ik dit boekje het levenslicht laat zien.

 

Deel 1 bestaat uit een algemene levensbeschrijving met daarin de belangrijkste activiteiten rond de thema’s van Van Eedens leven.

Deel 2 gaat nader in op de fundamenten onder zijn visie op psychotherapie en op de principes die Van Eeden daarbij van belang achtte.

Deel 3 geeft een slotbeschouwing over deze visie.

 

Oud-Beijerland, mei 2008


[1] Eind 19e eeuw was Nederland in vele opzichten nog een gescheiden klassenmaatschappij met veel bittere armoede, machtige kerken, sociale controle en vrijwel afwezige vrouwenemancipatie. De dichter Albert Verweij, de zwager van Van Eeden, schreef vanuit Nieuw Mexico waar hij voor zijn werk verbleef: vrouwen vertonen zich hier veel vaker en vrijer op straat en niemand let erop… zij zijn vrijer, hebben evenveel in te brengen als de man, spreken ongedwongen met mannen en zeggen ongedwongen hun mening (Uuden en Stokvis, 2007).

[2] De meest genoemde verklaringen van herkomst van de stemmen van een groep van 48 stemmenhoorders (met en zonder psychiatrische stoornis) waren: van overledenen: 52%, van entiteiten: 52%, van bekende levende personen: 46%. Alle stemmenhoorders achtten overigens de aard van de stemmen paranormaal.

.

I Het leven van Frederik van Eeden

 

Frederik Willem van Eeden (Haarlem, 3 april 1860Bussum, 16 juni 1932) was een Nederlands psychiater, sociaal hervormer en filosofisch dichter/schrijver. Hij kan in een paar woorden gekarakteriseerd worden als een veelzijdig en daadkrachtig, sociaal bewust en religieus idealist en spiritueel zoeker. Slauerhoff (Liber Amicorum, 1930) karakteriseerde Van Eeden als een persoon met een ‘universele aanleg die in zichzelf een heilige onrust veroorzaakte’ en meende dat zoiets veel beter is dan ‘een rijk verzadigde rust’. Van Eedens veelzijdigheid riep tegenstrijdige en hevige reacties op. Fontijn[1] (1990) noteerde hoe diverse personen Van Eeden hadden genoemd: een Christus, een Satan, een groot schrijver met een bijna geniale intelligentie, een cynische idealist, een Hamlet, een gekwetst profeet, een weekhartige beul, een narcistische faun, een mislukt genie, een uiterst bekwaam psychiater en een bedrieger. Hij schreef vele boeken, zowel romans als wetenschappelijke werken, zowel poëzie als toneelstukken en hield gedurende het grootste deel van zijn leven een dagboek bij. Veel van zijn boeken werden vertaald, zijn ‘Kleine Johannes’ was nationaal en internationaal een bestseller en ‘Van de koele meren des doods’ hoort tot de klassieken van de Nederlands literatuur. Fontijn (1990) vond het een raadsel hoe Van Eeden al zijn medische, psychiatrische, sociaal-economische, literaire en andere activiteiten combineerde. Zijn koppeling van dromen aan daadkracht en durf maakte dat hij op zoveel verschillende gebieden zoveel activiteiten ondernam.

 

Jeugd en levensthema’s
Van Eeden groeide op in een milieu waarin kunst en wetenschap een belangrijke rol speelden. Zijn vader, de plantkundige Frederik Willem van Eeden, was dichterlijk en wijsgerig ingesteld. Hij correspondeerde met Schopenhauer, las Nietzsche en was antichristelijk. Zijn moeder was een warme en conventioneel christelijke vrouw uit een geslacht van dominees. Van Eeden hield van beiden. Als intelligent en gevoelig kind zal hij waarschijnlijk hebben geprobeerd hun zo verschillende gedachtewerelden in zichzelf met elkaar te rijmen en te verenigen. De combinatie van wetenschappelijk filosofisch denken en liefdevol geestelijk voelen werd een van de terugkerende thema’s in zijn werk en leven. Als tiener resulteerde zijn denken voorlopig in de aanname van het atheïstische materialisme. Over de Bijbel noteerde hij: ‘ O Bijbel, ik glimlach niet alleen over je, maar ik haat je ook uit de grond van mijn hart, wat een zeeën van bloed heb je al niet vergoten, wat een ellende, twist en eeuwige tweedracht gezaaid.’ Een ander thema van zijn leven was zijn sociale rechtvaardigheidsgevoel. De basis hiervan werd waarschijnlijk gelegd in het Haarlem van zijn jeugd, waar 50% van de mensen in bittere armoede leefde. Hun hygiënische omstandigheden waren allerbedroevendst. Hij kon moeilijk verdragen dat deze onschuldige mensen in dergelijke omstandigheden leefden, terwijl anderen alleen door hun afkomst in weelde baadden. Rond zijn 10e was hij al geboeid door veel uiteenlopende zaken. Hij bestudeerde rupsen, wormen en witte muizen en hield van schilderkunst, verzamelde stenen en planten, tekende veel, maakte muziek en deed scheikundige proeven. Op zijn 15e startte hij een dagboek en toonde hierin de bereidheid om zichzelf, maar ook anderen en de maatschappij te analyseren. Als 16-jarige verbleef hij in een kuuroord in Kreuznach vanwege een oogziekte waardoor hij enige tijd in het donker moest verblijven. Een alternatief genezer genas hem daar van zijn oogkwaal, volgens Fontijn (1990) door suggestie. In hoeverre deze gebeurtenis invloed heeft gehad op zijn latere toepassing van hypnose is niet duidelijk. In het kuuroord maakten twee Engelse zusjes van 11 en 12 jaar verheven liefdesgevoelens in hem los. Onschuldige en reine liefde werd een belangrijk thema in zijn leven en latere werk (onder andere ‘Johannes Viator’ en ‘De Kleine Johannes’ deel 2). Hij staat hierbij in de traditie van romantische schrijvers als Rousseau, Dickens en Victor Hugo. Als 15-jarige schreef hij in die geest: ‘ik vind het zo naar om een aardig kind een lomp en verstandig mens te zien worden’ (Fontijn, 1990). Een ander centraal thema van zijn leven was de verhouding tussen schijn en waarheid. Hij schreef hierover het filosofisch gedicht in drie delen ‘Het Lied van Schijn en Wezen’.

 

Studietijd
Tijdens zijn studie medicijnen, die hij overigens niet van harte volgde, speelde hij een vooraanstaande rol in het studentenleven en schreef hij zijn eerste artikelen en blijspelen, die met succes werden opgevoerd. Hij werd voorzitter van de letterkundige vereniging Flanor en richtte met anderen het tijdschrift De Nieuwe Gids op, dat de spreekbuis van de beweging van de Tachtigers werd. Als arts promoveerde hij op voeding bij tuberculose. Hoewel hypnose als nieuwe behandelvorm bij psychische stoornissen hem interesseerde, nam hij het niet als onderwerp voor zijn promotie. Dit onderwerp was waarschijnlijk nog te controversieel.

 

Schrijver en dichter

Met Kloos, Perk, Verweij en anderen maakte hij deel uit van de Tachtigers. Hij bleek de meest veelzijdige en leverde als enige bijdragen op alle interessegebieden van de Nieuwe Gids, namelijk letteren, kunst, politiek en wetenschap. Van Eeden publiceerde in het eerste nummer een hoofdstuk uit ‘De kleine Johannes’, dat later zijn meest bekende en verkochte boek zou worden en dat in vele landen uitgebracht werd. Al snel bleken zijn ideeën af te wijken van die van de andere Tachtigers. Stonden de Tachtigers voor kunst en schoonheid, Van Eeden beoordeelde in de kunst vooral de ethische kwaliteit van de kunstenaar en zijn schepping. Hij achtte het idee achter het kunstwerk van meer belang dan de zintuiglijke schoonheid ervan. Kunst moest volgens Van Eeden een ethisch en moreel hoogstaand idee vormgeven, zoals liefde (Johannes Viator), trouw (Lioba), overwinning van zware tegenslagen (Van de koele meren des doods) en goed en kwaad (Sirius en Siderius).

 

Arts en psychiater
De ontwikkeling van de psychotherapie is begonnen met hypnose. Na de veroordeling van Mesmer[2] rustte er jarenlang een wetenschappelijk taboe op hypnose. Zo ook bij de medici in Nederland. In de jaren voor 1820 was er nog een korte opleving geweest, vooral bij enkele artsen in Groningen. Zij publiceerden tussen 1813 en 1820 enkele artikelen over het ‘dierlijk magnetisme’,  maar al snel daarna raakte hypnose weer in de vergetelheid. In 1882 doorbrak de respectabele Franse neuroloog Charcot na vele jaren het medische taboe op hypnose door het onderwerp voor de Académie Française te bespreken. De hypnose maakte vervolgens een revival door die ruimte gaf voor nadere exploratie en theorievorming over de aard en de kenmerken van de menselijke geest. Door de vaak bizarre verschijnselen bij hypnose lieten enkele wetenschappers de onwankelbaarheid van een enkelvoudig ik dat oordeelt, voelt en beschikt voorzichtig los. Een belangrijke periode voor de ontwikkeling van de psychotherapie en de psychiatrie brak aan. De psychiatrie stond aan het begin van wat Ellenberger (1970) noemde ‘ The Dawn and Rise of the New Dynamic Psychiatry’.[3] Men ontdekte het onbewuste als factor in het menselijk functioneren. Er ontstonden in die tijd twee opvattingen over hypnose. De ene opvatting werd uitgedragen vanuit Parijs door Charcot en Janet en de andere vanuit Nancy door Liébeault[4] en Bernheim[5]. ‘Parijs’ achtte ontvankelijkheid voor hypnose een fysiologische afwijking[6] die slechts voorkwam bij ernstige vormen van hysterie[7]. Charcot postuleerde bij hypnose drie vast omschreven stadia: de lethargie, de catalepsie en het somnambulisme[8]. ‘Nancy’ dacht dat hypnose in principe bij iedereen kon worden opgewekt. Zij achtte suggestie het belangrijkste werkzame bestanddeel en beschouwde dat als ‘een actie waardoor in de hersenen een idee wordt geïntroduceerd en daardoor wordt aanvaard’ (Ellenberger, 1970). Tegenwoordig sluiten de gangbare opvattingen over hypnose aan bij de school van Nancy. Van Eeden raakte in 1885 geïnteresseerd in hypnose toen hij voor zijn proefschrift[9] in Parijs was en daar in dezelfde tijd als Freud demonstraties van Charcot bijwoonde. Een van de stellingen van zijn proefschrift luidde ‘De onderzoekingen van Bernheim, Richet, Charcot en anderen over hypnotisme en suggestie verdienen grote belangstelling’.

Van Eeden vestigde zich na zijn promotie als huisarts in Bussum en bezocht in die tijd ook Liébeault, met wiens denkbeelden hij meer affiniteit had dan met die van Charcot. Samen met de huisarts Van Renterghem, die hypnose al korte tijd in zijn praktijk in Goes toepaste, begon hij in 1887 in Amsterdam het eerste Nederlandse instituut voor therapeutische hypnose. Beiden hadden geen formele opleiding in de psychiatrie. Het vak kende nog geen universitaire opleiding (Vos en Van Berkestijn, 1993), en Van Eeden deed zijn kennis hoofdzakelijk door zelfstudie op.[10] De toen heersende medische opinie over psychiatrie kenmerkte zich door onwetendheid en een zekere minachting. De beide artsen zochten desondanks samenwerking met collega-specialisten en verrichtten vanaf het begin onderzoek waarover zij ook rapporteerden. Aanvankelijk verrichtten zij hypnosebehandelingen in groepen, maar al snel zagen zij het belang in van de vertrouwelijkheid van een persoonlijk gesprek. Het psychotherapie-instituut had na enige tijd iets van een intramurale[11] instelling. Een deel van het pand Keizersgracht 258 was woonhuis voor Van Renterghem, een deel praktijk voor de beide psychiaters en een ander deel was ingericht als logeeradres voor een twaalftal patiënten. Het instituut evolueerde in de loop van 100 jaar tot de huidige instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg. Zo stond Van Eeden aan de wieg van de Nederlandse psychotherapie, een term die hij overigens in navolging van Daniël Hack Tuke[12] gebruikte en in Nederland introduceerde. Van Eeden was niet altijd even enthousiast over zijn werk als psychiater. In zijn dagboek schrijft hij er meestal vrij negatief over. Positieve uitzonderingen: ‘Mijn praktijk is iets heel bijzonders. Ik doe alles met woorden en heb dikwijls meer van een priester weg dan van een dokter. Er zijn er onder hen van wie ik zeer veel houd en wier gemoedsleven mij boeit en interesseert. De vriendelijke aanraking van al die hulpzoekende mensen, die met hun zachtste zijde tot mij komen, is mij een genot.’ (Fontijn, 1990). En: ‘Ik moet erkennen dat dit werk mij goed doet. Ik krijg een vaste, gemakkelijke, zelfbewuste houding’(Dagboek, 20 maart 1888). Maar elders beschrijft hij het verrichten van psychotherapie als: ‘Diep in mijn hart vind ik het een dwaasheid, een onzin, een tijdverdrijf, een verdovende last. Ik houd volstrekt niet van die mensen, het weten van de zaak is mij genoeg’ (Dagboek, 22 sept. 1887) en ‘de lange uren in het donkere hok zijn heel erg. Ik mis het licht zo’  (Dagboek, 25 aug. 1891). Hij verfoeide het vragen van geld voor dit werk. Bovendien nam zijn belangstelling voor literaire en sociale projecten toe. In toenemende mate liet hij het psychotherapeutische werk over aan Van Renterghem.

Naast hypnose kreeg Van Eeden grote belangstelling voor dromen. Als student al had hij vaak duidelijke dromen. Verweij herinnerde hem uit die tijd als iemand bij wie men ‘s morgens ‘de dromen in zijn ogen zag. Hij droomde heerlijk. Verrukkelijke landschapen. Die droomwereld verliet hij node voor de werkelijkheid: grijs weer en de onsmakelijkheden van studie en praktijk’ (Liber Amicorum, 1930). Van Eeden besloot in 1889 om zijn dromen aan een nader onderzoek te onderwerpen en werd een van de eersten die zijn dromen systematisch noteerde en bestudeerde. Dromen waren voor hem belangrijk omdat hij dacht dat ze een andere, eveneens reële en hogere werkelijkheid vertegenwoordigden. Deze hogere werkelijkheid achtte hij verwant aan de wereld van de ideeën, de wereld van de geest, de wereld van ‘het absolute’. Hij was benieuwd hoe deze wereld zich verhield tot de alledaagse waakwerkelijkheid en de wereld van het leven na de dood. Zijn bevindingen noteerde hij in ‘A Study of Dreams’ (1913), waarover later meer.

 

Spiritisme [13]

Terugblikkend op zijn jeugd omschreef Van Eeden (1903) zichzelf als 15-jarige als een ‘volbloed vrijdenker, atheïst en materialist’. ‘Door de grote gewetensvrijheid (als gevolg van mijn opvoeding) kende ik geen strijd tegen een opgedrongen geloof zodat ik eenvoudig zocht naar de waarheid. Zonder wrok, verbittering of vooroordeel wees ik de materialistische leerstellingen af toen ik deze door mijn groeiend wezen en meer geoefend menselijk verstand als ketenen begon te voelen - en ik vond mijn God.’, zo schreef hij. Bij deze religieuze levensbeschouwing hoorde de opvatting dat het leven niet ophoudt na de stoffelijke dood van het lichaam. Hij was ervan overtuigd dat de persoonlijkheid na het overlijden van het lichaam opnieuw integreerde in een ander lichaam. Het geloof in een leven na de dood was voor hem niet in strijd met wetenschappelijke kennis. Het was alleen wetenschappelijk nog niet aan te tonen. Verder was het hem duidelijk dat wij de beperking van onze aardse persoonlijkheid niet opeens verliezen door te sterven. ‘Dat zou een al te gemakkelijk kunstje wezen, terwijl wij ons in het aardse leven zo langzaam en moeizaam ontwikkelen’ (Van Eeden, 1903). Daarom dacht hij dat de ontwikkeling na de lichamelijke dood verder zou gaan, totdat het Goddelijke in ons wezen zou zijn bereikt. Over zijn opvatting over God schreef hij aan Kloos: [14] ‘Er is maar één ding dat ik belangrijk vind boven alles, waarvoor ik leef en waarvoor ik weet waarachtig te leven. Dit is mijn God, dit is het Goede. Ik kies dit woord, omdat ik geen enkel woord weet dat mij beter dient. … Ik matig mij niet aan de allerhoogste Rechter te zijn, wetende het absolute Goed en Kwaad. … Wel wat ik voel Goed te zijn.’

Van Eeden kreeg rond 1885 belangstelling voor het spiritisme. Begonnen in Amerika had het spiritisme in de loop van de 19e eeuw in Nederland een vruchtbare bodem gevonden. Er ontstonden talloze clubs en clubjes die in contact probeerden te komen met overledenen. Tenhaeff (1973) noemt in Nederland behalve Van Eeden ook Van Calcar en Riko als belangrijke representanten van deze beweging. Wat Van Eeden in het spiritisme aantrok was de poging om de kloof tussen wetenschap en religie te overbruggen. In 1887 deed hij in huiselijke kring experimenten waarbij geesten van overledenen doorgaven hoeveel sleutels hij aan zijn sleutelring had (‘wat ik zelf niet wist’), hoeveel koekjes er in de trommel zaten en dat zijn eerste kind een zoon zou zijn (Fontijn, 1990). Deze interesse verdiepte zich in zijn psychiatrische praktijk en vooral via spiritistische experimenten. Later in zijn leven, na de dood van zijn zoon Paul[15] in 1913, nam deze interesse toe en hield hij vele seances[16]. Hij probeerde onder andere met zijn zoon contact te krijgen. Van Eeden twijfelde vaak aan de boodschappen van gene zijde. Hij vermoedde dat er dikwijls sprake was van onbewust bedrog of toneelspel van het medium. Zo vond hij een vlot en op zalvende toon pratend medium niet betrouwbaar en noteerde in zijn dagboek ‘dat zijn blijkbaar woorden van het medium, of associaties van zijn hersenen. Betrouwbare zaken komen met moeite, afgebroken, en ze bevatten feiten.’

 

Walden, het sociale experiment

In 1893 stopte Van Eeden met werken in de psychotherapeutische kliniek en rond die tijd vond zijn sociale bewustwording plaats. Van Eeden beschouwde de maatschappij als ziek. Een arts zou de diagnose moeten stellen en therapie verrichten. Zijn therapie zou ‘voorzichtig, geleidelijk en meer op evolutie dan op revolutie gericht’ moeten zijn (Fontijn, 1990). In zijn boek ‘De blijde wereld’ beschreef hij zijn socialistisch gedachtegoed. Hij was een tegenstander van de klassenstrijd van Marx. Bovendien miste hij bij de socialisten en communisten het religieuze gevoel. De oorzaak van veel onrecht en bittere armoede was volgens Van Eeden gelegen in het eigendomsrecht op de grond en de productiemiddelen. Ook ongebreidelde rijkdom en een te zwak ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel droegen bij tot de disharmonische toestand van ‘de maatschappij die is doordrongen van leugens en bedrog’. Zijn ideeën over verbetering van de maatschappij door het invoeren van Rijkshoeven[17] vonden bij de overheid weinig weerklank. Ook socialisten en communisten bekritiseerden zijn ideeën fel. Toen duidelijk werd dat zijn gedachten geen navolging kregen besloot hij zelf het initiatief te nemen. Hij stichtte in 1898 de kolonie Walden op het landgoed Cruysbergen tussen Bussum en ‘s-Graveland en stak er veel en deels geleend geld in. Walden begon met vijf gezinnen die het land bewerkten. De kolonie stond behalve voor idealisten ook open voor mensen die het leven in de maatschappij niet aankonden. Walden mislukte en de hoon en spot die Van Eeden over zich heen kreeg waren financieel en psychisch zwaar voor hem te dragen. In Amerika, waar hij daarna verschillende lezingen gaf, vonden zijn sociale denkbeelden nog korte tijd navolging. Zo ontstond er een Van Eeden Colony in North Carolina die tot 1949 zou bestaan, maar die uiteindelijk ook niet levensvatbaar bleek. Het is nu een nationaal park.

 

Forte Kreis, de geestelijke inspiratie voor de wereld

Rond 1910 werd Van Eeden enthousiast door de ideeën van de Engelsman Upward die betoogde dat geniale mensen uit verschillende landen de wereld zouden moeten leiden. Onder de leidende inspiratie van deze grote geesten zou het de wereld beter gaan. Deze genieën moesten zich organiseren en hun invloed in een soort wereldrijksdag doen gelden. Van Eeden nam al gauw het initiatief en schreef diverse dichters, schrijvers, politici en industriëlen aan. Zo kreeg hij contact met een kring van Europese intellectuelen die zich wilde inzetten voor de wereldvrede en streefde naar geestelijke ontwikkeling van de volkeren. De naam van deze groep werd Forte Kreis. Van Eeden werd voorzitter. Ook dit initiatief was geen lang leven beschoren. Na de Eerste Wereldoorlog bleken de deelnemers te zeer uiteengegroeid en ontmoetten zij elkaar niet meer als Forte Kreis.

 

Significa

In 1897 publiceerde Van Eeden het filosofische werk ‘Redekunstige grondslag van verstandhouding’. Het gaat over zijn ideeën over de wereld, de menselijke geest en de raakvlakken van beide: de wetenschappelijke en poëtische taal. Zijn doel was een basis te leggen voor een goede verbale communicatie, zodat misverstanden niet meer hoefden op te treden, ook niet over zijn eigen werk. Hij betoogde dat het onmogelijk is om feilloos de waarheid te spreken, omdat de taal gebrekkig is. Van Eeden: ‘Onafhankelijk van de wetenschap weten we, en die kennis is de zekerste die we hebben, dat ons ‘Ik’ bestaat. Ons ‘Ik’ bestaat onafhankelijk van tijd en ruimte en is ‘dat wat waarneemt’. Het is het éne, absolute, onveranderlijke Zelf dat in ieder mens hetzelfde is. Dit Zelf is niet hetzelfde als de persoonlijkheid, het ‘ik’ van het dagelijks spraakgebruik, het geheel van al onze gevoelens.’ Over het doel van het leven zei hij: ‘Zo er een richting des levens en een doel is, dan is het God, het absolute, de eenheid en onveranderlijkheid’. De weg naar dit doel zag hij als ‘het Recht, de Rechtvaardigheid, het rechtvaardig zijn (‘doing right’)’. Genot als behoeftebevrediging zag hij als van een lagere orde dan ‘het voldoen aan de allerhoogste begeerte (naar God), dat leidt tot het allerhoogste geluk’. Rond 1915 verlegt hij, teleurgesteld door het mislukken van zijn sociale experimenten, zijn belangstelling meer naar het spiritisme en de significa[18]. In 1917 richt hij samen met anderen het Internationaal Instituut voor Praktische Wijsbegeerte op. Later veranderde deze de naam in Signifische Kring. Een belangrijk later taalfilosofisch en religieus werk is ‘Het rode lampje’ (1921).

 

De levensavond

De eerste verschijnselen van het afnemen van zijn geestelijke vermogens openbaarden zich op zijn 52e levensjaar, blijkens zijn notitie dat de ouderdom hem zal verlammen (Wentges, 1976). In toenemende mate traden vergeetachtigheid en versprekingen op. Het is onduidelijk aan welke ziekte hij leed. Volgens zijn biograaf Fontijn zou het de ziekte van Binswanger kunnen zijn. Bij deze aandoening, die een geleidelijk begin en een sterk wisselend verloop kent, treden de eerste symptomen op tussen het 50e en 65e levensjaar. De symptomen zijn: besef van onvermogen, vertraging van denken, duizeligheid, moeite met abstract denken en later ook lichamelijke problemen en depressiviteit en labiliteit. De grens tussen binnen- en buitenwereld vervaagt en in acute perioden is er sprake van hallucinaties, concentratieverlies, angst, rusteloze slaap met levendige dromen en nachtmerries. Van Eeden schreef in zijn dagboek op 3 maart 1927: ‘Het eigenaardige van deze toestand is de volkomen aanvaarding van het abnormale. Ik heb geen gevoel van beter worden. Het zal niet beter worden en kan niet beter worden. Het is het begin van het eind. En dat vind ik goed en noodzakelijk.’

 

 



[1] Fontijn schreef een uitstekende tweedelige biografie over Van Eeden die mij veel informatie verschafte en tijdwinst opleverde in het zoeken naar oorspronkelijke bronnen.

[2] Franz Anton Mesmer was een Oostenrijkse arts die aan het eind van de 18e eeuw dacht door ‘dierlijk magnetisme’ ziekten te kunnen genezen. Toen het bestaan van dierlijk magnetisme niet kon worden aangetoond veroordeelde de Académie Française zijn behandelingen. Zij onderzocht echter niet de oorzaken van zijn succesvolle behandelingen.

[3] ‘Het begin en de opgang van de nieuwe dynamische psychotherapie’. Dynamisch duidt op de dynamische relatie die men ontdekte tussen het onbewuste en het bewuste deel van de persoonlijkheid.

[4] Liébeault was een plattelandsarts uit de omgeving van Nancy die in zijn praktijk veel succes had met hypnose-behandelingen.

[5] Bernheim was een chirurg uit Nancy die hypnose leerde van Liébeault en deze behandelvorm vervolgens propageerde en bekendheid bezorgde.

[6] Lichamelijke afwijking.

[7] Hysterie is een oude term voor bepaalde vormen van psychische stoornissen waarbij gevoelloosheid voor pijn, geheugenverlies en verlammingen kunnen optreden zonder dat er lichamelijke oorzaken duidelijk zijn. Tegenwoordig heten deze stoornissen dissociatieve stoornissen.

[8] Dit waren volgens Charcot de stadia van hypnosediepte. Lethargie was de gemiddelde hypnosediepte, waarbij sprake was van bewegingsarmoede, catalepsie was een stadium dieper dat werd gekenmerkt door bewegingsloosheid, somnambulisme was de diepste staat van hypnose waarin vaak sprake was van geheugenverlies, lichamelijke ongevoeligheid en hallucinaties.

[9] Het proefschrift handelde over voeding bij tuberculose. Van Eeden was voor dit proefschrift bij de Franse arts Debove die hem bij Charcot introduceerde.

[10] Vos en Van Berkestijn vermelden dat de Vereniging voor Psychiatrie werd opgericht in 1871. Artsen konden toen nog zonder enige scholing als psychiater in inrichtingen gaan werken. Langzaam groeide de overtuiging dat krankzinnigen zieken zijn en als zodanig behandeld moesten worden. In 1892 startte in Deventer de eerste opleiding voor krankzinnigenverpleging. Pas in 1896, 10 jaar na de start van Van Eeden als psychiater in Amsterdam, gaf Winkler, als eerste neuroloog-psychiater met een universitaire benoeming, onderwijs aan studenten en assistenten.

[11] Een intramurale instelling is een instelling waarbij de patiënten gedurende enige tijd dag en nacht kunnen verblijven.

[12] Engels psychiater die al in 1858 over psychotherapie publiceerde in zijn ‘Manual of Psychological Medicine’.

[13] Het spiritisme is het geloof dat de menselijke persoonlijkheid na de dood blijft voortbestaan en dat de overledenen onder bepaalde omstandigheden met de aardbewoners in verbinding kunnen treden (Tenhaeff, 1973).

[14] Dichter, een van de Tachtigers en medewerker van de Nieuwe Gids.

[15] Paul stierf op 24-jarige leeftijd aan tuberculose. Van Eeden schreef over zijn sterven het prachtige boekje met de veelzeggende titel ‘Pauls ontwaken’.

[16] Seances zijn bijeenkomsten waarbij een persoon, medium genoemd, zegt contact te hebben met overleden personen. De aanwezigen kunnen vervolgens via het medium een gesprek voeren met deze overledenen.

[17] Het plan van de Rijkshoeven behelsde dat de overheid land moest opkopen en beschikbaar stellen voor mensen die werk zochten, zodat ze het konden bebouwen.

[18] De significa is de wetenschap van de taal als methode om betekenissen weer te geven en van de invloed van taal op de menselijke communicatie. Uit de significa kwam de linguïstiek voort, de tegenwoordige taalwetenschap.

.

II. Fundamenten van Van Eedens visie op psychische stoornissen: hypnose, spiritisme en dromen

   Geschiedenis van de hypnose
De moderne psychotherapie vindt zijn oorsprong in de geneeskundige theorie en praktijk van de Oostenrijkse arts F. A. Mesmer over het ‘dierlijk magnetisme’, die hij rond 1780 ontwikkelde. Mesmer geloofde in een magnetisch fluïdum, een levenskracht die hij via zijn handen overbracht op patiënten. In navolging van Mesmer experimenteerde in Frankrijk markies De Puységur met dierlijk magnetisme. Op 4 mei 1784 zag De Puységur dat een cliënt van hem, Victor Race, tijdens een behandeling in een andere bewustzijnstoestand kwam. Victor maakte een afwezige indruk, praatte op een hogere toon en leek intelligenter dan gewoonlijk. De Puységur kon bovendien praten met Victor terwijl deze voor alle anderen niet te bereiken leek. Het kunstmatige somnambulisme met de splitsing van de persoonlijkheid, de diepe vorm van hypnose waarin geheugenverlies, lichamelijke gevoelloosheid en hallucinaties op konden treden, was ontdekt. De methode van De Puységur bestond uit het maken van bewegingen met zijn handen boven het lichaam van de patiënt (‘passen’ maken) en hij noemde dat ‘magnetiseren’. Hij dacht dat deze handelingen bij de patiënt een bepaalde mentale toestand opriepen die verwant was met vertrouwen en geloof in de eigen genezende krachten van de patiënt en de wil om de ziekte hiermee te genezen. Hiermee begon hij hypnose te verklaren door middel van psychologische begrippen in plaats van door dierlijk magnetisme. De Engelse arts Braid oordeelde rond 1850 dat magnetisme en het maken van ‘passen’ niet noodzakelijk waren voor het verkrijgen van een hypnotisch effect. Hij benadrukte vooral het belang van aandachtsfixatie. Daarmee vervolgde hij de ingeslagen weg waarbij het psychologisch begrippenkader over hypnose meer en meer terrein won ten koste van de theorie van het dierlijk magnetisme. In Frankrijk pakten Charcot in Parijs en Liébeault en Bernheim in Nancy zoals gezegd de hypnosedraad weer op.

 

   Van Eeden over Charcot

Van Eeden roemde Charcot omdat hij de eerste geleerde was die Braids onderzoekingen durfde voort te zetten. Maar tegelijk meende hij dat Charcots onderzoek meer kwaad dan goed deed. En wel omdat Charcot aanvankelijk voornamelijk ‘experimenteerde met hysterische vrouwen … en dus allerlei vreemde psychologische en fysiologische waarnemingen deed’. Toen anderen vervolgens hypnose gingen toepassen bij gezonde proefpersonen probeerden zij dezelfde verschijnselen op te roepen. Van Eeden: ‘En wie bij een gehypnotiseerde iets wil vinden, die vindt het ook. Hij suggereert hem zonder het te bemerken.’ Hij beschreef dat Charcot allerlei manieren ontdekte ‘om de hypnose te wijzigen, zoals het wrijven van de oogbollen, het drukken op de kruin van ‘t hoofd, het blazen op de ogen, het slaan op een gong, het plotseling openen van de gesloten ogen’ en dat Charcot dacht ‘dat lethargie, catalepsie en somnambulisme elk door een bepaalde kunstgreep verwekt en verbroken moesten worden.’ Deze handelingen hadden volgens Van Eeden echter geen enkele invloed zonder suggestie erbij. ‘Al deze dingen betekenen hetzelfde als het aanraken van de neus, waarmee ik mijn patiënten doe ontwaken.’ Van Eeden had ook grote bezwaren tegen de beweringen van Charcot dat diens wijze van hypnotiseren de enige vorm van hypnose was. Charcot gaf later zelf voor de Académie Française toe dat zijn resultaten met hypnose en suggestie minder gunstig waren dan die van zijn collega’s en erkende dat dit ‘misschien aan mijn methode heeft gelegen’. Van Eeden zag in deze verklaring een bewijs van de grootheid van Charcot.

 

Van Eedens visie op hypnose

Van Eeden wist dat hypnose zich kenmerkte door suggestibiliteit[1] en een veranderde staat van bewustzijn. Dit bewustzijn noemde hij ‘de hypnotische slaap’ en het was volgens hem ‘gelijk aan normale slaap’, met dat verschil dat er contact blijft bestaan tussen de hypnotiseur en de gehypnotiseerde. Hypnose en de erbij behorende bewustzijnstoestand zijn op zich niet therapeutisch volgens Van Eeden. Het wordt therapeutisch door de suggesties die gegeven worden. Van Eeden definieerde suggestie als: ‘elke impuls door de ene geest aan de andere medegedeeld’ (Van Eeden, 1888a). Hij achtte ‘ideoplastie’ daarbij van belang. Dat is ‘de invloed van een idee op het fysieke lichaam - het feit dat men organische functies zoals bloedsomloop en klierafscheiding door een energiek gesproken woord kan beheersen’ (Van Eeden, 1887b). Hij veronderstelde dat er veel verschillende visies over hypnose konden ontstaan doordat mensen de rol van suggestie bij hypnose niet begrijpen. Hypnose vergeleek hij met ‘een kameleon die vele kleuren kan aannemen al gelang de suggestie die tijdens de hypnose gegeven wordt’ (Van Eeden, 1887b). Hij omschreef hypnose onder meer als: ‘… een eigenaardige geestestoestand, die kunstmatig kan worden veroorzaakt maar ook spontaan optreedt, waarin een persoon, het willoze werktuig van een ander, toegeeft aan elke impuls van buiten af, visioenen ziet en zelfs het gehele begrip van zijn persoonlijkheid verliest’ en ‘… een persoon (kan) ook in wakende toestand volledig beheerst en bestuurd worden door suggestie, … zodat men hem met één woord of gebaar kan verlammen, verblinden, visioenen doen zien en zo absoluut betoveren, als dit ooit van iemand verhaald of verzonnen is. Door suggestie verandert men een persoon geheel, zijn wil, zijn persoonlijkheid, zijn herinnering, zijn zintuigen - en men doet hem in een wonderwereld leven, die zich uitstrekt zover als de fantasie van de suggererende persoon maar kan reiken.’ Hij vervolgde met ‘hypnose is een verkeerd woord … alleen suggestie is een goed gedefinieerd woord … de verschijnselen treden op doordat ze gesuggereerd zijn en niet door hypnose. Van Eeden stelde voorts dat ‘…alle genezingen van magiërs, ziektebezweerders, exorcisten en duivelbanners, de helende wonderen van Jezus en de apostelen, van de heiligen, van relikwieën, heilige plaatsen, gewijde wateren, van handopleggers, strijkdokters, magnetiseurs en homeopaten door suggestie ontstaan’ (Van Eeden, 1887b).

 

De inductie, of het opwekken van hypnose

Volgens Van Eeden kan iedereen in principe worden gehypnotiseerd: ‘Niet ieder is tot hypnotisme gedisponeerd, doch deze dispositie kan door oefening verkregen worden’ (Van Eeden, 1887b). Hierin is de moderne wetenschap het met hem eens. Minder geaccepteerd is zijn bewering dat hypnose het best tot stand kan komen door ascese. De eigenlijke inductie van hypnose treedt volgens Van Eeden op ‘door aandacht op zwakke, aanhoudende zintuiglijke prikkels, zoals het strijken met de handen, het tikken van een horloge in stilte of duisternis, het laten fixeren van een schitterend voorwerp (zoals Braid ontdekte), het aanstaren, het slaan op een trommel (zoals Laplanders het doen) of gong (een methode van Charcot), het staren op een druppel inkt of in een spiegel (de methode van Egyptische priesters) of op de punt van hun neus (fakirs), door urenlang zijn rozenkrans te tellen (kloosterlingen), door 1000 malen achtereen het ‘Allah akbar’ te herhalen (derwisjen).’ Hij noemde nog andere inductiemethoden die we kennen uit legenden, mythen en sagen: ‘De toverspiegels, de bekers waaruit men kon waarzeggen, de stilte en de duisternis, die voorwaarden zijn van alle magie en van spiritistische verschijningen.’ Hierbij gaf hij aan dat niet de aard van de zintuiglijke prikkel van belang is, maar de aandachtsfixatie. Toch stelde hij ook dat het hem vaak lukte om personen te hypnotiseren zonder aandachtsfixatie, alleen door de suggestie: ‘sluit de ogen! - nu slaap je!’ – Vooral kinderen en ‘eenvoudigen van geest volgen zo’n bevel dikwijls terstond op’ (Van Eeden, 1887b).

 

Hypnosediepte

Van Eeden meende de diepte van hypnose te kunnen beoordelen aan de hand van de volgende verschijnselen: amnesie (geheugenverlies), suggestibiliteit en het optreden van hallucinaties. Hij zei dat 10% van zijn patiënten de diepste graad van hypnose bereikten. Maar dit gebeurde pas nadat ze geoefend hadden of andere patiënten hadden waargenomen die onder hypnose waren gebracht. Zonder deze oefening bereikte slechts 5% die diepte. Wat betreft de hypnosediepte sprak Van Eeden over een geleidelijk continuüm van lichte naar diepe trance, met ‘oneindig veel overgangstoestanden’. Hij betoogde dat de vatbaarheid voor hypnose niets anders is dan het vermogen om vast te slapen. Zo vast, dat de arts de patiënt kan toespreken zonder dat dit hem wakker maakt. Hij zocht de verklaring van hypnose en suggestie niet in onbekende krachten, hoewel hij het bestaan van zulke krachten niet ontkende. Hij liet het magnetische fluïdum van Mesmer buiten beschouwing, maar wilde het ‘volstrekt niet dood  verklaren’.

 

De werking en effectiviteit van suggestie bij lichamelijke en psychische stoornissen

Van Eeden probeerde als arts hypnose meteen uit op een veelheid van chronische ziektebeelden. En dit in een tijd waarin psychotherapie voor psychische stoornissen nog volstrekt niet geaccepteerd was. Hij stuitte dan ook op grote bezwaren tegen de combinatie psychotherapie en hypnose. De oorzaak van dit wantrouwen tegen suggestie als medicijn was volgens Van Eeden deels te wijten aan de verkeerde opvatting dat suggestie iets irreëels is, ‘een begoocheling zoals een droom’. En iets irreëels kan natuurlijk geen invloed hebben op het lichaam. Voor Van Eeden echter was een idee iets zeer reëels. Bovendien stelden de critici volgens hem ziekte te veel voor als het gevolg van een schadelijke stof in het lichaam en genezing als een zuivering daarvan. Van Eeden meende daarentegen dat de meeste ziekten, en vooral chronische, veroorzaakt worden doordat het lichaam als samenwerkend geheel in disharmonie is. Hij vatte veel chronische ziekten op als disfunctionele gewoonten van het lichaam, die een tweede natuur worden als ze lang bestaan. Daarom moeten helende suggesties bij chronische ziekten vaak herhaald worden om effect te hebben. ‘Dat ligt niet aan de geneeswijze maar aan de aard der ziekte.’ Als voorbeeld hiervan noemt Van Eeden een conversiestoornis.[2] Hij vertelt over een verlamde patiënt die na een therapeutische suggestie een paar minuten kan staan. De keer daarop lukt het hem misschien om een paar passen te maken. Maar enkele uren na de hypnose kan hij weer verlamd zijn. In zulke gevallen zal de aanhouder volgens Van Eeden winnen. Hij relativeerde het effect van suggestie met: ‘Al lijkt het er misschien soms wat op, toveren is het niet’ (Van Eeden, 1887b). Maar zelfs als het effect tijdelijk zou zijn, dan nog verschilt hypnose niet principieel van andere therapieën. Want: ‘hoe kan ik iemand zekerheid geven dat hij dezelfde ziekte nooit weer zal krijgen? Is er één medicijn waarbij de arts kan garanderen dat de ziekte nimmer terug zal keren?’ (Van Eeden, 1887b).

Van Eeden meende dat de duurzaamheid van de effecten bepaald werd door een aantal factoren. Ten eerste de manier van suggesties geven. Deze moest voor een optimaal effect aansluiten bij de persoonlijkheid van de patiënt. Afhankelijk van diens persoonlijkheid moet de arts op een autoritaire of op een meer uitleg verschaffende manier suggereren.[3] Een andere factor die de duur van de effecten bepaalt achtte hij de hypnosediepte. Hij dacht namelijk dat de diepte van de hypnose de mate van suggestibiliteit bepaalde. Van Eeden beschreef echter ook de mogelijkheid ‘om heilzame invloed uit te oefenen in de lichtste toestand van hypnose, die de patiënt zelf niet van wakker zijn onderscheidt, en eenvoudig stil liggen met gesloten ogen zou noemen...’. Zelfs het geven van suggesties zonder hypnose was volgens Van Eeden mogelijk, maar waarschijnlijk therapeutisch minder effectief. Hij gaf er verschillende voorbeelden van, zoals de suggestie te moeten slikken, geeuwen en jeuk aan het rechteroor te krijgen (Van Eeden, 1887b).Verder was hij van mening dat de duur van de effecten en de mate waarin ze optraden mede bepaald werden door de herhaling van de gegeven suggestie. Wanneer de werking van de suggestie was opgehouden diende de arts ze meteen te herhalen. Zoals gezegd vond hij ook dat ‘hoe langer een ziekte heeft bestaan, hoe vaker de suggesties moeten worden herhaald en hoe beter het is om een diepe hypnose op te wekken’ (Van Eeden, 1887b). Deze mening nuanceerde hij in ‘Het beginsel der psychotherapie’ (1894), waarover verderop in de tekst meer.

Suggestie kan zijn krachtige werking volgens Van Eeden uitoefenen op drie manieren, namelijk door emotie, verbeelding en wilskracht. De invloed van emoties als schrik, angst, verdriet, woede of vreugde achtte Van Eeden algemeen bekend. ‘Men kan van verdriet ziek worden en van blijdschap beter.’ Verbeelding of denken kan door ideoplastie, de invloed van een idee op het fysieke lichaam, beter werken dan medicijnen, aldus Van Eeden. Hij gaf het voorbeeld van een proef van Durand de Gros. Deze verstrekte aan honderd patiënten een dosis suikerwater. Daarop maakt hij bekend dat ze per ongeluk een braakmiddel hadden gekregen. Tachtig van de honderd patiënten begonnen te braken en de rest werd misselijk. Een ander voorbeeld betrof prins Maurits, die bij het beleg van Breda in 1625 aan de bewoners die aan hevige scheurbuik leden verteldedat drie druppels van zijn medicijn voldoende waren om liters water geneeskracht te geven. De patiënten die het middel innamen werden in korte tijd gezond. Van Eeden verklaarde dit doordat de verbeelding iets materieels oproept in de hersenen, iets dat we zouden kunnen zien als we er de instrumenten voor hadden. Maar tegelijkertijd gebeurt er volgens Van Eeden ook iets in andere delen van ons lichaam, ‘omdat er een zeer innig verband is tussen alle organen van ons lichaam.’ En: ‘als iemand geneest door het vaste vertrouwen op de werking van een of ander middel, of door het vaste geloof aan de geneeskracht van een persoon, dan reken ik dat onder de genezingen door verbeelding. Toch zijn deze dingen niet hetzelfde, want men kan ook door verbeelding genezen, zonder vertrouwen en zonder geloof.’ Voorbeelden daarvan geeft hij echter niet.

Van de drie factoren die een rol spelen bij suggestie werkt wilskracht volgens Van Eeden het krachtigst. Maar hij sprak van de problemen die een medicus dan tegenkomt: ‘… men zou het vreemd vinden als een arts tot iemand met hevige pijn zei: ‘Wil maar, want dan is de pijn weg!’ Het ontbreken van wilskracht was volgens hem nu juist het probleem bij veel mensen die door medici hysterisch genoemd worden. ‘Zij begeren het wel om beter te worden, maar kunnen het niet willen.’

Van Eeden achtte, zoals eerder vermeld, nog andere zaken van belang bij de werking van suggestie. Waar de school van Nancy suggesties deed ‘met aplomb en energie als enige tactiek’ onderscheidde Van Eeden verschillende typen mensen die elk een eigen aanpak vereisen. Bij eenvoudige mensen kan de arts volgens hem schitterende resultaten bereiken door het geven van autoritaire suggesties, zonder uitleg. Maar bij mensen met meer intellectuele bagage gaat dat niet meer op. Die zijn sceptisch en onafhankelijker. Zij vinden volgens Van Eeden een toon van gezag irritant en belachelijk. Zij willen niet gecommandeerd worden en nemen niets aan wat zij niet begrijpen. Bij hen moet de arts uitleg verschaffen over de kracht van de verbeelding en over ideoplastie. ‘Als hij dat niet doet dan verliezen deze patiënten hun vertrouwen in u en stoppen de therapie’(Van Eeden, 1894a). Bij deze vorm van psycho-educatie was volgens hem veel overleg, geduld en tact nodig. Het is nodig om de pathologische gevoelens te bestrijden en de patiënt te motiveren tot ‘krachtige inspanning of tot het herstellen van het verstoorde evenwicht in het organisme’. Hiervoor moest de arts volgens Van Eeden niet alleen een juiste diagnose stellen en alle subjectieve symptomen noteren, maar ook het karakter en de opvattingen van de patiënt enigszins kennen. ‘Want men spreekt altijd tegen een denkend individu met individuele bijzonderheden. En men moet feitelijk overtuigen, door kracht van woorden overtuigen’ (Van Eeden, 1894b).

 

De schadelijkheid of de heilzaamheid van hypnose

Van Eeden vond hypnose op zichzelf een even onschadelijke toestand als normale slaap. Maar hij achtte ‘onhandige, onvoorzichtige of kwaadwillige personen’ door suggestie in staat om ‘allerlei lichamelijk en moreel nadeel toe te brengen’. Zeker in een diepe hypnotische bewustzijnsstaat waarin de suggestibiliteit hoog is. Daarom wilde Van Eeden hypnose voorbehouden aan medici.[4] Hij achtte het effect van goed toegepaste hypnose weldadig en sprak over de invloed ‘als die van een goede vriend, waarmee u een poosje zit te praten’. De arts moet bij de patiënt vooraf informeren welke suggesties gewenst zijn en deze vervolgens onder hypnose geven (Van Eeden, 1887b). Hij waarschuwde dat niet-therapeutische experimenten met hypnose met ‘grote voorzichtigheid en slechts bij uitzondering moeten worden verricht.’ Dit omdat ‘elke suggestie die niet rechtstreeks gunstig is en niet meegaat met de natuurlijke gang van het organisme, strikt genomen schadelijk is.’ Herhaalde niet-therapeutische experimenten met hypnose leiden volgens zijn opvatting tot een blijvend verhoogde suggestibiliteit in waaktoestand en zo tot ‘psychische ataxie’(Van Eeden, 1888a).[5] Hiermee bedoelde Van Eeden een gebrek aan coördinatie tussen denken, handelen en voelen. Maar hij nuanceerde deze mening door in hetzelfde artikel te schrijven: ‘Als men goedkeuring heeft van intelligente proefpersonen en de suggesties later weer neutraliseert dan zijn ongunstige gevolgen niet te vrezen.’ De gevaren van hypnose liggen volgens Van Eeden vooral bij de splitsing van de persoonlijkheid die door suggesties in diepe vormen van hypnose kan worden opgewekt. Hij vertelt over een tienjarig meisje dat hij in hypnose wat kennis van de Franse taal bijbracht. Toen hij haar de suggestie gaf dat zij in haar waakbewustzijn ook over deze kennis kon beschikken merkte zij tot haar verbazing dat zij een beetje Frans verstond en sprak. Van Eeden zag echter dat zij na elke hypnosezitting vermoeider was dan anders en een hoogrode kleur vertoonde. Dit was een duidelijke aanwijzing voor hem om de proefnemingen te stoppen. Hij vond dat een therapeut gebruik moest maken van de bestaande suggestibiliteit van zijn patiënt, maar deze niet onnodig moest verhogen. Daar bedoelde hij mee dat de arts de patiënt tijdens diepe hypnose niet te veel handelingen moet laten verrichten die normaal zijn voor het waakbewustzijn. Zo achtte hij het bijvoorbeeld verkeerd om de patiënt dan te veel te laten spreken, wandelen en de ogen te laten openen. Als men de patiënt in diepe hypnose een zelfstandig en actief psychisch leven laat leiden zodat hij gaat optreden als een bewust handelende persoon is dat een splitsing van de persoonlijkheid. Hoe meer we dat oproepen, hoe groter Van Eeden de kans aanwezig achtte dat deze splitsing ook gaat optreden tijdens het dagbewustzijn. Contrasuggesties zijn volgens Van Eeden niet altijd in staat om dat op te heffen. Hij betoogde dan ook dat de grootste vijand voor het hypnotisme de Parijse school van Charcot was, doordat zij deze toestand veelvuldig en vaak onnodig opriep. Zo maakte zij patiënten bang en artsen wantrouwend. Terwijl Van Eeden waarschuwde voor onnodige toepassing van hypnose, pleitte hij voor de therapeutische toepassing ervan: ‘In hypnose moeten stamelaars spreken, lijders aan schrijfkramp schrijven, verlamden bewegen en ooglijders zien. Want in de slaap werken de suggesties het sterkst en is het therapeutische effect het grootst’ (Van Eeden, 1894a).

 

Suggestie als sterke kracht

Alles wat een persoon onder hypnose waarneemt is volgens Van Eeden het gevolg van inbeelding en suggestie. ‘De ziener ziet wat hij verwacht te zien.’ Deze suggestieve kracht kan volgens Van Eeden heel groot zijn. ‘Een sterke inbeelding en vast geloof, is meer dan illusie, en kan zeer stellig ook lichamelijke kwalen verwekken en genezen.’ Hij noemde in dit verband de filosoof Kant die zichzelf door geestkracht genas van artritis en Goethe die hetzelfde deed met een besmetting tijdens een epidemie. Van Eeden zelf stopte een aanhoudend neusbloeden door ‘een krachtig bevel’ (Van Eeden, 1888b). Het ontstaan van stigmata[6] achtte hij een ander voorbeeld van de kracht van suggestie. En hij vertelde over het ontstaan van een blaar door suggestie: ‘ … een vrouw in de kliniek van Charcot werd een stukje papier in de vorm van een pleister op het been gelegd en men suggereerde dat het een sterke trekpleister was en dat zij dus des avonds wel een blaar zou hebben. Na 12 uur was inderdaad onder het gegomde papier een grote blaar ontstaan...’ Hij concludeerde dat realiteit en illusie niet zulke eenvoudig te scheiden begrippen zijn en dat ‘alle werkelijkheid inbeelding bevat en alle inbeelding werkelijkheid’ (Van Eeden, 1897a).

 

De onverklaarde rol van de hartkuil of zonnevlecht

Van Eeden meende dat ‘de streek onder het borstbeen en tussen het kraakbeen der onderste ribben bij alle magische toestanden een grote betekenis had’ (Van Eeden, 1887b). Hij wees erop dat sommige Griekse namen voor waarzeggers en bezetenen het woord ‘maag’ bevatten en dat de brahmanen op deze plek hun aandacht richten bij het mediteren. In dat hartkuiltje is het inwendige licht, daar is Brahma’s woning. Extatische monniken werden ‘umbilicamini’ genoemd. Van Eeden vertelt verder dat personen die in de diepe staat van hypnose verkeren die Charcot de somnambulistische staat noemde, het vermogen beweren te hebben om met deze plek te lezen. Het is niet helemaal duidelijk op welke plek Van Eeden doelde. De umbilicus is de plek van de navel. Maar het hartkuiltje duidt op een hoger gelegen gebiedje dat tegenwoordig vaak de plexus solaris of zonnevlecht wordt genoemd.

 

De relatie tussen hypnose, gewone slaap en suggestie

Volgens Van Eeden had Liébeault als een der eersten ontdekt dat hypnose een bewustzijnsstaat van verhoogde suggestibiliteit was. Bernheim (en met hem Van Eeden) dacht dat hypnose en gewone slaap vrijwel identiek waren. Bernheim beweerde  ‘dat men alles wat men in hypnose doet, ook tijdens slaap kan gedaan krijgen’ en Van Eeden noemde slaap en hypnose het broertje en zusje van elkaar (Van Eeden, 1887b). Hypnotisme vond Van Eeden als onderdeel van het studiegebied van de psychologie vooral van theoretisch belang. Hypnose had volgens hem in wezen met therapie niets te maken. Door het te vergelijken met gewone slaap probeerde hij hypnose te normaliseren. Maar bepaalde hypnotische verschijnselen bleef hij toch vreemd vinden. Het betrof de in diepere hypnose optredende gevoelloosheid of anesthesie, de amnesie of het vergeten van het onder hypnose ervarene en ‘de mogelijkheid om de slaper op uitwendige indrukken te doen reageren zonder hem te doen ontwaken’. Hoewel Van Eeden betoogde dat deze eigenschappen in normale slaap ook deels bestaan achtte hij de grens tussen normaal en abnormaal bij hypnose moeilijk aan te geven en ‘spoedig overschreden’. Hij waarschuwde zoals gezegd voor het onnodig en veelvuldig oproepen van deze verschijnselen. Het dubbel-ik of het met een volgens Van Eeden verkeerde term genoemde ‘onbewuste’ dat naar boven komt wanneer men tijdens hypnose anesthesie, geheugenverlies en hallucinaties oproept, is volgens hem ‘een geheel ander ik dan het ‘wakend-ik’’. Het dubbel-ik beschikt volgens Van Eeden over meer herinneringen en waarnemend vermogen, maar ook over een verminderd vermogen tot logisch redeneren, terwijl eigenschappen als emotioneel fantaseren en imagineren sterk kunnen toenemen. In die staat verlopen allerlei willekeurige lichaamsfuncties automatisch, precies zoals allerlei lichaamsfuncties tijdens de normale slaap automatisch verlopen. Als voorbeeld geeft Van Eeden het urenlang als vanzelf volhouden van een handbeweging door de gehypnotiseerde nadat de hand door de arts in regelmatige beweging is gebracht. Van Eeden stelt dat ‘het waakbewustzijn van de gehypnotiseerde daar geen weet van heeft, zodat er geen tegenbevel komt, en de hand heen en weer blijft gaan, onvermoeid.’ Want ‘iemand in die vorm van hypnose is een geheel andere persoonlijkheid dan hetzelfde individu wakend’.

 

Spiritisme en parapsychologische experimenten

Bij het spiritisme vindt het contact met overledenen meestal plaats via iemand die medium genoemd wordt en die daartoe meestal in een bepaalde bewustzijnstoestand verkeert. Vaak treden tijdens dergelijke spiritistische zittingen onverklaarbare verschijnselen op. Deze verschijnselen maakte ook Van Eeden mee, zowel tijdens spiritistische zittingen als tijdens experimenten met hypnose. Zo hypnotiseerde Van Renterghem een patiënte, en terwijl zij haar ogen gesloten had tekende Van Eeden buiten haar gezichtsveld de Eiffeltoren op een stuk papier, waarna hij door concentratie het beeld op haar over probeerde te brengen. Toen zij de ogen opsloeg zei ze dat ze een glas bier had gedronken op de Eiffeltoren (Fontijn, 1990). Van Eeden was van mening dat de psychologie dit soort fenomenen nooit zou kunnen verklaren door hersenonderzoek. Hij vergeleek dat met pogingen om kennis te nemen van een boek door het papier te wegen en het totale aantal letters te tellen en het aantal liters zwarte inkt waarmee het gedrukt was. Van Eeden vond dat ‘anatomische bijzonderheden over hersencentra en zenuwfuncties in psychologische studies dikwijls volkomen overtollig zijn en meer geschikt om de geleerdheid van de schrijver dan het betoog zelf duidelijk te maken’ (Van Eeden, 1888a) Van de parapsychologische verschijnselen achtte hij er enkele belangrijk, namelijk telekinese (het zonder verklaarbare oorzaak bewegen van voorwerpen), telepathie (het overbrengen van gedachten zonder bekende tussenkomst) en helderziende voorspellingen. Deze verschijnselen konden volgens Van Eeden op twee manieren worden benaderd en verklaard. Ten eerste door de invloed van geesten, onwaarneembare wezens, die tot groter kennis toegang hebben en deze kennis kunnen aanwenden of doorgeven. Ten tweede door vermogens van het medium, zoals telepathie en helderziendheid. Van Eeden zelf achtte het bestaan van ‘onwaarneembare wezens, zelfs in onze onmiddellijke nabijheid’, aannemelijk. Hij sprak over onze zintuigen die ‘slechts een klein gedeelte van een oneindige reeks trillingsbewegingen waarnemen’ (Van Eeden, 1901). Wel vond hij dat een wetenschapper de verschijnselen zoveel mogelijk volgens de eenvoudigste principes moet verklaren, ook als hij zelf gelooft in de invloed van geesten. De meeste spiritistische verschijnselen, zoals bijvoorbeeld het automatisch schrijven[7] achtte hij te verklaren door de werkzaamheid van het dubbel-ik. Van Eeden schreef over een cliënte met wie hij enige tijd experimenteerde met automatisch schrijven. Op een dag kreeg hij van haar ‘een dwepende en extatische brief waarin zij schreef dat er een intelligentie aan haar was geopenbaard, een deel van haar eigen ik, die een nieuwe godsdienst verkondigde’. Bij deze vrouw ontwikkelde zich vervolgens een ernstige godsdienstwaan. Toen zij zich tegen sommige aspecten van deze intelligentie ging verzetten, ‘begon de genius te vloeken, te razen en de gemeenste scheldwoorden, godslasteringen en obsceniteiten te uiten’. Hierdoor ging zij het abnormale van haar toestand inzien en wendde zij zich andermaal tot Van Eeden om hulp. Deze bracht haar onder hypnose en speelde de rol van duiveluitbanner. Na de nodige vervloekingen van deze intelligentie verdwenen de verschijnselen en kwamen niet meer terug. Van Eeden verbaasde zich over de productieve kracht van het dubbel-ik en zag dit als voorbeeld van de schadelijke werking van de splitsing van de persoonlijkheid. Hij schreef: ‘Want deze demon was een schepping van de persoon zelve, - dit was mij uit vele kenmerken duidelijk.’ Hij beargumenteerde dit door aan te geven dat het dubbel-ik in dit geval niets zei wat de schrijvende persoon zelf niet kon weten. Hij geeft drie oorzaken aan voor dit soort onverklaarbare waarnemingen, namelijk bewust of onbewust bedrog (in bovenstaand voorbeeld was volgens Van Eeden sprake van onbewust bedrog), helderziendheid en telepathie (van het medium) en invloed van geesten. Pas als de verschijnselen onmogelijk kunnen voortkomen uit het dubbel-ik van de persoon zelf moeten we volgens Van Eeden andere verklaringen zoeken. De eerstvolgende alternatieve verklaringen zouden dan telepathie en helderziendheid moeten zijn, verschijnselen die Van Eeden bewezen achtte. Pas als de onderzoeker de verschijnselen ook niet met telepathie en helderziendheid kon verklaren wilde hij van de invloed van geesten spreken (Van Eeden, 1901). Hij deed verschillende waarnemingen bij een Engels medium, Mrs. Thompson, waarbij hij bedrog uitgesloten achtte. Zo beschreef zij accuraat de eigenaar van een haarlok die hij haar liet zien. Maar hij vond het vrijwel onmogelijk om een experiment op te zetten dat telepathie en helderziendheid uitsluit. Elke verklaring door geesten ‘kan weggeredeneerd worden met de argumentatie van telepathie en helderziendheid. Andersom kan men ook alle verschijnselen verklaren door tussenkomst van geesten.’ De werking van geesten omschreef hij als ‘ons overal en altijd omringend en voortdurend bezig ons neigingen, gedach­ten of fantasieën te geven. Deze invloeden zijn plezierig of onaangenaam, nuttig of gevaarlijk, onbeduidend of verheven, overeenkomstig onze ontvankelijkheid. We kunnen zo alle bewustzijnsinhouden verklaren, zelfs van dromen, hallucinaties en psychische stoornissen.’ Hij wilde dit idee als werkhypothese gebruiken en zegt dat deze hypothese werd bevestigd bij ‘sommige dromen en psychische stoornissen’. Hij spreekt in die gevallen over ‘slechte invloeden, komende van buitenaf’ (Van Eeden, 1901). Een regel verder spreekt hij niet meer over ‘sommige gevallen’ maar formuleert wat stelliger: ‘Het moet iedere waar­nemer getroffen hebben hoe dikwijls het schijnt alsof een boze geest misbruik maakt van iemands zwakke en disharmonische toestand om hem te bestormen met allerlei vreselijke, potsier­lijke of toverachtige denkbeelden en fantasieën.’ Hij acht het gekunsteld en onvoldoende om al deze verschijnselen te verklaren vanuit het dubbel-ik of het onbewuste. Aanvankelijk verklaarde Van Eeden parapsychologische verschijnselen als telepathie en helderziendheid uitsluitend door tussenkomst van geesten. De geesten gaven volgens hem de kennis door aan het medium. Maar na verschillende proefnemingen kwam hij tot de overtuiging dat mediums onverklaarbare fouten maakten. ‘Fouten die nooit gemaakt waren als de kennis werkelijk direct van overleden personen kwam. Het vreemde was dat al die fouten juist voorkwamen wanneer ik zelf niet van de fouten op de hoogte was en dus niet in staat was ze te verbeteren.’ Van Eeden ging er vanuit dat het medium ‘een onbewust waar­nemingsvermogen heeft, waardoor zij zich bewust of onbewust liet leiden door kleine, onwillekeurige tekenen van toestemming of ontkenning mijnerzijds. Hoe kon zij anders vergissingen begaan hebben juist op diezelfde punten waarop ik niet in staat was geweest haar te verbeteren?’ Van Eeden spreekt hier over het verschijnsel dat nu een naam heeft: ‘hot reading’. James Randi[8] gebruikt het als verklaring voor veel meldingen van telepathie en helderziendheid. Maar hot reading was geen valide verklaring toen een overleden vriend van Van Eeden direct tot hem sprak via het medium Mrs. Thompson. Van Eeden: ‘Het getuigenis werd toen zeer treffend. Gedurende enige minuten had ik volko­men het gevoel alsof ik met mijn vriend zelf sprak. Ik sprak Hol­lands en kreeg terstond en juist antwoord. De uit­drukking van voldoening en dankbaarheid in het gelaat en de gebaren toen wij elkander schenen te verstaan was te waar en te levendig om gespeeld te zijn. Hollandse woorden, die ik geheel niet verwachtte, wer­den uitgesproken: bijzonderheden werden verteld, die al lang uit mijn gedachten waren. Van enkele feiten was ik in het geheel niet op de hoogte en ik kon ze pas later verifiëren.’[9] Het interessante voor Van Eeden was dat deze toestand niet permanent was. De aan- en afwezigheid van zijn vriend wisselden elkaar volgens hem af. Van Eeden zei aan verschillende waarnemingen te kunnen afleiden dat het medium onbewust toneel begon te spelen. ‘Bijvoorbeeld wanneer zij schijnbaar onvolledige mededelingen aan gaat vullen en verfraaien door ze te hervormen en te her­schikken.’ Het medium wil zichzelf te graag bewijzen en heeft daardoor volgens Van Eeden moeite om zelf buiten de boodschappen te blijven. Het reageert op de gespannen verwachting van de aanwezigen ‘totdat er niets waars of moois meer over is.’ Van Eeden verklaarde aldus de ‘vreselijke warwinkel, waarin zoveel eerlijke onderzoe­kers verzeild zijn geraakt’. Hoewel hij schreef zeker in de geestenwereld te geloven, evenals in de mogelijkheid van geesten om met ons in contact te treden, was hij er van overtuigd dat hun directe mededelingen veel zeldzamer zijn dan het medium gelooft. Bijna altijd achtte hij sprake van enig onbewust toneelspel. Ook twijfelde hij ernstig aan het werkelijk bestaan van zogenaamde controlegeesten. Controlegeesten zijn de geesten die het medium helpen bij het contact maken met de overledenen en bij andere waarnemingen. Het leek hem waarschijnlijker dat zij of een manifestatie zijn van het dubbel-ik van het medium, of leugenachtige en valse geesten. Van Eeden vond het moeilijk om aan te geven wanneer sprake is van invloed van geesten en wanneer van splitsing in dubbel-ik of drievoudige persoonlijkheden door hypnotische (zelf)suggestie. De eenvoudigste verklaring achtte hij splitsing van persoonlijkheid op basis van hypnotische (zelf)suggestie. Maar, vervolgde hij, ‘wij weten beslist niet wat wij eigenlijk doen door hypnotische suggestie.’ Het was volgens hem denkbaar dat wij ‘door hypnotische sug­gestie iemand op dezelfde wijze beïnvloeden als geesten dat doen.’ Zo kunnen hypnotiseurs en geesten dezelfde verschijnselen opwekken. De bron van de verschijnselen kon volgens Van Eeden ook, zoals een Engels dichter hem had verteld, ‘het collectieve geheugen van het ras’ zijn. Van Eeden achtte ‘deze brede en mystieke voorstelling, hoe vaag ook, in zeker opzicht de veiligste als uitgangsbasis voor verder on­derzoek.’ Maar ook dan bleef de vraag hoe iemand daar toegang toe krijgt en of het medium zelf daartoe in staat is of dat alleen geesten dit kunnen. ‘In deze moeilijke zaak zijn wij genoodzaakt grotendeels op onze persoonlijke indrukken en intuïtie af te gaan’, aldus Van Eeden.

 

               Parapsychologische verschijnselen en hypnose

Hoewel Van Eeden stelde dat een persoon onder hypnose niet beschikt over buitenzintuiglijke gaven en dat personen onder hypnose waarnemen ‘wat hun gesuggereerd wordt’, bleken er toch soms vreemde dingen te gebeuren. Zo gaf hij als voorbeeld een proef van Charcot. ‘ Een patiënte werd een stuk wit papier voorgehouden en gezegd, dat het een portret was van een goede bekende. De patiënte vertelde zelfs bijzonderheden van het denkbeeldige portret. Het witte papier werd op enige meters afstand van de patiënte neergezet en terwijl men deze met iets anders bezighield, ongemerkt omgekeerd. Nauwelijks werd de aandacht van de patiënte weer op het papier gevestigd, of zij zei: ‘Het portret staat ondersteboven.’ Hoe vaak men de proef ook herhaalde, hoe men het papier ook keerde en wendde, steeds gaf de vrouw terstond de juiste stand van het portret aan.’ Van Eeden vervolgt: ‘Maar wat dunkt u van een inbeelding die vastzit aan een stuk papier?’ Hij achtte er het verscherpte waarnemingsvermogen van het dubbel-ik mogelijk verantwoordelijk voor, maar was er niet zeker van. Ook andere zaken kon hij niet verklaren, zoals de zitting van dr. Taquet, waarbij een gehypnotiseerde vrouw ‘een stuk wit karton, dat voor haar ogen werd vastgehouden als spiegel gebruikte. Niet alleen zag zij daarin haar eigen gelaat en de vlekken die daarop waren aangebracht, maar zij zag alles wat achter haar gebeurde, zij herkende personen die zich achter haar vertoonden en beschreef de haar onbekenden tot in alle bijzonderheden. Ook las zij in de ‘spiegel’ letters die boven haar hoofd werden gehouden en woorden, mits zij in spiegelschrift waren geschreven. Van al wat naast de spiegel gebeurde, al was het vlak voor haar ogen, zag zij niets’ (Van Eeden, 1897a). Het waren dit soort observaties die Van Eeden graag onderzocht wilde zien. Zij raakten aan het deel van de mens dat boven tijd en ruimte staat, het eeuwige in de mens.

 

Droomtheorie
Van Eeden noteerde van 3 mei 1889 tot aan het eind van zijn leven zijn dromen en gebruikte ze als basis voor zijn droomtheorie. In 1908 publiceerde hij zijn ideeën in romanvorm ( ‘De nachtbruid’) en in 1913 in wetenschappelijke vorm (‘A study of dreams’). Hoewel hij beaamde dat Freuds ideeën over dromen als expressie van lichamelijke en meestal erotische verlangens soms klopten, achtte hij die theorie voor de meeste dromen niet relevant. Wel zag hij een verband tussen dromen en het fysieke lichaam, maar de meeste lichamelijke behoeften en zintuiglijke indrukken hadden volgens hem geen of zeer geringe invloed op de droom. Deze mening stond haaks op die van Freud, die dacht dat lichamelijke impressies juist verantwoordelijk waren voor het ontstaan van dromen. Van Eeden trok een fundamentele grens tussen waken en slapen. Als iemand lichaamsindrukken (uit- of inwendig) bewust opmerkt is er geen sprake van slaap of droom, maar van de waaktoestand in zijn wakend-ik. Als voorbeeld van die duidelijke grens noemde Van Eeden het ontbreken van kiespijn tijdens het dromen, als die voor het slapen en bij het weer wakker worden wel aanwezig is. Hij maakte daarbij overigens een uitzondering voor de lichamelijke invloed van koorts, indigestie en vergif. Van Eeden dacht dat de droomloze slaper volledig ontkoppeld was van zijn mentale functies (denken, voelen, redeneren, verbeelden, etc.) en dat de droom vervolgens een nieuwe koppeling van deze mentale functies was in een andere dimensie, een andere even werkelijke vorm van bestaan. Voor Van Eeden was de droom dus een toestand waarin de geest gewaarwordingen heeft in een reële niet-ruimtelijke psychische werkelijkheid die niet beantwoordt aan de driedimensionale wetten van het alledaagse aardse leven. Hij leidde dit af uit zijn heldere dromen. Heldere dromen noemde hij die dromen waarin hij wist dat hij droomde, zich zijn waakleven herinnerde en willekeurig kon handelen terwijl hij zo vast in slaap was dat hij geen gevoelens en indrukken van zijn slapende lichaam ervoer. In deze dromen experimenteerde hij naar hartenlust en observeerde hij nauwlettend. Hieruit leidde hij het bestaan van een apart, wat hij noemde droomlijf af. Zo nam hij waar hoe hij tijdens het wakker worden uit een heldere droom ‘over gleed van het ene in het andere lichaam’. Hij had na het ontwaken twee parallelle en verschillende herinneringen aan de periode van de droom: hij herinnerde zich dat zijn fysieke lichaam op de rug had gelegen tijdens zijn droom en zijn droomlichaam op de buik. Ook riep hij soms zo luid in zijn dromen dat hij al dromend verbaasd was dat zijn stem in de fysieke wereld niet gehoord werd. Hoewel hij inderdaad zijn gedrag kon sturen en daarmee natuurlijk ook de inhoud van de droom, bleek hij niet in staat om op dezelfde willekeurige manier andere personen die in zijn dromen voorkwamen te sturen. Op basis van deze observaties trok hij de conclusie tijdens het dromen in een andere wereld te zijn, met eigenschappen die verwant zijn met parapsychologische verschijnselen. Zo voorspelde zijn overleden zwager hem in een droom uit 1903 dat hij beroofd zou worden van fl. 10.000,-. Hoewel Van Eeden dat bedrag niet eens had ten tijde van deze droom, verloor hij op deze wijze inderdaad de jaren erop veel geld (‘maar het bedrag was twintig keer zo groot’.) In de roman ‘De nachtbruid’ beschreef hij eveneens de mogelijkheid om in dromen contact te hebben met overledenen. Tijdens heldere dromen probeerde hij deze mogelijkheid uit. Zo riep en ontmoette hij regelmatig overleden mensen. Hij stelde zich bijvoorbeeld in verbinding met Nellie, van wie het eerdergenoemde medium Mrs. Thompson uit Londen verklaarde dat zij met haar in contact stond. Van Eeden noteerde zijn droombelevenissen met Nellie en onafhankelijk daarvan noteerde iemand in Londen de boodschappen die Mrs Thompson tegelijkertijd van Nellie doorkreeg. Drie maal kwamen de berichten met elkaar overeen. En vooral de derde keer was voor Van Eeden heel overtuigend parapsychologisch van aard. Toen riep hij in zijn droom abusievelijk de naam Elsie in plaats van Nellie, een vergissing die Mrs. Thompson van Nellie vernam. Verder verhaalde Van Eeden over diverse andere overleden personen die hij in heldere dromen ontmoette, al gaf hij voor een publiek van wetenschappers aan dat hij in waaktoestand niet geheel zeker was van het werkelijke karakter van die verschijningen. In de droom zèlf had hij echter wel die zekerheid.

Van Eeden vermoedde dat het geheim van het leven besloten lag in de droomwereld en poneerde de volgende stelling: dromen zijn waargenomen feiten, van gelijke aard als de ervaring na het sterven (Dagboek, 4 jan. 1926). Hij onderscheidde overigens negen verschillende soorten dromen, waaronder de eerdergenoemde heldere droom die hij als eerste beschreef en benoemde als ‘lucid dream’, een term die algemeen is geworden. Een andere soort noemde hij demonische dromen, daarbij doelend op het werkelijke bestaan van levende wezens van wat hij noemde een ‘laag zedelijke orde’. Met andere woorden: wezens die verkeerde, kwade bedoelingen hebben. Hij erkende dat het bestaan van deze wezens niet zeker was, maar opperde hun bestaan als een ‘werkhypothese’. Deze wezens kunnen naar hij meende dromen beïnvloeden en zij doen dat vaak op een symbolische en verbeeldende manier. Waar Freud aangaf dat het onbewuste driftleven de symbolen van deze dromen creëert, stelde Van Eeden dat demonen dat doen. Deze demonische invloeden kunnen volgens hem ook in heldere dromen voorkomen. Dan nemen zij hun eigenlijke verschijning als wezens aan en verschijnen zij niet alleen in symbolische vorm. Van Eeden observeerde ze en omschreef ze als veelvormig: ‘… vreemde en niet-menselijke verschijningen. Zij zijn steeds obsceen en wulps en trachten mij in hun handelingen te betrekken. Zij zijn geslachtloos en verschijnen beurtelings als man en vrouw. Hun aanschijn is zeer verschillend en veranderlijk. Het wisselt ieder ogenblik en neemt al die fantastische vormen aan die de oude schilders der middeleeuwen trachtten af te beelden.’ Een van deze demonen beschrijft hij als ‘…glibberig, glimmend, slap en koud, als een levend lijk.’ En ‘een ander wijzigde onophoudelijk zijn gezicht en trok de ongelofelijkste grimassen … Zij grijnsden als brutale straatjongens.’ Van Eeden was aanvankelijk wat angstig voor deze wezens, maar hij merkte dat dat onnodig was. Als hij ze bestreed verdween ‘al hun spookachtigheid en gemeenheid’. Dromen waarin dat gebeurde verkwikten hem. Van Eeden was zich bewust van de controversiële aard van zijn werkhypothese en zei erop voorbereid te zijn om te worden beschuldigd van het aanhangen van duistere dwalingen uit de Middeleeuwen. Maar hij stelde dat het ontkennen van deze ideeën even gevaarlijk en misleidend kan zijn als het aanvaarden ervan.

 

               Het wezen van hallucinaties
Van Eeden noemde een hallucinatie een echte en concrete waarneming, maar dan van iets dat niet door anderen wordt waargenomen (Van Eeden, 1897a). Of het waargenomene bestaat of niet bestaat als object, dat maakt voor het wezen van de hallucinatie volgens hem niet uit.  Hij vroeg zich af hoe het komt dat we in onze dromen geen licht nodig hebben en ook het oog niet, terwijl onze droomwaarneming een zelfde precisie heeft, even helder, even bewust, even echt. In een heldere droom experimenteerde hij in het vliegen langs fijn vertakte bomen, waarbij hij met verwondering de duizenden verschuivingen van alle takjes ten opzichte van elkaar waarnam en ter plekke concludeerde dat een dergelijke ingewikkelde waarneming onmogelijk een illusie kon zijn. Tegenstanders zouden kunnen betogen, aldus Van Eeden, dat een werkelijke waarneming bestendig is en een hallucinatie niet. Maar ook dat klopt volgens hem niet, want alle waarnemingen zijn in principe veranderlijk. Van Eeden dacht dat één op de tien mensen wel eens een hallucinatie heeft gehad en dat zoiets niet ziekelijk is. En hij wees op de mogelijkheid dat sommige van deze hallucinaties betrekking hebben op de realiteit. Hij citeerde een Engels onderzoek van Sidgewick uit 1894 waarin 10% van de 17000 geïnterviewde mensen wel eens een ‘buitenzintuiglijke’ waarneming van een ander persoon rapporteerde. Modern onderzoek geeft vergelijkbare cijfers.[10] Van Eeden vond het merkwaardig dat de waarnemingen het meest frequent waren rond het overlijden van de persoon die werd waargenomen. Hij citeerde nog enkele studies, maar waarschuwde voor vroege conclusies en wilde deze feiten onbevooroordeeld onderzoeken. Als meerdere observaties in dezelfde richting wijzen, kunnen we volgens hem voorzichtig nuttige en waardevolle verbanden ontdekken. Hij gaf toe dat hij niet altijd kon beoordelen of een hallucinatie bij iemand ontstond door het dubbel-ik, door bepaalde hersenactiviteit of door paranormale verschijnselen als invloed van geesten of telepathie. Hij achtte al deze hypothesen reëel. De paranormale hypothese was voor Van Eeden reëel, omdat we in zijn visie de hersenen wel nodig hebben als instrument om waar te nemen, maar dat we onder bepaalde omstandigheden ook impressies kunnen ontvangen van een andere reële werkelijkheid. Onder deze omstandigheden rekende hij enkele vormen van dromen, seances en bepaalde psychopathologische toestanden. De inhoud van de waarnemingen of hallucinaties dienden volgens Van Eeden bij het onderzoek betrokken te worden omdat ze per geval van wezenlijk belang kunnen zijn bij het bepalen welke van de hypothesen het meest aannemelijk is.

 

Van Eedens visie op persoonlijkheid
Op basis van zijn eigen ervaringen en van wat hij gezien had in Frankrijk ontwikkelde Van Eeden een visie over de persoonlijkheid als bestaande uit meerdere delen (Van Eeden, 1888). Hij onderscheidde het ‘wakend-ik’ en het ‘dubbel-ik’. Eerder had hij het dubbel-ik, dat in hypnose naar voren kwam, ‘het onbewuste’ genoemd. Maar hij vond dat een onjuiste term omdat het dubbel-ik niet onbewust is, maar met overleg handelt, logisch antwoordt, zich alles herinnert en een grotere macht heeft dan het wakend-ik. Het dubbel-ik had volgens hem zelfs een selecterende taak voor indrukken van het wakend-ik.[11] Ook beschouwde hij het dubbel-ik als de bron van herinneringen, dromen en hallucinaties en speelde het volgens hem een rol bij sommige vormen van psychopathologie. Welke rol het dubbel-ik precies speelt bij welke vormen van psychopathologie vermeldt Van Eeden niet. Het dubbel-ik blijft volgens hem altijd, ook in de slaap, observeren en wel zeer scherp, het bezit een grotere macht over autonome lichaamsfuncties dan het wakend-ik en het beschikt over de uitgebreidste herinnering, ook betreffende het wakend leven. Uit dit laatste kan men afleiden dat het dubbel-ik niet een speciaal bewustzijn van de slaap is, maar dat het ook aanwezig is gedurende het waken. Normaal gesproken zijn dubbel-ik en wakend-ik tegelijkertijd actief, zij het in wisselende mate. Het dubbel-ik is actiever tijdens de slaap en het wakend-ik tijdens het dagbewustzijn. Van Eeden achtte het zoals eerder gezegd mogelijk om door suggestie bij lichamelijk en geestelijk gezonde mensen een kunstmatige splitsing van beide delen tot stand te brengen. Hij wilde onderzoeken hoe beide ‘ikken’ met elkaar samenhangen (Van Eeden, 1888). Hij besloot om dit dubbel-ik niet of zo weinig mogelijk kunstmatig op te roepen en therapeutisch aan te wenden. Mogelijk kwam hij daartoe door zijn ervaringen met de eerdergenoemde patiënte van hem die na experimenten met automatisch schrijven een onvrijwillige splitsing van persoonlijkheid meemaakte. Misschien ook kende hij de observaties van Azam en Janet.

De Franse arts Etienne Azam publiceerde in 1887 over een patiënte genaamd Félida, die beschikte over wat Azam noemde een ‘dubbel bewustzijn’ (Ellenberger, 1970). Door deze splitsing in haar persoonlijkheid, waarbij haar dubbel-ik de leiding overnam, functioneerde zij beter en aangepaster dan met haar wakend-ik. Dit nieuwe deel van haar persoonlijkheid nam in de loop van de tijd steeds meer de rol van haar wakend-ik over. Ook Janet publiceerde in 1889 in ‘L’automatisme psychologique’ over een patiënte, Lucie, die beschikte over drie te onderscheiden delen van de persoonlijkheid. Hij ondervond hetzelfde dilemma als Azam, want ook Lucie’s afgesplitste persoonlijkheid functioneerde beter dan haar oorspronkelijke wakend-ik, dat leed onder allerlei psychische stoornissen (Ellenberger, 1970). Het waren dit soort verschijnselen die het de theoretici niet gemakkelijk maakten.

Van Eeden onderscheidde in zijn visie op de mens nog twee ‘zelven’. Het ene zelf, of ‘ik’, beweegt zich in de wereld van tijd en ruimte en is veranderlijk. Van Eeden noemde dit deel het ‘zelf’. Dat zelf kan men ook de persoonlijkheid noemen. Het is het zelf waarvan het wakend-ik en het dubbel-ik deel uitmaken. Het andere deel, het ‘Zelf’, staat los van de materiële wereld van tijd en ruimte, is eeuwig en onveranderlijk. In een brief aan Lodewijk van Deyssel schreef Van Eeden: ‘De mens heeft een innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerst en toch buiten de handelingen schijnt te staan. Dat ik neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn’ (Fontijn 1990).



[1] Suggestibiliteit is de moderne term voor de neiging om suggesties op te volgen. Van Eeden noemde dit ‘vatbaar zijn voor suggesties’.

[2] Een conversiestoornis is een stoornis waarbij een psychische oorzaak de reden is voor uitval van bepaalde lichamelijke functies.

[3] De grondlegger van de moderne hypnotherapie, Milton Erickson, spreekt in dit verband over autoritaire versus permissieve suggesties (Erickson en Rossi, 1983).

[4] Zoals bepaalde medische verrichtingen, bijvoorbeeld operaties, wettelijk alleen aan artsen voorbehouden zijn.

[5] Lichamelijke ataxie is een stoornis in de coördinatie van de willekeurige spieractiviteit.

[6] Stigmata zijn de rode plekken of wondachtige verschijnselen die sommige mensen op hun handen en voeten krijgen door identificatie met de kruisiging van Christus.

[7] Automatisch schrijven is het schrijven zonder de hand te sturen, terwijl de schrijver zich vaak onbewust is van de inhoud van het geschrevene.

[8] James Randi is een bekende Amerikaans ex-illusionist en goochelaar die stelt dat paranormale verschijnselen berusten op trucs. Hij is actief om mensen te ontmaskeren die beweren over paranormale vermogens te beschikken.

[9] James Randi noemt dit ‘cold reading’, een term voor bewust bedrog waarbij het medium vooraf relevante informatie heeft ingewonnen buiten medeweten van de persoon die vragen stelt. Van Eeden achtte deze vorm van bewust bedrog bij Mrs. Thompson uitgesloten.

[10] Jenner (2006) geeft op basis van diverse onderzoekingen, waaronder het onderzoek van Sidgewick uit 1894, een percentage tussen de 10 en 15. Ook hij meent dat hallucinaties normale (psychologische) verschijnselen zijn.

[11] Hiermee introduceerde hij het concept ‘censuur’, dat Freud jaren later in zijn psychoanalytische theorie zou opnemen.

.

III.    Van Eedens visie op psychotherapie
Empathie en maatwerk

Zijn eerste psychotherapeutische behandelingen noemde Van Eeden ‘behandeling door hypnotisme’. Waarschijnlijk omdat de term hypnose nogal beladen was koos hij al snel voor de naam ‘suggestieve psychotherapie’. Van Eeden noemde psychotherapie ‘elke therapie die ziekte geneest door tussenkomst der psychische functies van de lijder zelf’. Deze psychische functies zijn het denken, voelen en willen. Hoe zijn psychotherapiesessies verliepen is niet geheel te reconstrueren. Hij zei er het volgende over: ‘Ik laat de patiënt spreken, zonder nog in het minst te weten wat ik zeggen zal.  Ik zeg zo nu en dan iets om de klacht voller te krijgen en dan neem ik de klacht in mij op alsof ’t mijn eigen klacht was,  zonder spoedig te willen antwoorden. Dan komt de reactie in mij, de opwellingen van mijn levenskracht … korte vragen … en er komen zonder inspanning antwoorden in mij op … die vaster en breder worden … ik begin dan te praten en soms heb ik wel een half uur of een uur doorgesproken eer ik het weet. Dat heeft dan mijzelf vaak evenveel goed gedaan als de patiënt’ (Dagboek, 6 april 1889). We herkennen in deze fragmenten enkele aspecten die nog steeds als pijlers van goede psychotherapie gelden, namelijk de empathie of het inlevingsgevoel van de behandelaar en het stellen van verhelderende vragen. Beide aspecten helpen de psychotherapeut om zijn methode naar de omstandigheden en de persoon in te richten. Uit Van Eedens beschrijving blijkt dat hij niet spaarzaam was met interventies. Hij reageerde met een lange monoloog waar hij waarschijnlijk een grote suggestieve kracht inlegde, getuige zijn mededeling dat suggestie ‘de grootste rol’ in zijn behandelingen speelde. In de beschrijving van het laatste deel van een psychotherapiesessie maakt hij geen melding van formele hypnose-inductie (opwekken van hypnose), zodat het niet duidelijk is of en hoe vaak hij die toepaste.

       

  Autonomie en wilskracht

Uit zijn omschrijvingen van psychotherapie blijkt dat Van Eeden telkens zocht naar de optimale verhouding tussen verhoging van de suggestibiliteit en behoud van autonomie van de patiënt. Autonomie of zelfbeschikking van de patiënt achtte hij namelijk het belangrijkste principe van psychotherapie. Hij meende daarom dat de psychotherapeut geen onnodig diepe hypnose moest opwekken en dat hij, als hij dit nodig achtte, de reden zo goed mogelijk moest uitleggen. Aantasting van de autonomie van de patiënt door toepassing van onbegrepen of autoritaire suggestie vond hij verwerpelijk, niet alleen therapeutisch gezien, maar waarschijnlijk ook moreel. Hij schreef dat ‘het systeem van gezag en overwicht moet worden verlaten’ en dat ‘de psychotherapeut moet uitgaan van de beschaving en autonomie van de meeste mensen’. Het ‘commanderen’, in combinatie met het verhogen van de suggestibiliteit dat veel psychotherapeuten deden, zag hij met lede ogen aan. De tweede, en aan autonomie zeer verwante, pijler van de psychotherapie was naar zijn opinie de efficiënt gecoördineerde samenwerking van denken, voelen en willen. Deze zou ‘de wilskracht en het weerstandsvermogen verhogen’. De bewuste wil achtte hij het belangrijkst. Door ideoplastie (de invloed van een idee op het fysieke lichaam) van de verbeelding, liefst aangestuurd door de eigen wil, geneest de patiënt. Om dit te verduidelijken gaf Van Eeden het voorbeeld van een patiënt die door verschillende middelen tijdelijk kan genezen, namelijk ‘door een glas champagne of door elektrische stroom of door krachtige suggestie onder hypnose’. Suggestie is bij al deze remedies het actieve ingrediënt. Echter, suggesties kunnen hun kracht volgens Van Eeden verliezen. Er is maar één weg die leidt tot blijvend herstel. En dat is de patiënt uit te leggen dat al deze remedies werkzaam waren door zijn eigen gedachten en verbeelding en dat herstel dus te bereiken is door zijn eigen bewuste wil op de juiste manier in te schakelen. Van Eeden: ‘De psychotherapeut moet de verschillende draden waaraan hij getrokken heeft in handen geven van de patiënt en hem leren er zelf naar believen aan te trekken. Het enige wat de patiënt daarbij nodig heeft is geduld en hardnekkige oefening’.

      

   De juiste wijze van suggereren

Van Eeden pleitte voor het ‘suggereren zonder gezag en het suggestief genezen zonder verhoging der suggestibiliteit’. Zoals eerder gezegd, vreesde hij voor een blijvend verhoogde suggestibiliteit in het waakleven, waardoor ‘psychische ataxie’ (gebrek aan coördinatie tussen denken, handelen en voelen) zou ontstaan. Bij patiënten die hem begrepen sprak Van Eeden ‘als tegen mezelf, ik verklaar de begrippen ideoplastie en suggestie en toon de patiënt de mogelijkheid om zijn klachten door zijn eigen denken en willen te beheersen. Ik dwing niet, maar wijs eenvoudig de weg. Ik leg uit dat genezing niet komt door mijn overwicht en wil, maar door de wil van de patiënt’. Van Eeden stelde dat het op die manier bijna altijd mogelijk is om te genezen. Maar mensen die de therapeut volledig kunnen begrijpen kwam hij zelden tegen. ‘De meerderheid kan de therapeut niet begrijpen en wil toch niet geholpen worden zonder hem te begrijpen. Dat zijn de lastigste patiënten’. Bij mensen die ‘niets van de zaak begrijpen’ en die gewoon door de psychotherapeut geleid willen worden ‘is psychotherapie het makkelijkst’. Dan moet de psychotherapeut volgens Van Eeden op autoritaire wijze helpen, overigens met zo min mogelijk verhoging van de suggestibiliteit.

      

         Recidive[1]

Recidive kan in principe na elke genezing optreden. De kans hierop achtte Van Eeden bij psychotherapie het kleinst wanneer de psychotherapeut goede voorlichting geeft over de werkzame factoren van de therapie, het vertrouwen van de patiënt versterkt en de negatieve invloed van mensen in zijn omgeving vermindert. Maar zelfs dan was het volgens hem niet altijd mogelijk om recidive te voorkomen, evenmin als bij medicamenteuze genezing van lichamelijke aandoeningen.

         

      Psychotherapie bij chronische lichamelijke ziekten

Omdat Van Eeden dacht dat suggestie bij de genezing van chronische lichamelijke ziekten voornamelijk werkte volgens het principe van de ideoplastie, moest de psychotherapeut er naar streven om dat vermogen van de patiënt te vergroten en het onder zijn bewuste wil te brengen. Dat kon volgens hem door ‘oefening, educatie en training’. Hij achtte in die gevallen een lichte vorm van hypnose nuttig en voldoende om de patiënt ‘een optimale psychische inspanning te laten leveren’.

Hij vond een goed functionerend weerstandsvermogen van groot belang. Ook genezing van een lichamelijke ziekte door medicatie zou onvolkomen zijn zonder dit weerstandsvermogen. Hij achtte de kans aanwezig dat medicijngebruik de patiënt kon verzwakken. ‘Alleen als de wilskracht door oefening is verhoogd, is de kans om weer lichamelijk ziek te worden geringer dan tevoren’. Van Eeden was hierin overigens geen dogmaticus. Sommige mensen hebben volgens hem gewoon medicatie nodig en verder niets.

         

      Hypnosediepte

Behandeling onder diepe hypnose vond Van Eeden over het algemeen strijdig met goede psychotherapie, omdat de patiënt dan niet meer bewust zelf handelt, denkt en wil. ‘Hoe kunt u spreken van een bewuste wilsinspanning als u uw patiënten in slaap behandelt?’ Hij maakte een uitzondering voor depressie (‘melancholie’), neurosen en stress (‘onrust en gejaagdheid’) en slapeloosheid, waarbij hij juist de hypnotische slaap aanraadde, ‘hoe dieper hoe beter’[2].

Bij chronische lichamelijke ziekten was een lichte vorm van hypnose nuttig en voldoende. Hierbij ligt de patiënt met gesloten ogen in een soort innerlijke concentratie die hij niet onderscheidt van het waakbewustzijn.

         

      Zelfhypnose

In de gevallen dat hij hypnose geïndiceerd achtte adviseerde Van Eeden om de patiënt ‘door oefening en tactvolle leiding’ te leren hoe hij zelfhypnose kon toepassen. De patiënt kon zichzelf suggesties geven vóór de hypnose, zodat deze hun werking konden doen tijdens de hypnose.

           

    Toepassingsgebieden

Hooggespannen verwachtingen over hypnose had Van Eeden niet. Hij schreef dat de arts kan ‘trachten te helpen, waar vroeger alle pogingen dwaasheid schenen’. Als voorbeelden van toepassingsgebieden geeft hij ‘beginnende zielsziekten, dwangklachten, verslaving, neiging tot diefstal en allerlei uiteenlopende psychische stoornissen waartegen totnogtoe geen kruid gewassen was’ (Van Eeden, 1887b). De resultaten van zijn psychotherapie bij obsessief compulsieve stoornissen[3] waren niet zo positief. In zijn beschouwing ‘Iets over obsessies’ uit 1892 sprak hij alleen van genezing bij lichte vormen van dwang van recente datum (Wentges, 1975).

       

    De eigenschappen van het dubbel-ik: suggestibiliteit, verminderd kritisch denken en ideoplastisch vermogen

Van Eedens visie op de behandeling van psychische stoornissen maakte een ontwikkeling door. Aanvankelijk achtte hij vooral de suggestie onder hypnose van belang. Uit die tijd dateert zijn theorie over het bestaan van het therapeutisch nuttige dubbel-ik dat beschikt over een relatief afgescheiden en kwalitatief verschillend bewustzijn. Inschakeling daarvan zou veel nuttige zaken kunnen bewerkstelligen. Later vond hij het vergroten van de autonomie van de patiënt het belangrijkst en vond hij suggestie een van de middelen die de mens in vrije wil kan gebruiken om zijn autonomie en weerstand te vergroten. Daarmee nam het therapeutisch belang van het dubbel-ik af. Van Eeden beschouwde hypnose als een toestand van verhoogde suggestibiliteit, verminderde kritische vermogens en verhoogd vermogen tot ideoplastie. Afhankelijk van de hypnosediepte zouden deze eigenschappen van het dubbel-ik in toenemende mate naar voren komen.

        

    Splitsing van persoonlijkheid

Van Eeden dacht dat het dubbel-ik zich als afgescheiden deel van de persoonlijkheid, als afgescheiden ‘ik’, kon manifesteren bij de juiste suggesties in diepere vormen van hypnose. Hij achtte meerdere afgesplitste persoonlijkheden mogelijk, in principe allemaal als vorm van onbewust toneelspel (Van Eeden, 1921). De therapeut dient zich volgens hem af te vragen wat de toegevoegde waarde is van diepe vormen van hypnose en er alleen als het nodig is gebruik van te maken. Dit vanwege het gevaar van afsplitsing van grotere of minder grote delen van de persoonlijkheid, elk beschikkend over een meer of minder grote mate van autonomie los van het normale wakend bewustzijn. Daarom moet de therapeut zich goed rekenschap geven van de bedoelde of onbedoelde aard van de gegeven suggesties. Het suggereren van dissociatieve verschijnselen achtte hij gevaarlijk, omdat zij de autonomie van de persoon aantasten. Dit geldt dus onder andere voor suggesties van geheugenverlies, van ongevoeligheid voor pijn en van hallucinaties.

        

    De eeuwige goddelijke ziel en de ontwikkeling van de persoonlijkheid

Van Eeden probeerde, nadat hij in Amsterdam gestopt was en zijn praktijk in Bussum voortzette, zijn ideeën over de onsterfelijkheid en de goddelijke natuur van de menselijke ziel te combineren met zijn gedachten over de persoonlijkheid, de droomrealiteit en de psychotherapie. In die visie staat de mens voor de taak om zijn persoonlijkheid te vervolmaken en zo tot de goddelijke kern in zichzelf te voeren. De mens maakt zich met vallen en opstaan karaktertrekken eigen die in harmonie zijn met God. Deze eigenschappen betreffen moreel hogere kwaliteiten als liefde en rechtvaardigheid. Van Eeden noemde deze ontwikkeling de ‘opgang naar wereldheiligheid’. Deze ideeën vormen een rode draad in veel van zijn werken; hij ontvouwde ze bijvoorbeeld in de filosofische studie ‘Het rode lampje’ (1921) en vooral in zijn roman ‘Van de koele meren des doods’ die in 1900 verscheen. Zijn dagboek vermeldt dat hij in die roman zowel het unieke als ook het algemeen menselijke van de hoofdpersoon wilde uitbeelden. Het algemeen menselijke is ‘dat een mens door de diepste diepten kan gaan en toch tot grote innerlijke hoogten kan stijgen’. Pas tientallen jaren later zou het concept van de opgang van de mens tot God elders in de psychologie zijn intrede doen.[4]

 

         De koele meren of het hogere leven

Van Eeden verwerkte in het boek ‘Van de koele meren des doods’ zijn eigen levenservaringen, de ervaring met een patiënte van hem die een psychose doormaakte (Dagboek, 28 juni 1897 ) en zijn inzichten opgedaan tijdens zijn droomstudie. Het boek beschrijft het leven van Hedwig, die tegenslagen in de liefde heeft, twee maal een psychose doormaakt, twee maal een poging tot zelfdoding doet, als zware morfiniste zichzelf prostitueert en aan het eind van het boek moeizaam een hernieuwd evenwicht vindt. Van Eeden gaf zijn boek de ondertitel mee ‘De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des doods en hoe zij die vond’. Het bereiken van de koele meren, het hogere leven, omschrijft Van Eeden als ‘de overgang van zelf tot Zelf, van het tijdelijke eigene tot het tijdloze Zelf dat alleen is. … hoger leven is concentratie, samendringen van toekomst en verleden, van Al in Eén, het is verstilling met innerlijke spankracht’. Hedwig levert strijd om haar ‘tijdelijk eigene’ en ‘lagere eigenschappen’ af te leggen. Zij bereikt haar doel, de koele meren, maar dit leidt niet tot een volkomen gelukkig leven. Hedwigs leven zal ‘moeilijk, gebrekkig en onrustig’ blijven. Toch is zij verder gekomen door haar lijden. Nu zij weet dat hoger leven mogelijk is, heeft zij geen neigingen tot zelfdoding meer en geen verlangen naar de dood. Van Eeden verheerlijkte het lijden niet, noch gaf hij aan dat elke psychose automatisch tot hoger leven leidt. Wel meende hij dat psychisch lijden deze mogelijkheid in zich draagt.

 

         Oorzaken van psychische stoornissen

Van Eeden schreef in het voorwoord van ‘Van de koele meren des doods’ dat Hedwig niet in aanleg ziek was. Dat duidt erop dat hij maatschappelijke en sociale factoren van belang achtte bij het ontstaan van haar psychische klachten. Rümke (1963) wijst er op dat Van Eeden met deze mening enkele tientallen jaren vooruitliep op zijn tijdgenoten. Van Eeden achtte het overlijden van Hedwigs moeder in haar jeugd op zich niet zo belangrijk voor het ontstaan van haar psychisch disfunctioneren. Dat verlies is de oorzaak van hevig, maar normaal verdriet. Het is echter onder andere de invloed van de huishoudster in de zes jaar daaropvolgend waarover Van Eeden schrijft: ‘Deze jaren van spanning en verbittering waren als een ijzeren ring om een jonge groeiende boom, de schone wasdom onherstelbaar misvormend en sporen nalatend tot in de ouderdom’. Uit de manier waarop de huishoudster reageerde op bijvoorbeeld de zelfbevrediging van Hedwig bleek niet alleen afkeur van deze daad maar vooral van Hedwig als persoon. Hierdoor kreeg het opgroeiende kind de opvatting dat zij slecht was. Deze opvatting kan inderdaad in iemands gedachten blijven ‘tot in de ouderdom’ en desastreuze gevolgen hebben. Van Eeden beschrijft Hedwigs vergaande neiging tot zelfbeschuldiging, eerst als tienermeisje, en enkele jaren later tijdens haar verhouding met Ritsaert, een andere romanfiguur. Haar beide pogingen tot zelfdoding kunnen we opvatten als een extreme uiting van dezelfde zelfbeschuldiging. Hetzelfde geldt voor haar neiging om ‘steeds meer dingen op te zoeken die haar kwelden, hoe zieker zij werd’. Hier beschrijft Van Eeden de vicieuze cirkel waarin iemand terechtkomt wanneer hij dingen doet die hem kwellen omdat hij zichzelf slecht vindt en vervolgens bij het ervaren van de kwelling meent dat hij zich gekweld voelt omdat hij zo slecht is.

 

         Parapsychologische aspecten van psychisch disfunctioneren

In het boek ‘Van de koele meren des doods’ komen ook parapsychologische invloeden op psychische stoornissen aan bod. Van Eeden wijt het ontstaan van Hedwigs gevoeligheid voor deze parapsychologische invloeden aan haar moeilijke levensomstandigheden van dat moment. Zo verbleef Hedwig kort voor het ontstaan van haar tweede psychose in het buitenland waar ze na de geboorte van haar kindje alleen gelaten werd door haar geliefde die haar niet langer steunde. Van Eeden beschrijft hoe Hedwig een voorspellende hallucinatie had waarin zij een bedelaar zag die zij later in de realiteit herkende. Deze hallucinatie dreef haar in handen van deze zelfde bedelaar, die haar vervolgens nog verder onder demonische invloed bracht. Van Eeden achtte het, zoals gezegd, aannemelijk dat hallucinaties kunnen ontstaan door dergelijke parapsychologische invloeden. Een parapsychologisch aspect spreekt ook uit het contact dat Hedwig heeft met Valérie, een medepatiënte uit het ziekenhuis, die haar een boodschap doorgaf uit de geestenwereld. De boodschap bevatte de naam van Hedwigs eerste jeugdliefde en mededelingen over een droom uit haar jeugd. Parapsychologische invloed beschrijft Van Eeden ook in een passage over een verpleegster bij wie Hedwig tijdens haar psychose onmiddellijk rustig werd: ‘Er was één vrouw die nooit een ruw of nijdig woord van haar te horen kreeg, niemand kon verklaren waarom. Men sprak in het algemeen van een zachte invloed. Maar Hedwig zelf was later overtuigd dat deze vrouw onwetend macht had over de demonen die haar voor een tijd overmeesterden, diezelfde demonen die haar in handen van de vagebond hadden gelokt door haar vooraf zijn beeld te tonen en die haar vuile taal lieten spreken die zij zelf nooit kon vernomen hebben’.[5] In zijn dromenstudie verklaart Van Eeden deze parapsychologische invloeden met de theorie van de demonologie. Deze theorie gaat uit van de invloed die uitgeoefend wordt door moreel lagere wezens die niet langer in hun menselijk lichaam verblijven. De patiënt ervaart deze invloed soms wel, maar niet altijd als komend van een ander wezen. In zijn dagboek geeft Van Eeden (Dagboek, 16 oktober 1914) een voorbeeld hiervan bij de jonge componist Christiaan Krah die hij behandelde. Hij beschreef hem als een ‘neuroticus die in een aanval van neurasthenie stemmen hoorde’. Krah voelde zich daarna ‘ongelukkig, kon zijn huis niet verlaten, kon zich niet verroeren, de wereld scheen hem afgrijselijk en zijn uitingen waren vaag en moeilijk te verstaan’. Van Eeden noteerde dat hij ‘een sterke indruk kreeg van slechte, demonische aanwezigheid’ en dat hij vreesde dat Krah ‘hopeloos verloren was, op weg naar waanzin, zonder redding’. Door behandeling van Van Eeden, die de behandeling helaas niet inhoudelijk beschrijft, knapte Krah echter op.

 

         Beschrijving van een behandeling

Wel beschrijft Van Eeden gelukkig uitgebreid de zeven sessies durende christelijke psychotherapie die Hedwig uit ‘Van de koele meren des doods’ krijgt een van een non, zuster Paula. Uit zijn dagboek blijkt dat Van Eeden deze therapie deels baseerde op de denkbeelden van Madame Guyon[6] die hij had bestudeerd. Rümke beschrijft de behandeling als een Rogeriaanse[7] therapie op religieuze grondslag. De werking van deze kortdurende psychotherapie bestaat volgens Rümke uit ‘verheldering in de eigen existentie’. Tegenwoordig zouden we wellicht spreken van een kortdurende cognitieve therapie[8], waarbij de patiënt leert zichzelf minder af te keuren en zijn gedachten in plaats daarvan stapsgewijs te richten op dingen die hij wil bereiken. Hedwig gaat accepteren dat zij niet perfect is en het ook niet hoeft te zijn. Paula vertelt haar over het bestaan van de goddelijke geest en over het accepteren van de mogelijkheid om de werkelijkheid van het hogere leven te gaan ervaren. Paula sterkt Hedwig in haar wilskracht en doorzettingsvermogen (‘zet nog even door, je bent er bijna’) en Hedwig krijgt verschillende keren teksten ter overdenking mee. Het afleggen van het ‘tijdelijk eigene’ als onderdeel van de therapie komt aan bod als Paula over Hedwigs doodswens zegt: ‘We willen eerst weten wat dood en leven is. Je bent behouden gebleven omdat je leven is geweest een sterven, een doodgaan van het lagere. En het doet pijn nietwaar?’ Vervolgens benoemt ze de dood als ‘iets dat je kan bereiken tijdens het leven en dat maakt het leven de moeite waard’. Daarmee benoemt ze de doodswens van Hedwig als positief en haalbaar tijdens haar leven. Van Eeden laat Paula dan iets zeggen dat hij ook in een andere context schreef: ‘Als we de rust en openbaring zouden krijgen door onszelf te doden dan zou dat onrechtvaardig zijn ten opzichte van hen die haar verkregen door zwaar en pijnlijk leven’. Als het Hedwig duidelijk wordt dat Paula met de dood het sterven van onze kleine wensen en wensjes bedoelt, zegt ze: ‘Moet ik dan mijn natuurlijke neigingen en mijn levensvreugd tegengaan?’ Dan wordt Paula geïrriteerd en spreekt zij haar twijfel uit over het nut van de gesprekken. Ze vertelt dat de enige werkelijke troost van God komt en vraagt Hedwig de eerstkomende dagen geen contact met haar te zoeken. ‘Hedwig begreep toen dat zij geen troost moest verwachten van mensen en dat zij om Paula weer voor zich te winnen onbekommerd moest zijn’. Het is interessant te zien dat Van Eeden Paula als therapeut begiftigt met menselijke onvolkomenheden en hoe hij haar die onvolkomenheden therapeutisch laat hanteren. Paula verontschuldigt zich namelijk in het volgende gesprek en plaatst haar eigen gedrag in een therapeutisch kader. ‘Het was bij mij ook niet geheel pluis. Ik werd een beetje kregel omdat je me niet begreep, lelijk van me niet? Zie, dat was nu een teken dat het eigene bij mij nog niet dood is. Want ik vond mijn woord te kostelijk om het aan een onverstandige te geven. Dat moet in mij nog afsterven’. Over menselijke behoeften zegt Paula dan dat het niet nodig is om de behoefte aan man en kind en partnerliefde op te geven. Het is wel nodig om daarbij God te dienen. Paula zegt dat Hedwig juist begenadigd is, omdat haar verdriet een uiting is van haar verbeelding dat ze meer had kunnen bereiken dan ze in werkelijkheid tot nu toe heeft bereikt. Dan wordt Hedwig boos en Paula vervolgt: ‘Als je de schat die in je ligt ontdekt hebt, dan verdriet dit je niet meer’. Zij geeft aan dat we zonder pijn ons lichaam niet voelen en zonder leed de ziel niet. Hiermee plaatst zij Hedwigs verdriet in een goddelijk kader. Aanvankelijk leren wij volgens Paula incasseren en worden wij sterker en vervolgens leren wij de weg te vinden. Daarbij moeten we eerst leren om onze naasten te verdragen en vervolgens onze eigen gebreken te accepteren. Want ‘we botsen met onze eigen wensjes nog met de grote onveranderlijke wil van de Eeuwige’. Op de vraag van Hedwig hoe het goed kan zijn om je eigen gebreken te verdragen, antwoordt Paula: ‘Verdragen is niet goedvinden. Wij hoeven gebreken nooit goed te keuren. Maar waar verzet niet baat, moeten we wijs genoeg zijn om te ontwijken. Trotseer daarom niet, maar ontwijk, nederig en geduldig je onvolmaaktheid erkennend’.

 

Beschouwing tot slot

Van Eedens laatste wetenschappelijke publicatie over psychotherapie was ‘Het beginsel der psychotherapie’ (1894). Daarna heeft hij er zich zijdelings nog over uitgelaten in publicaties over verwante onderwerpen. Onder andere in zijn dagboeken, in zijn voordracht ‘A study of dreams’ die hij in 1913 in Londen gaf, in zijn ‘Redekunstige grondslag van verstandhouding’ en in ‘Over hallucinaties’. Veel uitvoeriger besprak hij het onderwerp zoals gezegd in zijn roman ‘Van de koele meren des doods’ (1900). Op al deze geschriften heb ik mij bij het schrijven van dit essay gebaseerd. De conclusies en verbanden die ik aanbreng hebben geen wetenschappelijk karakter. Dat is ook niet de bedoeling van een essay, waarin de schrijver vrijelijk speculerend dwarsverbanden mag leggen. Omdat andere deskundigen tot nu toe geen aandacht gaven aan de eigenzinnige opvattingen van Van Eeden over de parapsychologische invloeden bij psychische stoornissen, over het eeuwige Zelf en over de menselijke ontwikkeling, achtte ik een hernieuwde kennismaking na een eeuw van belang. Zoals eerder al gezegd, is veel van wat hij beweerde 100 jaar later gemeengoed geworden. Het was bij lezing van zijn geschriften over hypnose en psychologie, afgezien van het oude taalgebruik, alsof ik kennis nam van moderne inzichten uit een hedendaagse publicatie. Dat is een verdienste van Van Eeden. Natuurlijk zijn er in de tussentijd de nodige vorderingen gemaakt. De inzichten zijn nu systematischer beschreven en hebben geleid tot welomschreven methoden van psychotherapie. Ook is onze kennis over hersenfuncties en medicatie bij psychische stoornissen toegenomen. De effectiviteit van psychotherapie is echter nog steeds gebaseerd op de empatische grondhouding van de psychotherapeut, het bieden van hoop, de kwaliteit van de therapeutische relatie, het versterken van de autonomie van de patiënt en het stimuleren van cognitieve veranderingen. Al deze facetten zien we bij Van Eeden, de geniale psychiater volgens Rümke, terug.

Psychotherapie was slechts een van de gebieden waarvoor Van Eeden zich, en dan nog tijdelijk, interesseerde en inzette. Het onderwerp liet hem echter nooit helemaal los, want het raakte een van zijn levensthema’s, de verhouding tussen wetenschap en liefde. Als wetenschapper probeerde hij de wetmatigheden van het menselijk functioneren te ontdekken. En handelend vanuit liefde probeerde hij het lijden te verlichten. Van Eeden beschouwde psychotherapie als het ‘genezen van ziekten door de invloed van verbeelding van heilzame denkbeelden’. De psychotherapeut diende deze denkbeelden volgens hem met overleg en tact op de patiënt over te brengen en de patiënt uit te nodigen om ze zelf te gaan toepassen, waardoor diens autonomie zou toenemen. Het versterken van deze autonomie zag Van Eeden als belangrijkste pijler van de psychotherapie. Hij achtte het van belang om de psychische draagkracht van de patiënt te versterken door hem te stimuleren om zijn verbeelding en gedachten in te schakelen. Het versterken van de autonomie[9] en de wil [10] bij de patiënt vond hij de centrale taak van een goede psychotherapeut. Voor de psychotherapie zag hij toepassingen bij zowel psychische stoornissen als bij lichamelijke (chronische) ziekten; dit wordt ook nu nog zo gezien. Wel is tegenwoordig het doel daarbij eerder het beter omgaan met de ziekte, het accepteren ervan en integreren van de ziekte in het leven. Van Eeden zag psychotherapie als een hulpmiddel bij genezing. Met hypnose als suggestibiliteitverhogend onderdeel van psychotherapie wilde hij het therapeutisch effect van ‘heilzame denkbeelden op het genezingsproces vergroten’. Een lichte vorm van ontspanning verhoogde naar zijn mening het ideoplastisch vermogen, waardoor het effect van de denkbeelden toeneemt. Deze vorm van ontspanning was volgens hem voldoende en ook therapeutisch verantwoord, omdat de patiënt hierbij al zijn mentale vermogens optimaal kan gebruiken. Hierin stemt hij overeen met moderne psychotherapeuten. Voor sommige aandoeningen die gepaard gaan met spanningen en stress achtte Van Eeden diepere vormen van hypnose nuttig. Deze opvatting wordt nog wel gehuldigd bij psychotherapeuten die hypnose toepassen, maar naar mijn inschatting niet bij de meerderheid. Tegenwoordig zoekt de psychotherapie het bij deze klachten meer in een combinatie van het stimuleren van een rustiger levenswijze, het vinden van een evenwicht tussen spanning en ontspanning en cognitieve methodieken. Bij de toepassing van diepere vormen van hypnose was het volgens Van Eeden belangrijk om zo min mogelijk gebruik te maken van geheugenverlies, pijnloosheid en handelingen die lijken op handelingen tijdens het waakbewustzijn. Dit om de kans op ongewenste splitsing van persoonlijkheid te minimaliseren. Van Eeden postuleerde namelijk het bestaan van een dubbel-ik dat in diepe hypnose als gevolg van suggesties naar voren kan komen. Het dubbel-ik beschreef hij als vatbaarder voor suggesties en voor verminderd kritisch oordelende functies. Van Eeden beschouwde het door suggestie oproepen van een dubbel-ik (of splitsing van de persoonlijkheid) dat beschikte over de normale psychische functies als gevaarlijk. Hij pleitte bij het gebruik van suggestieve technieken voor zo min mogelijk verlies van kritische denk- en oordeelsfuncties van de patiënt. Dit zijn veel psychotherapeuten tegenwoordig met hem eens. Zeker in het licht van de verhitte discussies van de afgelopen decennia over verminderde toerekeningsvatbaarheid van misdadigers onder invloed van afgesplitste delen van de persoonlijkheid,[11] maar ook gezien de mogelijkheid dat een psychotherapeut door het geven van onbewuste suggesties een dergelijk deel ‘tot leven kan roepen’.

Psychotherapie is volgens Van Eeden het aanwenden van heilzame ideeën. Een van deze ideeën achtte hij de onsterfelijkheid van de menselijke ziel (het Zelf) en daarmee verwant de opvatting dat door de ontwikkeling van de persoonlijkheid het zelf (of het ‘ik’) geleidelijk één wordt met dat goddelijke Zelf. Veel moderne psychotherapeuten betwisten waarschijnlijk de heilzaamheid van dergelijke ideeën. Ik heb ze namelijk nooit in een handboek teruggevonden. Van Eeden achtte deze ‘opgang tot wereldheiliging’ mogelijk door een bewuste oriëntatie op moreel hogere eigenschappen die afstemming hebben op het goddelijke, zoals de rechtvaardigheid. De groei van deze eigenschappen betekent automatisch het ‘afsterven van de tijdelijk eigen wensen’, wat pijn en leed met zich mee kan brengen. Wanneer de mens zich uitsluitend afstemt op het nastreven van het ‘tijdelijk eigene’ en daarmee de hogere eigenschappen als liefde, welwillendheid en rechtvaardigheid verloochent, dan opent hij zich voor deze ‘tijdelijk eigene’ invloeden. Deze invloeden ontstaan door zijn wil, of door het ontbreken van zijn wil voor het goede. Meestal betreft het invloeden uit de eigen bewuste en onbewuste persoonlijkheid. In dat geval is sprake van normaal psychologisch functioneren. Maar soms komt de invloed van buitenaf, zoals in sommige droomvormen en psychische stoornissen. Deze invloeden komen volgens Van Eeden van wezens die ‘ons overal en altijd omringen’ en in voorkomende gevallen ‘voortdurend bezig zijn ons neigingen, gedach­ten of fantasieën te geven overeenkomstig onze ontvankelijkheid’. Hij gaf aan dat we op die manier ‘alle bewustzijnsinhouden kunnen verklaren, zelfs van dromen, hallucinaties en psychische stoornissen’. Dat betekende volgens hem echter niet dat we ‘alle bewustzijnsinhouden zo moeten verklaren’. Van Eeden spreekt over deze invloed tijdens het dromen en kent er geen grote negatieve consequenties aan toe voor het functioneren in het waakleven. Hij schetste bij Hedwig uit ‘Van de koele meren des doods’ echter een invloed van buitenaf die pathologisch was en haar functioneren in de war stuurde. Door zware levensomstandigheden was zij psychisch kwetsbaar geworden, waardoor deze invloed kon ontstaan. Tijdens haar waakbewustzijn stond zij bloot aan impressies van ‘buitenaf’ die zich mengden met haar eigen bewustzijn. Dit verergerde haar psychisch disfunctioneren tot een psychose[12]. In sommige gevallen is deze invloed wellicht te subtiel voor de persoon om zich ervan bewust te zijn. Dit zou kunnen gelden voor de symbolische impressies tijdens bepaalde dromen, waarover Van Eeden sprak. In andere gevallen, zoals bij Hedwig, is echter duidelijk van een verstorende invloed sprake. Niet altijd onmiddellijk storend voor de persoon zelf, die door het werkelijkheidskarakter ervan met de ervaringen kan meegaan als bij ‘gewone’ ervaringen. Buitenstaanders merken dan het disfunctionele van dergelijke invloeden het eerst op. Vaak is echter ook de persoon zelf zich bewust van de ongewone invloed, maar kan hij zich er niet aan onttrekken. Van Eeden heeft voor zover ik heb kunnen nagaan verder niets geschreven over de verschijningsvormen van deze invloed en over mogelijke therapievormen. Of zijn visie zal leiden tot een herwaardering van ‘de invloed van buitenaf’ als medeoorzaak van sommige psychische stoornissen hangt enerzijds af van het werkelijkheidskarakter daarvan en anderzijds van de bruikbare therapieën die dit concept zal opleveren. Het antwoord hierop ligt in de toekomst.



[1] Recidive is de medische term voor terugkeer van symptomen.

[2] Hij zei in 1894 dat hij nog nooit een slaapmiddel had voorgeschreven en dat hij tot de conclusie gekomen was dat slaapmiddelen bij chronische ziekten zonder uitzondering onnodig en schadelijk waren.

[3] Dit zijn stoornissen waarbij de patiënt terugkerende dwanghandelingen en dwanggedachten heeft die hij beoordeelt als onvrijwillig en zinloos of verwerpelijk.

[4] Rümke (1963) schreef dat de Zwitserse psychotherapeut Alfons Maeder, die Van Eeden kende en verschillende keren ontmoette, deze aangeboren drang tot vervolmaking jaren later de ‘richtinggevende regulatieve activiteit’ zou noemen. Ook Rümke zelf, die in leertherapie was bij Maeder, gaf aan rekening te houden met deze kracht.

[5] Rümke (1963) schrijft hierover dat het verschijnsel ‘volkomen juist gezien is en inderdaad bestaat’. Hij weet niet waarop zo’n rustgevende werking berust en sluit een parapsychologische verklaring niet uit.

[6] Jeanne-Marie Bouvier de La Mothe-Guyon (1648-1717), genaamd Madame Guyon, was een mystieke rooms-katholieke Française.

[7] Rogeriaanse therapie of cliëntgerichte psychotherapie is genoemd naar de Amerikaanse psychotherapeut Rogers (1902–1987). Hij betoogde dat het individu geen object is dat ontleed, beoordeeld en gemanipuleerd moet worden, omdat de werkelijkheid minder belangrijk is dan hoe de mens hier en nu iets ervaart. Voor de psychotherapeut is het belangrijk om de wereld door de ogen van de patiënt te zien en diens gevoelens te ervaren terwijl hij toch de nodige emotionele afstand bewaart.

[8] Cognitieve therapie is een verzamelnaam voor een aantal vormen van psychotherapie die uitgaan van het idee dat psychische problemen in essentie bepaald worden door cognities, dat wil zeggen door gedachten, herinneringen, zintuiglijke beelden, fantasieën, gewaarwordingen en waarnemingen (met inbegrip van onbewuste), opvattingen, oordelen, waarderingen, interpretaties en houdingen en tot op zekere hoogte ook door gevoelens (Albersnagel en Boelens, 1991).

[9] Tegenwoordig spreekt men in dat verband van ‘empowering’ van de cliënt.

[10] Tegenwoordig spreekt men in plaats van ‘wil’ over motivatie.

[11] De Hillside Strangler alias Kenneth Bianchi beweerde dat niet hij verantwoordelijk was voor de door hem gepleegde moorden tussen 1970 en 1980, maar zijn afgesplitste persoonlijkheid, genaamd Steve Walker. Deze afsplitsing bleek niet te bestaan.

[12] Een psychose wordt volgens de gangbare psychiatrische classificatie van stoornissen gekenmerkt door aanwezigheid van wanen, hallucinaties, stoornissen van logica en ontregeld gedrag. Maar de afbakening van de psychose met andere stoornissen is moeilijk en arbitrair.

.

Literatuur:

Albersnagel, F.A. en Boelens, W. (1991). Cognitieve Therapie. In: Handboek psychopathologie, deel 2. Red: W. Vandereyken, C.A.L. Hoogduin en P.M.G. Emmelkamp. Bohn Stafleu van Loghum, Houten.

Eeden, F.W. van (1887a). Nog iets over Dr. Liébeault. De Nieuwe Gids, jaargang 2.

Eeden, F.W. van (1887b). Het hypnotisme en de wonderen. De Nieuwe Gids, jaargang 2.

Eeden, F.W. van (1887). De Kleine Johannes I. Mouton & Co, Den Haag.

Eeden, F.W. van (1888a). Ons dubbel-ik. Studies deel 1. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1888b). De psychische geneeswijze. Studies deel 2. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1888c). De spiritistische verschijnselen. Studies deel 1. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1892). Lombroso over de spiritistische verschijnselen. De Nieuwe Gids, jaargang 7.

Eeden, F.W. van (1894a). Het beginsel der psychotherapie. Studies deel 2. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1894b). Enige opmerkingen over algemene therapie. Studies deel 2. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1897a). Over hallucinaties. Studies deel 3. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1897b). Redekunstige grondslag van verstandhouding. Studies, deel 3. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1901). Over spiritisme. Studies deel 4. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1900). Van de koele meren des doods. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1903). De blijde wereld. Reden over mens en maatschappij. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1906). De nachtbruid. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1912). Sirius en Siderius. W. Versluijs, Amsterdam.

Eeden, F.W. van (1921). Het rode lampje. Signifische overpeinzingen.

Eeden, F.W. van (1971). Dagboek 1878-1923.Tjeenk Willink-Noorduijn, Culemborg.

Eeden, F.W. van (1979). Dromenboek. Bert Bakker. Uitgegeven en ingeleid door D. Schlüter, m.m.v. Reiny Jobse.

Ellenberger. J. (1970). The discovery of the unconsciousness. Basic Books, New York.

Erickson, M.H. en Rossi, E.L. (1983). Exploraties in hypnotherapie. Van Loghum Slaterus, Deventer.

Fontijn, J. (1990). Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901. Querido, Amsterdam.

Fontijn, J. (1996). Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901. Querido, Amsterdam.

Jenner, J.A. (red.) (2006). Hallucinaties, kenmerken, verklaringen, behandeling. Van Gorcum, Assen

Liber Amicorum, Dr. Frederik van Eeden. (1930). Wereldbibliotheek. Amsterdam.

Romme, M.A.J. en Escher, A.D.M.A.C. (1999). Stemmen horen en accepteren. Verschillende manieren van omgaan met stemmen in je hoofd. Trion, Baarn

Rümke, H.C. (1964). Over Frederik van Eedens van de koele meren des doods. Een essay. Herdruk in 1977 bij Bohn, Scheltema & Holkema, Utrecht.

Spoormaker, V. (2005). Droom succes. Ontdek de creatieve kracht van je dromen. Spirit, Utrecht/Antwerpen.

Tenhaeff , W.H.C. (1973). Het spiritisme. Uitgeverij Leopold, Den Haag.

Uuden, C. van en Stokvis, P. (2007). De gezusters Van Vloten. Bert Bakker, Amsterdam.

Vos, M.S. en Berkestijn, H. van. (1993). De geschiedenis van de opleiding tot psychiater in Nederland. Tijdschrift voor Psychiatrie, 35, I.

Wentges, R. Th. R. (1976). De psychiater Frederik van Eeden. Nederlands Tijdschrift Geneeskunde, 120, nr. 21.

.

Peter Baldé werkt als gezondheidszorg-psycholoog in een zelfstandig gevestigde praktijk en is trainer in EMDR. Hij behandelt mensen met uiteenlopende psychische problemen en werkt vanuit de visie dat elk mens beschikt over het vermogen om geestelijk te groeien. Hij volgde opleidingen in gedragstherapie, hypnotherapie, energie-psychologie en EMDR. Over dit laatste onderwerp, dat handelt over het verwerken van traumatische herinneringen, schreef hij het boek ‘Met andere ogen bekeken’. De website van zijn praktijk is www.psychologenpraktijk.nl Zijn emailadres is pbalde @ freeler.nl ( in emailadres: spatie voor en na het @ verwijderen)

 

De volledige tekst als PDF: klik HIER rechts en kies voor opslaan.
 
 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 12-05-2011 16:28